
Het hangt er vanaf door welke bril je de wereld bekijkt, een roze, een donkere of zelfs een zwarte, of die van een ander. Het maakt wel degelijk een verschil. Het stand- of oogpunt dat men inneemt, bepaalt in grote mate wat men ziet, letterlijk en figuurlijk.
Zo kan men ook de wereldgeschiedenis op talloze manieren benaderen. Je kan de politieke geschiedenis bekijken, om te zien hoe mensen zich georganiseerd hebben om samen te leven. Of de economische: hoe is men vroeger en nu omgegaan met vraag en aanbod? De militaire geschiedenis heeft vele adepten, er zijn mensen die zich de hele dag verdiepen in veldslagen, uniformen, wapens… De kunstgeschiedenis met haar vele onderafdelingen is dan weer iets vredelievender van aard. En zo kunnen we nog een tijdje doorgaan, je kan het niet zo raar bedenken of er is wel een boek over geschreven, meestal zelfs een hele bibliotheek. Om familiale redenen – de dochter van Lut, Aike Raes heeft een bloeiend danscentrum in Leuven – schreef ik hier in enkele afleveringen zelfs een bescheiden geschiedenis van het ballet.
Iedereen heeft zo zijn interesses en belangstellingspunten. Toen ik op/met pensioen ging, had ik meer tijd voor mijn eigen stokpaardjes, mijn dada’s (een originele Franse een vertaling van het woord hobbyhorse uit Tristram Shandy van Laurence Sterne).
Dat zou dan zeker ook met muziek te maken hebben: ik ben sinds mijn prille jeugd verslaafd aan muziek, ik luister er de hele dag naar, elke dag. Maar ook literatuur kon nu de volle aandacht krijgen: eindelijk had ik de tijd om al de boeken te lezen die ik mijn leven lang verzameld heb. Maar ook mijn oude liefde kon niet ontbreken en het is daarnaar dat mijn actieve belangstelling vooral uitging: filosofie, levensbeschouwing, godsdienst en zingeving.
Sinds begin 2006 heb ik daarover veel gelezen en hier ook uitvoerig geschreven. Wie zou teruggaan in de tijd op mijn blog, zou daarin zeker een duidelijke evolutie onderkennen. Ik ben daarbij ongetwijfeld sterk beïnvloed door wat ik gelezen heb, in positieve of negatieve zin. Mijn vroege twijfels en de slechte herinneringen aan mijn schoolse opvoeding en mijn partiële universitaire opleiding vonden een bevestiging in uitgesproken kritische werken. Een eerste hoogtepunt daarin was ongetwijfeld het ontdekken van Richard Dawkins’ The God Delusion, maar dat was maar het begin van een lange rij boekbesprekingen, overpeinzingen, betogen en opzoekingen rond dat thema.
Van het een komt het ander. Je volgt sporen van ideeën, je laat je leiden door aanbevelingen of commentaren van auteurs in één boek om een ander te raadplegen. Je zoekt van alles op, in de klassieke Encyclopedia Britannica die sinds 1968 mijn trots bezit is, maar meer en meer ook op Wikipedia en andere interessante webstekken.
Waar ik aanvankelijk nog literaire en zelfs populair-literaire werken las en besprak, werd mijn aandacht in de loop van de jaren steeds meer gefocust op dat ene thema.
Stilaan ga je meer georganiseerd zoeken naar dingen om te lezen. Zo kwam ik als vanzelf bij Spinoza terecht en vervolgens bij de Verlichting, de Aufklärung. Na enige aarzeling bestelde ik de monumentale werken van Jonathan Israel en dat heb ik mij geen seconde beklaagd. Ook de sociobiologie en/of de evolutionaire psychologie kregen mijn aandacht, met figuren als Pinker en Damasio. Darwin en zijn volgelingen zoals Dawkins en Dennett konden niet ontbreken. Mijn bibliotheek werd uitgebreid met talrijke van hun boeken.
