Het is met enige huiver dat ik begin aan
mijn leesverslag van Alan Charles Kors, Atheism in France, 1650-1729, vol. I: The Orthodox Sources of Unbelief, xvi +
392 pp., Princeton UP, 1990. Niet alleen is het werk indrukwekkend
gedetailleerd en gedocumenteerd, het is ook subtiel en genuanceerd. Hier is geen
tijd of energie verspeeld aan loze gemeenplaatsen en algemeen aanvaarde
opvattingen, tenzij om ze te betwijfelen, ontkrachten en ontluisteren. Noch is
dit een feitelijke geschiedenis van de vroege Verlichting in Frankrijk: prof.
Kors is als historicus begaan met intellectuele geschiedenis,
ideeëngeschiedenis. Het is evenmin een boek dat op een of andere manier het
atheïsme aankleeft of propageert als filosofische of levensbeschouwelijke
houding: de auteur stelt zich rigoureus op het neutrale standpunt van de historische
wetenschapper.
Ik zal trachten hier in kort bestek de
krachtlijnen van zijn betoog weer te geven. Voor het vlees aan dit skelet moet
je terecht bij de auteur zelf en dus het boek lezen en dat raad ik eenieder aan
die ook maar enigszins geïnteresseerd is in onze intellectuele geschiedenis en
in de Verlichting en haar nawerking in het bijzonder.
Het eerste hoofdstuk draagt de dubbele
paradoxale titel: Atheïsten zonder atheïsme, atheïsme zonder atheïsten.
Vertrekken we van de vaststelling dat in
het midden van de zeventiende eeuw Frankrijk beschouwd werd als een door en
door religieus geïnspireerd land, overwegend katholiek, maar vrij tolerant
tegenover protestantse vernieuwing, althans tot aan de revocatie van het Edict
van Nantes in 1685. Wie in die context op zoek gaat naar atheïsten, moet vrede
nemen met verzonnen personages, die opgevoerd worden als de denkbeeldige gesprekspartners
van de gelovigen in theologische geschriften. Atheïsme zelf, als een concrete
levenshouding, geldt als zo ondenkbaar, dat het niet eens verondersteld wordt reëel
te kunnen bestaan in de praktijk. Vandaar atheïsten, als fictieve figuren in
een theoretische discussie, maar zonder atheïsme als een concreet voorkomend verschijnsel.
Of omgekeerd: atheïsme als een denkbare theoretische instelling, het voor
absurd gehouden tegenovergestelde van het geloof in God, maar zonder concrete
atheïsten die deze ondenkbare levenshouding ook in de praktijk brachten.
Het was in die context evenwel zeer goed
mogelijk om zeer expliciet en uitvoerig die zogenaamd fictieve atheïsten en dat
atheïsme te beschrijven en ze ongehinderd aan het woord te laten. In een
cultuur die het geleerd dispuut zo ongeveer had uitgevonden, was elke geschoolde
persoon erop getraind om over om het even welk onderwerp te discuteren, en dan
nog het liefst vanuit de veronderstelling van het tegendeel. Stel dat men het
bestaan van God wil bewijzen; de beste manier om dat aan te pakken is uitgaan
van de veronderstelling dat er een atheïst is die het daarmee niet eens is en
die allerlei opwerpingen tegen de argumenten van de gelovige aanbrengt. Men
verzint dus de bezwaren van de tegenpartij om er nog beter te kunnen op
antwoorden. Dat is de klassieke, scholastieke manier van argumenteren, die men
ook al volop bij Thomas Aquinas aantreft, het bekende en nog steeds toegepaste systeem
van de advocaat van de duivel.
Het zijn dus, paradoxaal genoeg, de
verdedigers van het geloof zelf die het atheïsme als het ware hebben uitgevonden
en uitgebouwd, zij het als een louter theoretisch model, ter wille van de
discussie.
