Religie zonder God?
God zonder religie?
Het lijken domme, zinloze vragen, maar is
dat ook zo?
We moeten beginnen met enige
verduidelijking. Wat bedoelen we met religie, met ‘God’?
Je kan natuurlijk alle kanten uit, maar
toch zijn er enkele afspraken die we kunnen maken, ons steunend op het gezond
verstand, het gewone taalgebruik en onze culturele gewoonten.
Hierover is men het wellicht eens: God
behoort niet tot deze wereld. Wat hij verder ook is, hij is niet waarneembaar
met onze zintuigen. Hij is geen deel van onze natuurlijke omgeving. We noemen
hem bovennatuurlijk. Meteen hebben we het onszelf moeilijk gemaakt: hoe kunnen
we zinvol spreken over iets of iemand die boven de natuur uitstijgt, die totaal
anders is? Dat is dan de taak van de theologie: spreken over het onnoembare.
Wat bedoelen we met religie? Ook dat is een
erg vaag begrip. Maar het heeft zeker te maken met een manier van leven. Wie
religieus is, onderscheidt zich van zijn niet-religieuze medemens misschien
door wat door wat hij of zij denkt, maar daarover weten anderen niets. We kunnen
het alleen merken in wat zij zeggen en schrijven, doen of laten. Als er daar
geen onderscheid is, dan zijn we uitgepraat, natuurlijk.
Wat is dan dat onderscheid? Dat is een
moeilijke vraag, als we die louter theoretisch benaderen. Vanuit een praktisch
oogpunt is het veel eenvoudiger. Veel religieuze mensen hangen een of andere
religie aan. Ze behoren tot een groep, een gemeenschap. Meestal worden ze in
die gemeenschap geboren en brengen er hun hele leven door, in regelmatig en
georganiseerd contact met hun religieuze medemensen. Die groepen zijn meestal
herkenbaar, ze hebben herkenbare uiterlijke tekenen: kledij, haartooi, maar ook
specifieke gebruiken, in het bijzonder die verbonden met allerlei vieringen,
zoals op de rustdag. Joden en moslims zijn daarvan ook nu nog een goed
voorbeeld, christenen minder.
De meeste leden van religieuze
gemeenschappen beperken zich tot de religieuze praktijk, de liturgische
handelingen, de gebeden, de bijeenkomsten en vieringen. Ze weten maar weinig af
van die andere kant van hun godsdienst, het leerstellige gedeelte, de doctrine,
de theologie. Hun denken is minder belangrijk dan hun doen. Denken en dat
verwoorden is werk voor specialisten, de bedienaars van de eredienst, de theologen.
Die werken aan een systematische uiteenzetting van allerlei opvattingen en
lichten de gelovigen daarover in, door een religieuze opvoeding, door lezingen
en predicatie tijdens de vieringen. Daarvan blijft meestal niet veel hangen,
hooguit enkele slogans en zeer algemene voorschriften.
Men kan dus stellen dat het in de praktijk
zeer goed mogelijk is om religieus te zijn, deel uit te maken van een
religieuze gemeenschap, zonder veel theologische achtergrond.
Met de sterke terugloop van de katholieke gelovige
praktijk in onze streken lijkt er een min of meer vage behoefte te ontstaan aan
een vorm van religie die niet gebonden is aan een erkende godsdienst. Veel mensen
pratikeren of praktiseren niet meer, ze zijn niet meer kerkelijk. Maar er is
toch iets overgebleven van hun vroeger geloof. Is het de behoefte om, samen met
anderen of niet, op belangrijke momenten van het leven vorm te geven aan
gevoelens, emoties, overtuigingen, een nood aan rituelen? Is het een aanvoelen
dat er aspecten zijn aan het mens-zijn die niet aan bod komen in de dagelijkse
handelingen van werken, eten en drinken, slapen, ontspanning, seksualiteit? Men
weet het niet goed, maar het is ‘iets’. Men gelooft dat er ‘iets’ is. Vandaar
dat iemand als Etienne Vermeersch het wat spottend heeft over het ‘ietsisme’.
Als men aan die mensen, maar ook aan vele
randkerkelijken vraagt of ze in God geloven, schrikken ze er meestal voor terug
om dat volmondig en zonder aarzelen bevestigend te beantwoorden. Vandaag de dag
zijn het in feite nog enkel de zeer overtuigde, om niet te zeggen
fundamentalistische gelovigen die dat zullen doen. Maar ook die hebben het
moeilijk om daar veel uitleg bij te geven, tenzij ze die van buiten geleerd
hebben, zoals de Mormonen, Jehovah’s getuigen maar ook sommige christenen en
moslims.
