Cornelis Verhoeven: Tegen het geweld

‘Tegen het geweld' is de titel van een essay, in boekvorm (73 bladzijden) uitgegeven bij Ambo in 1967, van de Nederlandse filosoof, classicus, publicist en docent Cornelis Verhoeven (1928-2001). Ik kwam bij hem terecht toen een attente lezer afstand nam van mijn weigerachtige houding tegenover wat in het Nederlands gepubliceerd wordt en mijn eenzijdige voorkeur voor het Engels, het Frans en zelfs het Duits, dat ik niet eens zo goed machtig ben.
Ik lees inderdaad vrijwel nooit Nederlandstalige werken. De eerste reden is dat ik zoveel als mogelijk wil lezen in de oorspronkelijke taal: al mijn ervaringen met vertalingen uit het Engels doen me als de bliksem overschakelen naar het origineel. Maar ik heb hier op mijn website zelf vertalingen gemaakt uit het Engels, van Shakespeare, Yeats, Nabokov, William Trevor...
Er is nu eenmaal ook veel meer in het Engels en het Frans gepubliceerd dan in het Nederlands. Louter statistisch gezien zijn er meer lezenswaardige of zelfs meesterwerken dan in mijn moedertaal. Vroeger was het ook nog zo dat Nederlandse vertalingen pas jaren nadien verschenen of helemaal niet. Enkele lauwe pogingen om Nederlandstalige boeken te lezen, literaire of wetenschappelijke, liepen op een fiasco uit. Dat maakt dat ik dus al veertig jaar lang nog nauwelijks iets in het Nederlands lees.
Daaraan heeft mijn vriendelijke bloglezer dus verholpen. Hij wees me op Cornelis Verhoeven en dat leidde tot wat snuisteren op Wikipedia en bracht me zelfs op de verzorgde website van de auteur. Ik vond toevallig dit boekje en las het tijdens de laatste paar dagen.
Dat duurde heel wat langer dan de bescheiden lengte van het essay laat vermoeden: 72 bladzijden is zelfs in de vrij kleine druk normaal niet genoeg om een hele dag te vullen. Niet zo met deze tekst van Verhoeven! Zijn taal is zowat het tegenovergestelde van simpel. Niet omwille van de woorden die hij gebruikt, al zijn er wel een paar die hij net zo goed door eenvoudigere had kunnen vervangen, zoals zijn stopwerkwoord ‘hypostasiëren'; Van Dale kent enkel ‘hypostaseren': iets abstracts concreet voorstellen. Meer waarschijnlijk is het bij Verhoeven een vertaling van het Franse hypostasier, dat Henri Bergson uitvond in L'Évolution créatrice naar analogie met apostasier: zijn geloofsafval belijden; de betekenis is dan zoiets als: iets (abstracts of onbestaand) ten onrechte als een realiteit voorstellen. Het is een terminologie die enkel bij Franse denkers als Gabriel Marcel en Victor Jankélévich voorkomt. Maar dit is een ongelukkige uitzondering en wie ben ik om een auteur te verwijten dat hij al eens een obscuur of archaïsch woord uit de vergetelheid van Lethe redt of usurpeert in een idiosyncratische semasiologie?
De moeilijkheidsgraad van dit essay ligt dus niet in het gebruik van jargontaal, maar in het zeer eigenzinnig, poëtisch filosofisch taalgebruik van vertrouwde woorden in nieuwe contexten, in het gezocht uitpuren van betekenissen en etymologieën, in verrassende tegenstellingen tussen aanleunende of contrasterende woorden, in modulerende herhalingen, in uit hun verband gerukte beelden, in de kunstige complexiteit van gedragen zinnen en lange paragrafen. Je hebt al je aandacht nodig om bij de les te blijven, om de draad niet kwijt te raken. Je kan ook niet zonder een meer dan behoorlijk intellectueel uithoudingsvermogen en zelfs enige zelfverloochening als je het tot het einde wil volhouden, maar ik kan je verzekeren dat je achteraf opgelucht zal zijn, als na een lange, inspannende tocht in de ijle lucht van het (intellectueel) hooggebergte.
Het thema van het geweld is al verscheidene keren aan bod gekomen in mijn overpeinzingen. Lees bijvoorbeeld eens na wat ik schreef over Malchus' oor: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=64.
We hebben sinds het verschijnen van Verhoevens essay ook volop de gelegenheid gehad om ons over geweld allerhande te bezinnen, denken we maar aan deze minimale wrede selectie: mei '68, de Chinese Culturele revolutie, Idi Amin in Oeganda, Pol Pot en de Khmer Rouge, Mengistu in Ethiopië, de oorlog tussen Iran en Irak, de oorlogen in Oost-Congo die tot op vandaag voortduren, de Algerijnse burgeroorlog, de Intifada's, Darfur, Tsjetsjenië, 9/11, Irak, de Taliban... En dan spreken we alleen maar over extreme vormen van politiek geweld.