Het tweede hoofdstuk, Thinking about the Unthinkable, begint met een onderscheid tussen
echt en vermeend atheïsme. Het was destijds de gewoonte om iedereen die er ook
maar enigszins een afwijkende mening op nahield over geloofszaken, met
verwijten van atheïsme te overladen. Wie anders-gelovig was, bijvoorbeeld de
protestanten, was meteen een atheïst, ook al erkende die zonder meer het
bestaan van God. Daarnaast waren er ook toen onvermijdelijk ook mensen die er
een liederlijke levenswandel op na hielden, zowel onder het gewone volk als aan
het koninklijk hof. Wie niet deugdzaam leefde, miskende God en ontkende of
negeerde dus zijn bestaan: atheïsten dus.
Nochtans begon men allengs een duidelijk
onderscheid te maken tussen verschillende categorieën van atheïsme. Een
theologisch auteur die het verwijt kreeg atheïst te zijn, kon zich
verontwaardigd afzetten tegen de veronderstelling dat hij niet beter was dan
een levensgenieter, een libertijn, die zich stoorde aan God noch gebod. Zo kwam
men tot de categorie, nog steeds denkbeeldig, van de atheïst die op
intellectuele basis tot de conclusie kwam dat er geen God is: thinking the unthinkable.
We hebben hier
te maken met een onmiskenbare dubbelzinnigheid in de traditionele opvatting
over atheïsme als een louter verzonnen verschijnsel. De argumenten van de
advocaat van de duivel, van de denkbeeldige atheïst, waren bijzonder
scherpzinnig en vaak geloofwaardiger dan de slappe reacties die de scholastieke
geleerde erop kon (of wou?) verzinnen. Ook Thomas had al zeer overtuigende argumenten
tegen het bestaan van God opgesomd. Men kan zich de vraag stellen of al die
atheïstische argumenten wel zo denkbeeldig waren en louter pour le besoin de la cause, for the sake of the argument, als men
wou doen geloven. Wie echte bezwaren had, met echte twijfels zat, kon zich van
dat systeem bedienen om daaraan lucht te geven, zonder het gevaar te lopen op
de brandstapel te belanden. Wie de theologische geschriften van de auteurs van
die tijd leest, kan moeilijk anders dan zich ernstige vragen te stellen bij
deze ten minste potentieel misleidende methode.
Het is dus mogelijk om binnen de theologie
of de filosofie (het onderscheid was destijds bijlange niet zo duidelijk als
nu), een theoretische, intellectuele discussie te voeren over het bestaan van
God, argumenten aan te voeren pro en contra en vooral dat laatste is meer dan
uitvoerig gebeurd. Daarbij komt op geen enkel moment het persoonlijk geloof van
de betrokkenen in het gedrang, die allen gelovig waren en meestal zelfs
priester, monnik, abt, bisschop of kardinaal en geen van hen dacht er ook maar
een ogenblik aan om zijn religieuze verplichtingen in vraag te stellen. Ook een
groeiend aantal leken dat kon lezen en schrijven, de wetenschappers en
literatoren, de geneesheren en rechters, de hovelingen zijn zich ongetwijfeld vragen
gaan stellen over geloofskwesties, vanuit hun dagelijkse ervaring dat de
tussenkomst van God niet steeds evident of begrijpelijk was. Ook de verhitte
discussies tussen de verschillende verdedigers van het geloof onderling waren
aanleiding tot twijfel en zelfs vertwijfeling bij gelovigen die probeerden het
ware geloof te belijden.
Hoe vaak men dus ook herhaalde dat atheïsme
een ‘onmogelijke’ veronderstelling was, toch kon men er niet om heen dat steeds
meer concrete personen bepaalde gedachten koesterden die men als atheïstisch
moest kwalificeren.
Hoofdstuk drie gaat dan nader in op de
paradox van het atheïsme zonder atheïsten. Stilaan was het immers duidelijk dat
het perfect mogelijk was om concrete atheïstische veronderstellingen te maken,
ook zonder dat men persoonlijk atheïst was of het geloof afzwoer. Aristoteles
en Thomas, de autoriteiten van de scholastiek, hielden voor dat enkel een open bespreking
van alle mogelijkheden van een discussie, van alle denkbare argumenten, kon
leiden tot de waarheid. Alles moest in vraag gesteld worden, aan alles kon
getwijfeld worden. Enkel op die manier kon men zich wapenen tegen de aanvallen
van de ongelovigen, enkel zo kon men eigen sterke argumenten ontwikkelen om de
twijfelaars te overtuigen.