Je kan echter niet alles zelf kopen. Aanvankelijk vond ik meestal nog mijn gading in de goed gestoffeerde Leuvense stadsbibliotheek ‘Tweebronnen’, maar al snel werd duidelijk dat ik voor werken in de originele talen beter de universitaire bibliotheken aansprak. Na al die jaren kwam ik dus weer terecht in het Hoger Instituut Wijsbegeerte, waar ik in 1966-68 studeerde. Onlangs ben ik ook, na een lange onderbreking en enige aarzeling, teruggegaan naar de Faculteit Godgeleerdheid, waarvan ik dertig jaar lang secretaris was (1968-1998), meer bepaald naar de prachtige bibliotheek, werkelijk een unicum in de wereld, waar mijn vroegere collega’s met uiterst vriendelijk ontvingen.
Ik ben dus weer waar ik begon, veertig jaar geleden, op zoek naar de grond van de dingen, de kern van de zaak. Dat is de bril waardoor ik de wereld bekijk, namelijk: wat is de wereld als je die zonder bril bekijkt?
Ik heb een tijd lang gedacht dat de filosoof Benedictus de Spinoza daarbij het beste uitgangspunt zou zijn. Ik bereidde me voor om alles van hem en veel over hem te lezen en maakte daarin ook al enige vordering. Maar hoewel ik daarbij geen enkele teleurstelling ondervond, aarzelde ik toch om me op die ene figuur vast te zetten. Er was zoveel vóór Spinoza dat ook interessant was en nog meer na hem, dat ik ook niet wou verwaarlozen.
De Verlichting was een andere mogelijkheid, een wat ruimer gebied, van rond 1650 tot 1800, met fascinerende figuren, spectaculaire ontwikkelingen en een ongemeen rijke literatuur, genoeg om me bezig te houden tot het einde van mijn dagen. Maar nog was ik niet overtuigd. Mijn echte interesse gaat niet naar Spinoza of de Verlichting, dat zijn in feite maar middelen, aanknopingspunten, voorbeelden. Wat me echt bezighoudt, is de metafysische kwestie.
Metafysica is een van de meest geleerde woorden die we hebben. Dit is wat Van Dale zegt:
(1663) <me. Lat. metaphysica <Gr. ta meta ta phusika (wat na de fysieke zaken komt)
1 deel van de wijsbegeerte dat zich bezighoudt met de laatste, bovenzinnelijke gronden van de dingen en werkingen; het omvat de ontologie, de kosmologie en de theodicee;
2 (figuurlijk) duister-diepzinnige bespiegeling.
De Griekse etymologie van het woord gaat terug op Aristoteles: het is wat hij behandelt na de ‘fysica’, de natuur; het zijn dus de boeken die letterlijk na die over de natuur komen. Wij interpreteren het woord op onze beurt ook letterlijk: het gaat om datgene wat er is na, achter, boven of buiten de natuur, buiten het zintuiglijk waarneembare.
De eerste vraag ligt voor de hand: is er wel iets buiten datgene dat we kunnen zien, betasten, ruiken, smaken, horen? Is er iets dat niet materieel is, niet fysisch? Is er iets boven de mens? De eerste antwoorden van de mens zijn duidelijk. De allereerste sporen van het vroegste menselijk leven wijzen erop dat de primitieve mensen zich daarmee bezighielden. Ze zochten naar verklaringen voor natuurverschijnselen zoals de afwisseling van dag en nacht en van de seizoenen, van eb en vloed, van de beweging van de hemellichamen. Ze zochten naar verbanden tussen de dingen uit hun eigen leven met die natuurverschijnselen. Ze probeerden hun eigen bestaan te begrijpen en zochten naar verklaringen die de mens overstijgen. Denk aan de vele vroege mythen, zoals die bijvoorbeeld door James Frazer verzameld en verklaard zijn in The Golden Bough. Denk aan de Griekse beschaving, aan Homeros en aan de treurspelen van Sophocles en Euripides. De mens lijkt daar de speelbal van de goden of van het onafwendbaar lot. We kunnen, vertrekkend van onze huidige situatie, ook niet om dat andere fundament van onze beschaving heen: de joods-christelijke traditie en de geschiedenis van de kerk tot op onze dagen. De metafysische kwestie is onlosmakelijk verweven met onze beschaving. Het is de grondslag van elke godsdienstigheid.