God is wat weggedeemsterd, ook uit de kerkelijke
religie. Gewone gelovigen hebben het moeilijk om met overtuiging over God te
spreken. Zij verwerpen veel van de oude beelden, ze wijzen er smalend op dat ook
voor hen God geen oude man met een grijze baard is ergens in de wolken. Maar
vraag hen niet wat dan wel?
Gelovigen hebben altijd al een gezonde
afstand bewaard tegenover de officiële leer van de kerk. Theologie is niet aan
hen besteed, integendeel: teveel nadenken over het geloof maakt het geloof
kapot, zegt men. Men zou dus kunnen stellen dat het goed mogelijk is om
religieus te zijn, binnen een godsdienst en daarbuiten, zonder concreet of
expliciet te geloven in God of een god.
Dus ja: religie zonder God kan.
Hoewel het precies de taak is van de
theologie om over God te spreken en de gelovigen goede godsbeelden aan te
reiken, is ook daar God niet meer de evidentie van vroeger. God verbergt zich, Deus absconditus, God is het Onnoembare,
de totaal Andere. Kenotische theologie, van Gr. kenosis, het leeg maken. We mogen God niet in menselijke termen
benaderen, die zijn niet op hem van toepassing, hij is niet antropomorf, de
mens is niet de maat van God. Wat men erover zegt is altijd onvolkomen. Onze
taal is niet opgewassen tegen die taak, wij kunnen God slechts stamelend
benaderen. Toch blijft men proberen. Maar al die pogingen bekijken gelovigen
meewarig: theologen tellen de engelen die samen op één speldenkop kunnen. Zij
zijn bezig met God, niet met de mensen.
In die zin is het mogelijk bezig te zijn
met God zonder religie. In Leuven zijn vrijwel alle theologen,
godsdienstfilosofen en –sociologen en -psychologen sinds jaren leken. Het zijn
wetenschappers. Het is best mogelijk dat zij ook praktiserende gelovigen zijn,
maar dat is een andere kwestie.
In die zin kan je zeggen: ja, God zonder
religie kan ook. God kennen is niet het werk van gelovigen maar van theologen
en van de hiërarchie van de kerk, die de leer vastlegt.
Toch heb ik het gevoel dat, hoewel ik meen
dat ik een herkenbare realiteit heb beschreven, me toch enigszins in bochten
heb moeten wringen.
Als je aan (min of meer) praktiserende
gelovigen en aan heel wat ex-gelovigen vraagt of ze dan niet in God geloven, of ze geloven dat God niet bestaat, is er veel
kans dat ze daarop prompt ontkennend antwoorden. Atheïsten zijn zeldzaam.
Het is ook moeilijk om religie, theologie
en God helemaal van elkaar te scheiden.
Het lijkt wel zinloos om te zeggen dat
religie geen God behoeft. Dat zou betekenen dat men allerlei handelingen stelt
en allerlei uitspraken doet die alleen maar rituelen zijn, een soort religieus
theater, een spel; dat men zich zo gedraagt omdat men zich daar goed bij voelt.
De volledige waarde van de godsdienstige houding zou dan berusten in de goede
gevolgen ervan voor de mens, of er nu echt een God bestaat of niet. Door toneel
te spelen, te doen alsof, in het Engels make
believe, letterlijk ‘doen geloven’, zou de mens zich beter voelen: religie
als therapie, als autosuggestie. Dat lijkt wel heel cynisch en het is zeer de vraag
of het geloof ooit het succes zou gekend hebben dat we in de geschiedenis zo
duidelijk zien, indien men er steeds zou bijgezegd hebben: let wel, dit is
allemaal maar komedie, een manier van zeggen, het is niet echt waar, God
bestaat niet echt, net zo min als Sinterklaas, maar je moet er wel in blijven
geloven als je geschenkjes wil.
Het is dan een beetje zoals homeopathie: er
is geen wetenschappelijke basis, niemand weet hoe het werkt, maar in een aantal
gevallen is het blijkbaar wel degelijk efficiënt. Zelfs als het louter
inbeelding is of een placebo-effect, wie maalt daarom? Als het helpt, dan helpt
het, en anders schaadt het niet!