Een van de traditionele godsbewijzen was
dat alle mensen altijd en overal God gekend hebben. Het werd echter steeds
moeilijker om dat te blijven verdedigen. Enerzijds slingerden theologen elkaar
verwijten van atheïsme naar het hoofd, gestaafd met bewijzen, anderzijds richtte
men dat verwijt ook meer en meer op de filosofen van de oudheid, inclusief
Aristoteles, die wel een soort God aanvaardde, maar bijvoorbeeld niet geloofde
in de goddelijke voorzienigheid en de concrete tussenkomst van die God in de
gebeurtenissen op aarde. Er kwamen dus stilaan ernstige barsten in het
verenigde front van de verdedigers van het geloof.
Het vierde hoofdstuk is gewijd aan de rol
van de filosofie voor het bewijzen van het bestaan van God. De scholastiek
vertrekt duidelijk van deze stelling: wij leiden het bestaan van God af uit onze
ervaring van de wereld. Gods bestaan blijkt evident uit de wereld. Het is de
filosofie die, door zich te bezinnen op onze ervaringen, noodzakelijk tot de
conclusie komt dat er een God is. De wereld kan niet verklaard worden zonder
het bestaan van een God.
Anderzijds is dat niet de meest voor de
hand liggende manier om eenvoudige gelovigen te overtuigen of om kinderen het
geloof bij te brengen: wat weten zij van filosofie? Uit een doorgedreven
analyse van de catechismussen in gebruik in Frankrijk in die periode, leidt de
auteur af dat de catechese in de scholen de kwestie van het Godsbestaan niet
eens stelde. Slechts hier en daar was er een vraag ‘Bestaat God?’ en het
antwoord was kort en bondig: ‘ja, en daaraan kan niet getwijfeld worden’.
Het is echter een zeer netelige kwestie of
filosofische godsbewijzen mogelijk en/of noodzakelijk zijn. Moeten we eerst op
filosofische grond overtuigd zijn van het bestaan van God om zo tot het geloof
te komen? Voor kinderen en gewone gelovigen was dat niet het geval: zij moesten
aanvaarden dat het zo was, op basis van een strenge opleiding, desnoods onder
fysieke dwang of dreiging met lijfstraffen. Toch ging men zich ook in de
theologie en de filosofie de vraag stellen of het ook niet mogelijk was te
geloven in God zonder filosofische godsbewijzen. Het is een kwestie die zich
meer en meer ging stellen in Frankrijk en die tot geweldige controverses zou
leiden binnen de Kerk. Dit is mij bij het lezen van dit boek sterk opgevallen:
de controverses uit de beschreven periode zijn filosofische en theologische
kwesties, waarbij enkel op het verstand een beroep gedaan wordt, niet op het
kerkelijk gezag, niet op de Openbaring, niet op de Bijbel, niet op de
religieuze ervaring van de gelovige. Gezagsargumenten komen niet aan bod, of
ten hoogste om bepaalde rationele argumenten enige kracht bij te zetten.
Deel twee van het boek handelt globaal over
het probleem van de algemene consensus over het bestaan van God.
Het begint met het vijfde hoofdstuk, waarin
de vraag gesteld wordt of het wel degelijk zo is dat er geen volkeren zijn die
geen God hebben. Wij moeten goed voor ogen houden dat wij volop in de periode
van de grote ontdekkingsreizen zijn en dat de verhalen over die vreemde
volkeren gretig gelezen werden in gans Europa. Er was een enorm aanbod aan
reisverhalen en een massa lezers die ze verslonden van bij het verschijnen.