Verhoeven ‘beperkt' zich tot een theoretische benadering van het probleem. Hij vertrekt misschien wel van concrete situaties, maar hij vermeldt die niet. Hij geeft ook geen voorbeelden ter illustratie van zijn uitspraken, op één enkele uitzondering na, die dan nog zeer door de feiten is achterhaald, maar daarover verder meer.
Ik ben er zeker van dat ik de subtiele gedachtegang van Verhoeven ampel onrecht aandoe door wat ik hier over zijn essay neerschrijf. Wie ten volle die uitdaging wil aangaan, leze het werkje zelf, het loont de ruime moeite die men er zeker moet voor doen.
De auteur waarschuwt voortdurend voor de gevaren die onvermijdelijk oprijzen voor al wie geweld wil bestrijden; het woord zegt het zelf: ‘bestrijden' is ook geweld gebruiken en men kan iets niet uit de wereld helpen als men er zich zelf schuldig aan maakt. Dat schakelt natuurlijk al een groot aantal denkpistes uit, die Verhoeven nauwkeurig duidt: het staatsgeweld van de ideologie, de kortzichtigheid van de revolte en de revolutie, de futiliteit van het fysiek protest... Het denken, dat geboren wordt uit de ergernis over het geweld in onze wereld, het geweld van het zijn zelf, staat machteloos omdat het zich niet mag laten verleiden tot het geweld van de daad of zelfs maar de gewelddadige gedachte. Enkel door vast te houden aan de machteloosheid kan het op termijn een invloed hebben, door niet deel te nemen aan het geweld en door de verhinderende voorbeeldfunctie die het uitoefent tegenover de voortdurende verlokking om de ergernis te laten omslaan in woede en vernietigende actie.
Verrassend is de negatieve nadruk die Verhoeven legt op de emoties. Hij huivert voor de desastreuze gevolgen van de hevige emoties. Hij droomt van een hypothetische utopische mens die kan handelen volgens zijn puur en helder denken, onverstoord door zijn irrationele emotionaliteit. Dit is voorbijgaan aan de aard van de mens zelf; de emoties zijn onmisbare bestanddelen van het denken, zoals recentelijk Damasio en Pinker zo overtuigend aangetoond hebben.
Verhoeven ziet slechts één middenweg, waarbij het denken zonder het gebruik van geweld toch kan ingrijpen in de natuur en de samenleving, namelijk de techniek, waarin de mens de natuur niet zozeer onderwerpt als optimaal gebruikt, de mogelijkheden ervan blootlegt zonder ze te vernietigen, met doelstellingen die eigen zijn aan de natuur, niet aan de gewelddadige emotionele menselijke verlangens.
Zo komen we bij het enige concrete voorbeeld dat Verhoeven geeft: het verkeer. Hij ziet daarin de verwezenlijking van de rationele utopie, waarin de mens zich gewillig onderwerpt aan willekeurige (links of rechts rijden, stoppen voor rood of groen,...) of louter intrinsieke verkeerstechnische afspraken: voorrang, snelheidsbeperking &c. Emotioneel gedrag in het verkeer is zinloos en wordt ook niet getolereerd.
Het is precies daar dat wij vandaag Verhoeven niet kunnen volgen. Het verkeer waar hij over droomt is niet meer dan dat, een droom, een utopie. Het aantal verkeersdoden moet ook in 1967 al angstwekkend hoog geweest zijn; vandaag is het niet anders. Er is de ontstellende verkeersagressie, het bewust met (zware) voeten treden van de verkeersregels door ongeveer iedereen, de internationale congestie van de wegen en de duizenden kilometers dagelijkse file, de vervuiling, de energiekost... Het verkeer is een schoolvoorbeeld geworden van hoe het niet moet en niet lang meer kan, het is het tegenovergestelde van rationaliteit, het is het probleem in plaats van de oplossing.
Dat is dan ook mijn ongenoegen over de boodschap die Verhoeven brengt of liever: die hij niet brengt. Zijn bezwaren tegenover actieve bestrijding van het geweld kan ik begrijpen en grotendeels bijtreden, maar zijn oplossingen zijn flinterdun en zijn al te blind vertrouwen op de zuivere techniek blijkt nu, veertig jaar later, een groteske illusie, een waanzinnige dystopie. Het is precies de techniek en in het bijzonder het verkeer en de industrie die ervoor zorgt dat onze planeet misschien wel een vroegtijdig einde tegemoet gaat.
Neen, dan is het beter ons te houden aan de enigmatische, uitdagend tegensprekelijke maar beslist waardevolle kern van zijn betoog, namelijk dat het denken zichzelf moet zijn en dat alleen dan ook kan blijven in zijn machteloze ergernis aan het geweld, in de weigering om hoe dan ook actief in te grijpen en zich zelf schuldig te maken aan geweld. Het is een vertwijfelende waarheid voor elke politiek, voor elk engagement, in het aanschijn van elk onrecht en elk geweld. Maar in zijn extreem uitgepuurde onwerkelijkheid en zijn utopische meeslependheid heeft het een onweerlegbare zweem van grondige plausibiliteit.



