Maar als we de hele theologie afschaffen,
alle dogma’s, alle doctrines, de hele catechismus, de Bijbel, alle spreken over
God, als we enkel de rituelen overhouden, hebben we dan nog wel een christelijke
godsdienst? Bekijk eens het ritueel en de teksten van de eucharistieviering:
neem elke verwijzing naar God daar weg en wat blijft er nog over? Bestaat er
een zuiver wereldse religie, zonder enige verwijzing naar het bovennatuurlijke
en het transcendentale, naar God en het hiernamaals? Men zegt dat het
Boeddhisme en het Taoïsme zo functioneren, maar men zegt ook dat het niet echt
godsdiensten zijn, geen religies maar levenswijzen. Maar zijn ook de drie
godsdiensten van het boek, de Abraham-godsdiensten: Jodendom, Christendom,
Islam niet in ruime mate in de praktijk voor de meeste gelovigen veeleer een
levenswijze dan een gods-dienst?
Het is vreemd. ‘Gelovigen’ geloven niet een
honderdste van wat ze belijden, uitzingen, verkondigen, lezen of te horen
krijgen. Statistieken tonen aan dat ze nauwelijks in God geloven en als ze dat
al doen, er niet meer kunnen over vertellen dan dat er wellicht iets is op een
of andere manier. Hetzelfde voor het leven na de dood: minder dan één op drie
zegt daarin te geloven en zij die dat toch doen, kunnen ook daarover niet in
detail treden. En toch belijden, zingen, verkondigen, lezen en beluisteren ze
uitentreuren steeds hetzelfde, al tweeduizend jaar.
Je zou dan denken: het is inderdaad grotendeels
maar een oppervlakkig ritueel, doen alsof, men staat niet stil bij wat men
zegt.
Psalm 23
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
Een psalm die zeker niet bij elke
menselijke gelegenheid past, zou je denken, maar men zingt die vooral bij
begrafenissen, ook van kleine kinderen en jonge mensen, begrijpe wie het kan.
Dat niet iedereen zoveel nadenkt als ik bij
al die teksten is misschien wel waar, maar ook dat zal men niet gemakkelijk als
bekentenis afdwingen van gelovigen. Niemand is bereid om te erkennen dat, bij nader toezien
en op de keper beschouwd, de religieuze teksten, de Bijbel of de Koran, de
kerkelijke voorschriften, de gebeden en liederen, slechts fictie zijn, een
manier van zeggen, dat we meer troost vinden in het herhalen van het Weesgegroet
en het Onzevader dan in stilstaan bij wàt we zeggen (wat ik je overigens in die
twee gevallen niet kan aanraden).
Jezus is voor de gelovige echter wel
degelijk gestorven aan het kruis, God bestaat, Allah eveneens en Mohammed is
zijn profeet; de hemel en de hel zijn er wel degelijk, op een of andere manier.
Er is echt wel iets. Wie daaraan ernstig twijfelt, die stopt meestal helemaal
met elke kerkelijke praktijk en is ofwel volmaakt onverschillig ofwel fervent
atheïst. Religie zonder God? Nou… je kan niet alle beelden uit de kerk weghalen.
Wat moeten we denken van de ietwat vage maar
niet te verwaarlozen religiositeit van de vele niet-kerkelijken?
Filosofisch gezien is daar niets verkeerds
mee: ze hebben geen dogmatische opvattingen, geen geloofspunten die je zou
kunnen aanvechten of betwisten. Ze zeggen niet dat er een God is, en als die er
is, is dat een vaag algemeen concept, dat in hun leven geen rol van betekenis
speelt. Ze hebben ook geen specifieke morele normen, want niemand schrijft ze
hen voor. Ze oordelen niet om niet geoordeeld te worden. Er zijn geen rituelen,
er is geen georganiseerd gemeenschapsleven, geen groepsvorming, geen zich
afzetten tegen anderen. Er valt dus niets te betwisten, te be- of veroordelen
als verkeerd, onterecht of misplaatst. Het zijn mensen die, omwille van hun vroegere
religieuze opvoeding of om andere, onduidelijke redenen, een nood hebben die
niet kan gestild worden met louter materiële middelen, een gevoeligheid voor de
religieuze dimensie van het bestaan, een oog voor het sacrale, zoals je een
muzikaal gehoor kan hebben, of een oog voor kunst, of een gevoeligheid voor
poëzie en literatuur.
Zij zoeken hun antwoorden dan ook vaak in
muziek en poëzie en andere vormen van kunst, in het beleven van de natuur, de
eenzaamheid, in hun liefdevolle omgang met anderen, in meditatie, filosofie,
esoterie, alternatieve levenswijzen… Dat alles en nog veel meer, maar steeds
zonder dwang, steeds zelf op zoek, kijkend waar de weg hen brengt.
Maar of dit hen werkelijk onderscheidt van
de meeste kerkelijk gelovigen, dat is nog altijd zeer de vraag.