Vanzelfsprekend waren het vooral de verschillen met de eigen, Franse cultuur
die de nadruk kregen: het exotische fascineert. Naast fantastische verhalen
over vreemdsoortige religieuze gebruiken kwamen er evenwel ook steeds meer
nadrukkelijke meldingen van volkeren die zelfs het principe van een Godheid
niet kenden. Dit werd gesteld als een probleem voor de missionering: hoe spreek
je over de christelijke God als er geen aanknopingspunt is, als men niet eens
religieus is, als men een levensvisie heeft die perfect werkt zonder God?
Het bestaan van dergelijke letterlijk goddeloze
inheemse stammen in Amerika was duidelijk een probleem: indien er hele groepen
van mensen zijn zonder God, komt althans één van de traditionele godsbewijzen
onder zware druk te staan.
Een bijkomend probleem was dat die stammen
geen barbaren of woestelingen waren, maar vaak beschreven werden als nobele
wezens, die zich moreel beter gedroegen dan de Europese gelovigen, die elkaar
duchtig aan het uitmoorden waren in godsdienstoorlogen en die ook in hun
dagelijks leven nauwelijks voor voorbeeldige christenen konden doorgaan. Ook in
Afrika en Azië trof men dergelijke beschaafde volkeren aan, de ‘Kaffirs’, maar
ook de Ottomanen en nog verder de Chinezen en de Japanners. Hier brachten
betrouwbare verslaggevers overtuigende bewijzen van het bestaan van
atheïstische volkeren, die bovendien moreel hoogstaand waren: concrete deugdzame
atheïsten, een categorie van mensen die men tot dan toe enkel als een absurde fictie
had opgevoerd. De kwestie van het atheïsme van de Chinezen zou decennia lang de
gemoederen beheersen in Europa. De jezuïeten verdedigden de stelling dat zij
een Godheid kenden, alle andere congregaties betwistten dat; uiteindelijk
veroordeelde Rome de jezuïeten: de Chinezen geloofden niet in een persoonlijke,
voorzienige en liefdevolle God, Confucius was een atheïst pur sang.
Dat creëerde meteen het probleem dat er een
machtige eeuwenoude beschaving was, vergelijkbaar met de Westerse, en die
tevens atheïstisch was. Blijkbaar was het godsdienstige dan toch niet aanwezig
in elke mens? Blijkbaar was het dan toch mogelijk om een goed mens te zijn én
atheïst? Blijkbaar was beschaving mogelijk zonder God?
In het zesde hoofdstuk gaat de aandacht
naar de Oudheid. Het traditionele godsbewijs ging er niet alleen van uit dat
God overal bekend was, maar ook dat alle verstandige mensen, inzonderheid de
wijzen, de filosofen, de wetenschappers, tot de conclusie moesten komen dat God
bestaat. Naarmate men weer aansloot bij de kennis van de oudheid stelde zich
het probleem van de interpretatie van de klassieke filosofie, inzonderheid die
van de Grieken en de Romeinen, die voorafging aan het christendom. Als men een
zeer scherpe definitie zou maken van wat ‘God’ is, namelijk de God van het christendom
in de 17de eeuw in Frankrijk, dan was het risico groot dat de meeste
filosofen en wijzen uit de oudheid niet zouden slagen voor het examen. Dan
kreeg men een indrukwekkende lijst van geleerden die dus atheïsten waren en
meteen kwam het godsbewijs deerlijk in het gedrang.
Vertrok men echter van een zeer vaag en
ruim begrip van God, dan sloot men allerlei exotische ‘goden’ in, ook die
waarvoor mensenoffers gepleegd werden, en ‘godsdiensten’ die zeer afwijkend
waren van het christendom en die bijvoorbeeld de onsterfelijkheid van de ziel
en de goddelijke voorzienigheid ontkenden. Ziedaar, het dilemma waarvoor het
christendom zich geplaatst zag. In het ene geval was het geen compliment voor
het christendom dat alle belangrijke filosofen en geleerden van de oudheid, die
vanaf de Renaissance alom geprezen werden als de grondleggers van onze cultuur,
allemaal rabiate atheïsten waren. In het andere geval stond de primauteit van
het christendom op het spel: als andere goden en godsdiensten even goed waren, waarom
dan nog de ‘heidenen’ bekeren?