Er is echter ook een andere, verborgen traditie.
Ik weet het, dit is een geladen begrip. Men gebruikt dit onder meer om te verwijzen naar de geschiedenis van de homoseksualiteit, een taboe maar ook een realiteit in vrijwel alle beschavingen. Anderen beweren dat er een geheime wetenschap is, die overgeleverd wordt onder ingewijden: de alchemie. Nog anderen hebben weet van een duistere kennis, de gnosis, die rechtstreeks inzicht geeft in de kern der dingen. Ook de Vrijmetselarij is een min of meer verborgen traditie, die door haar geheimdoenerij de indruk wekt dat er meer is dan men vermoedt. Er zijn er nog andere, maar deze voorbeelden mogen volstaan. Over deze onderwerpen zijn ook ontelbare boeken geschreven, recentelijk nog de bestsellers van Dan Brown, waarvan er wereldwijd maar liefst tachtig miljoen exemplaren verkocht zijn: 80.000.000!
Ik heb het, zoveel is duidelijk, niet daarover. Esoterische, paranormale en fantastische verhalen zijn misschien wel leuk, maar ze interesseren me niet op zichzelf, doch enkel als merkwaardige menselijke verschijnselen.
Over welke verborgen traditie heb ik het dan wel, zal je ongeduldig vragen?
In de vele boeken die ik gelezen heb, meen ik een constante te ontwaren. Er zijn vanaf het prilste begin van onze beschaving steeds mensen geweest die geen vrede namen met de gangbare mening, met de tradities en gewoonten, met de algemeen geldende verklaringen. Er zijn ontelbare getuigenissen, ook de mythen en legenden, van mensen die zich afzetten tegen de gemakkelijkheidsoplossingen, de dooddoeners, de valse verklaringen, de dwaalsporen, de mythen, legenden en de sprookjes. Zij gingen op zoek naar een andere, betere, menselijke uitleg, een die ze zelf konden begrijpen, zonder een beroep te doen op buitenaardse wezens en bovenzinnelijke krachten, en die ze aan anderen ook zo konden meedelen.
Een eerste spoor of rode draad die ik wil trekken is die van de wetenschap. Die is weliswaar ontstaan binnen of aan de rand van de godsdienstige praktijken, bijvoorbeeld de sterrenwichelarij, maar nam daarvan gaandeweg duidelijk afstand: wat men betrachtte was een objectieve benadering van de dingen zoals ze zich aan ons voordeden, los van het bovenzinnelijke.
De wetenschap bevrijdde de mens van de dwang van mythische wezens en de invloed van bovennatuurlijke krachten. Zij zocht de verschijnselen te verklaren op basis van waarnemingen en klare en heldere redeneringen, op wiskundige of ‘geometrische’, logische basis. Dit is een lang, onafgebroken proces geweest, waarvan het einde nog lang niet in zicht is, maar dat zonder meer van primordiaal belang is geweest voor het uitzicht van onze beschaving.
Een tweede merkwaardig verschijnsel is de twijfel. Je hoeft geen geleerde of ingewijde te zijn om te twijfelen aan de vaak kinderachtige legenden, sprookjes, religieuze voorstellingen of gebruiken. Ook gewone mensen maak je niet zomaar iets wijs, het gezond verstand is niet alleen bij de intelligentsia te vinden, verre vandaar. De georganiseerde godsdiensten hebben steeds moeten afrekenen met gelovigen die niet meer in Sinterklaas wensten te geloven.
Dergelijke twijfelaars waren er natuurlijk ook onder de meest begaafde en hoogst opgeleide gelovigen en de bedienaars van de eredienst. Binnen elke godsdienst zijn er steeds wrijvingen geweest tussen allerlei strekkingen. Er is geen enkele periode geweest in de christelijke traditie dat er geen godsdienstoorlogen geweest zijn, noch periodes zonder belangrijke meningsverschillen, zelfs over de meest essentiële punten.