Dit leidde tot eindeloze discussies over het
‘katholieke’ karakter van zowat alle bekende filosofen en filosofische
stromingen uit de oudheid en over hun interpretatie door de kerkvaders, de
middeleeuwse filosofie en de scholastiek. Het aantal filosofen dat een
onverdeeld christelijk cachet kreeg was zeer gering, indien niet onbestaande.
Zelfs Plato en Aristoteles, de onbetwiste meesters uit de oudheid, kregen van
verscheidene kanten het etiket ‘atheïst’ toebedeeld, met alle banbliksems van
dien.
Het zevende hoofdstuk zet deze discussie
verder. Het waren immers niet alleen de Griekse en Romeinse filosofen die in
vraag werden gesteld. Ook de verdere geschiedenis van de filosofie, vooral dan
vanaf de twaalfde en dertiende eeuw, telde een groot aantal personen en scholen
die er bepaalde opvattingen op hielden, die al dan niet als atheïstisch konden
bestempeld worden. De usual suspects
duiken op: Cardano, Vanini, Pomponazzi, Bruno, Campanella en anderen zijn voor
de enen duivelse atheïsten, voor de anderen onwetende zondaars, voor nog
anderen amper onorthodoxe christenen. Sommigen moesten de twijfels over hun
rechtgelovigheid met hun leven bekopen.
De vele geschiedenissen van de filosofie
die in deze periode geschreven werden waren vaak niet veel meer dan vuige afrekeningen
op uitsluitend theologische gronden van tendentieuze geleerden met hun meer illustere
voorgangers.
Hoofdstuk acht is begaan met de grote
publieke controverse in Frankrijk tussen twee kopstukken van de filosofie:
Aristoteles en Descartes. Het is ook de geschiedenis van de overgang van een
wereldbeeld naar een ander, het is het begin van de moderniteit. Descartes was
de man van de nieuwe wetenschappen die overal doorbraken en die zulke
opmerkelijke successen kenden. Aristoteles was compleet voorbijgestreefd op dat
punt. Het was dan ook niet verwonderlijk dat men ook Descartes filosofische en
theologische opvattingen als superieur ging beschouwen tegenover die van de
Griekse filosoof van tweeduizend jaar tevoren.
Wat was het nieuwe van Descartes? Ook
daarover zijn veel meer geleerde boeken gepleegd dan Descartes zelf ooit
schreef en er zijn vanzelfsprekend vele tegensprekelijke interpretaties. Het is
vooral een epistemologische kwestie, denk ik: wat kunnen we weten en hoe?
Aristoteles was een realist; hij stelde voorop dat er niets in onze geest kan
komen dat niet eerst door onze zintuigen passeert. Al onze kennis is
zintuiglijk of daarop gesteund. De scholastiek volgde hem daarin. Ook God
kunnen wij niet anders kennen dan via de zintuigen: wij zien zijn aanwezigheid
overduidelijk in de wereld om ons heen, wij kunnen met ons verstand tot het
evidente besluit komen dat hij bestaat.
Descartes was het daarmee niet eens. Hij
was zeer onder de indruk van de menselijke geest en wat die vermag. Over onze povere
zintuiglijke mogelijkheden had hij zijn bedenkingen: wat je met een microscoop
of een telescoop kan zien is toch zoveel indrukwekkender! Niet wat je ziet en
ruikt en voelt is belangrijk, maar wat je denkt: cogito ergo sum, mens zijn is denken. Zo kwam hij tot de niet zo verrassende
stelling dat we God onmogelijk met de zintuigen kunnen waarnemen: het zijn twee
totaal verschillende categorieën. Maar de mens beschikt over een mogelijkheid
om rechtstreeks door te dringen tot de kern der dingen: zijn verstandelijke
vermogens, waarin ook zijn onsterfelijke ziel zich bevindt, ergens in onze
hersenen.
De hersenen zijn materieel, maar wat ze
doen is dat niet en de ziel is dat ook niet. Met die hogere geestelijke
vermogens kan de mens niet alleen de geheimen van de natuur doorgronden, maar
ook tot de ware Godskennis komen, op een rechtstreekse manier. Zoals het
onomstotelijk vaststaat en volgt uit de definitie van een driehoek dat de som
van de hoeken van elke driehoek 180° is, zo behoort het tot de idee van een
oneindige God dat hij ook bestaat.
Dat is een totale ommekeer in de manier om
Gods bestaan te bewijzen en dat hebben de verdedigers van de klassieke
godsbewijzen ook ingezien (hoofdstuk negen). Descartes kreeg onmiddellijk het
verwijt te horen dat hij… een atheïst was, wat hij verontwaardigd van de hand
wees, natuurlijk. Niettemin werd zijn ‘leer’ veroordeeld en was er een algemeen
verbod om over Descartes te spreken aan de universiteiten. Descartes emigreerde
wijselijk naar Nederland en stelde de publicatie van zijn boek over God maar
even uit.
Het was evenwel onmogelijk om het ‘moderne’
Cartesianisme tegen te houden (hoofdstuk tien). Het geloof in de vrijwel onbeperkte
mogelijkheden van de menselijke geest verspreidde zich snel, ook wat betreft de
manier om God te kennen. Van alle kanten kwamen er argumenten tegen de
‘middeleeuwse’ manier om het bestaan van God te bewijzen op basis van ruwe,
materiële zintuiglijke kennis. De spirituele benadering van Descartes leek zoveel
subtieler: God bestaat, want de mens kan zich God voorstellen in het diepst van
zijn gedachten.
Malebranche ging nog een stap verder
(hoofdstuk elf). Wij hebben zelfs geen tussenstap nodig, stelt hij, geen ‘idee’
van God in onze geest, want dat zou een pure fantasie kunnen zijn; het is
immers niet omdat wij ons iets kunnen voorstellen dat het ook bestaat. De ziel
heeft rechtstreeks contact met God; wanneer de ziel God ontmoet, is er niets
dat tussen hen staat. Die opvatting trok vanzelfsprekend allerlei mystieke
figuren aan en zo kwam plots voor het eerst het geloof weer ter sprake in de
discussie over het bestaan van God.
Want wat is dit rechtstreeks contact van de
ziel met God anders dan ‘geloof’? Meteen was er geen enkele nood meer aan
filosofische godsbewijzen van welke aard dan ook. God zelf neemt contact op met
de uitverkoren ziel die voor hem openstaat.
Daar eindigt dit volume I. Zoals ik hier al
meldde, kon ik via mail van de auteur zelf vernemen dat twintig jaar na het
eerste deel eindelijk ook deel twee en drie aan publicatie toe zijn.
Ik eindig met een diepe buiging in de
richting van professor Alan Charles Kors. Ik ben danig onder de indruk van zijn
eruditie, zijn werkkracht, zijn ongemeen helder verstand, zijn subtiel
onderscheidingsvermogen. Maar het is vooral zijn prachtige taal en stijl die me
het meest heeft gecharmeerd. Zonder zijn levendige en geduldige betoogtrant zou
deze uiteenzetting over godsbewijzen en atheïsme in het Frankrijk van
driehonderd jaar geleden niet alleen oervervelend zijn, maar ook totaal
onbegrijpelijk. Er is een genie als Alan Charles Kors nodig om de lezer geboeid
te houden en hem althans de indruk te geven dat hij alles heeft verstaan dat
hij heeft gelezen.
Ik heb nergens een geboortedatum van
professor Kors kunnen vinden. Ik vermoed dat hij rond 1942 geboren is. Laten we
hopen dat hij dit project weldra tot een goed einde kan brengen. Het zou jammer
zijn indien al de kennis en de wijsheid die hij over dit thema heeft verzameld,
verloren zou gaan voor de mensheid.
Als je dit boek wil lezen, zal je het moeten
ontlenen in de Albertina in Brussel. Of je kan het proberen te kopen zoals ik
gedaan heb. Veel geluk!