Een van de gebruiken binnen de theologie (en de filosofie, die lange tijd de dienstmaagd van de theologie is gebleven) was de (geschreven) discussie met een ‘fictieve atheïst’. Men bedacht zich een tegenstrever die niet gelovig was en ging daarmee in gesprek, om zo de standpunten van het geloof en van de kerk met des te meer overtuigingskracht naar voren te kunnen brengen. Soms werd die rol toevertrouwd aan een werkelijk persoon, die als ‘advocaat van de duivel’, in schoolse of publieke disputen de gelovige theologen zo veel mogelijk het vuur aan de schenen moest leggen. Sommige dergelijke advocaten van de duivel deden dat blijkbaar met zoveel brio, dat de kerkelijke overheden het nodig achtten om in te grijpen om zo te verhinderen dat ‘gevaarlijke’ ideeën zich te veel zouden verspreiden…
Vanuit een wetenschapsbeoefening die zich steeds onafhankelijker ging opstellen, vanuit een filosofie die zich ontvoogdde van het gezag van de theologie en de kerk, werden steeds meer theorieën naar voren gebracht die niet strookten met het geloof en het kerkelijk gezag. Aanvankelijk gebeurde dat nog in bedekte termen, maar vanaf de Renaissance en de herontdekking van de klassieke, niet christelijke en op de mens gerichte oudheid, werd het duidelijk dat de autonome mens zich niet meer liet betuttelen door kerkelijk of wereldlijk gezag.
Een volgende barst in de vermeende gelovige eenheid ontstond toen vanuit de joodse gemeenschappen geleerden opstonden die de eigen gelovige traditie verdedigden tegenover het christendom. Alle pogingen, zelfs de meest gewelddadige om de Joden tot het christendom te bekeren, waren mislukt. De joodse denkers konden bogen op een lange traditie van theologisch en filosofisch onderzoek; samen met de Arabische wereld vormden zij de schakel tussen de oudheid en de zich ontplooiende West-Europese beschaving. De argumenten die zij aanbrachten ter verdediging van hun traditie en dus tegen het christendom, vonden gretig gehoor bij geletterde gelovigen die vanuit hun eigen rationele benadering tot een kritische houding waren gekomen. De joodse kritiek op de christelijke lezing van de Bijbel ligt mede aan de basis van een meer kritische benadering van de Bijbel in christelijke middens. Zij hebben op die manier ongetwijfeld bijgedragen tot de revolutie die zich heeft voorgedaan binnen het christendom: de Reformatie en de verschrikkelijke godsdienstoorlogen van de 16de en de 17de eeuw.
Op hun beurt werden de meestal zeer terechte verwijten van de protesterende ‘protestanten’ tegen een al te wereldse, corrupte en decadente Roomse kerk dankbaar overgenomen door de filosofen, die zich stilaan een eigen weg zochten in de vragen naar de grond van de dingen, los van de God van het Oude of van het Nieuwe Testament. Als de gelovigen het niet eens zijn, als er verschillende kerken en godsdiensten zijn die elkaar te vuur en te zwaard bestrijden, dan is er niet één waarheid, dan is er reden tot twijfel, dan zijn andere oplossingen niet langer ondenkbaar.
In de plaats van een almachtige, alwetende en in de wereld ingrijpende God bedachten zij een andere, totaal afstandelijk figuur, een onbewogen beweger, een horlogemaker die het werelduurwerk had gebouwd en had opgewonden, maar die dat zo goed had gedaan dat die wereld nu zelfstandig verder kon, zonder verdere ingrepen van zijn kant. Geen God die om aanbidding vroeg dus, die strafte en beloonde en mirakels deed.
Maar dat was slechts een eerste, voorzichtige en logisch niet houdbare stap. Een God die volledig buiten de wereld staat en over wie we dus niets kunnen weten, over wie we eigenlijk niets kunnen zeggen, behalve dat hij er is, wat voor God is dat nog? De volgende stap naar een andere wereldverklaring drong zich op. Misschien was die wereld wel uit zichzelf ontstaan. Het scheppingsverhaal kon misschien ook anders dan letterlijk gelezen worden, zoals het Bijbelse en vooral christelijk wereldbeeld ook radicaal doorbroken werd door de Copernicaanse revolutie, die de zon in het centrum van het stelsel bracht.
En zo begon, van uit de verschillende kritieken die men op de gangbare christelijke dogma’s kon hebben, een beweging die zich, aanvankelijk zeer schuchter, toch allengs meer en meer openlijk atheïstisch durfde noemen en die actief is tot op vandaag. Er is een onoverzienbare berg van manuscripten, pamfletten, boeken en zelfs encyclopedieën die we in deze traditie mogen situeren. Er zijn historisch belangrijke figuren, in alle domeinen van de wetenschappen en de kunsten, die zichzelf of die wij achteraf gezien atheïstisch mogen en moeten noemen.
Voor mensen zoals ik, die christelijk zijn opgevoed in een typisch katholiek verzuild landsgedeelte, is dat echter een waarlijk verborgen traditie. Op geen enkel moment van mijn opvoeding heeft ook maar iemand daaraan enige aandacht besteed, zelfs geen negatieve. Ongeloof en atheïsme werden doodgezwegen, dat was het grote taboe, nog veel meer dan seksualiteit, en dat wil wat zeggen.
Vandaag besteedt men meer en meer openlijk aandacht aan die radicaal andere manier van denken. De veranderde algemene mentaliteit hier bij ons leent zich daartoe: er is een grote onverschilligheid tegenover godsdienst en kerk, er is dus geen taboe meer en gelukkig ook geen repressie. Toch blijft op dit laatste punt enige voorzichtigheid geboden: de (burgerlijke) wetgeving op godlastering of ‘negatieve stereotypering van de godsdienst’ is nog niet overal afgeschaft. In tegendeel: in de Verenigde Naties worden nu (2009) resoluties gestemd, op initiatief van Islamitische landen zoals Pakistan, die de landen oproepen om in hun wetgeving dergelijke rechtsregels op te nemen ter bescherming van de godsdienst. Men zal Mohammed niet bespotten in Deense kranten. De fatwa tegen Salman Rushdie is nog steeds niet opgeheven. En Theo van Gogh heeft aan den lijve moeten ondervinden wat sommigen denken van godslasterlijke praktijken.
Ik ondervind aan mezelf dat atheïsme niet vanzelfsprekend is. Toch is dat de weg die ik wil gaan. Dit is ook waaraan ik mij wil wijden in de tijd die ik hier nog doorbreng. Ik wil graag alle mogelijke aspecten onderzoeken, in zoverre dat binnen mijn begripsvermogen ligt, van de evolutie die ik hierboven geschetst heb. Daarnaast wil ik ook verder onderzoeken hoe de mens tot kennis komt, hoe zijn hersenen werken, hoe hij en zij psychologisch ineen steken.
Voor mij en voor vele anderen vandaag is de metafysische vraag grotendeels beantwoord. Er zijn geen ‘laatste, bovenzinnelijke gronden van de dingen en werkingen’. De ontologie, de kosmologie en de theodicee zijn nutteloos, zinloos en overbodig: er is geen metafysica, er is geen God. Er is een einde gekomen aan een illusie van twintig eeuwen.
Ik wil nagaan waarom we er zo lang over gedaan hebben, wat er in de weg stond, wie belet heeft dat we erop vooruitgingen en vooral ook waarom. Ik wil ook weten wie de moed heeft opgebracht om in te gaan tegen de verdedigers van de metafysica en van het Godsbegrip, tegen de almacht van de kerk.
Ik wil vooral ontdekken hoe de wereld er kan uitzien zonder God, voor mezelf en misschien ook voor anderen.
Als je wil zien langs welke onverwachte paden mij dit leidt, als je met mij een eind weegs wil gaan, dan ben je hier steeds van harte welkom.