Maria Magdalena


Op 22 juli viert het christendom het feest van de heilige (heus!) Maria Magdalena en dat sinds vele, vele eeuwen. Wij kennen allemaal wel het verhaal van Maria Magdalena, of denken dat te kennen. Want ook hier staan we voor een meer complex verhaal dan men zou vermoeden.
Wat zijn de ‘feiten’? De bron is de Bijbel, het Nieuwe Testament, met daarnaast een aantal apocriefe teksten, dat zijn christelijke verhalen die ontstaan zijn in dezelfde periode als de evangelies, maar die op een bepaald ogenblik door de Kerk als niet essentieel, niet authentiek of niet passend opzij werden geschoven.
Maar zelfs de officiële tekst van de erkende evangeliën zelf is niet helemaal duidelijk.
We vinden haar het eerst vermeld bij Markus: ze staat op Golgotha van ver toe te zien, samen met Maria de moeder van Jacobus, van Jozef en Salomé (Mk 15, 40, Mt 27, 56); Lukas (23, 55) noemt geen namen, spreekt enkel van ‘vrouwen die hem gevolgd waren vanuit Galilea’.
Even verder kijkt ze samen met Maria van Jozef toe hoe Jezus in het graf gelegd wordt (Mk15, 47, vgl. Mt 27, 61). Vervolgens gaat zij samen met Maria van Jacobus en Salomé specerijen kopen om het lichaam van Jezus te zalven (enkel bij Mk 16, 1) en is zij de eerste aan wie Jezus verschijnt (16, 9), waarbij ze ook geïdentificeerd is als de vrouw bij wie Jezus negen duivels had uitgedreven.
Zo staat ze ook vermeld bij Lukas (8, 2) als Maria, Magdalene genaamd, dat wil zeggen afkomstig uit Magdala, een nederzetting bij het meer van Tiberias, of van Genezareth, of van Kinneret, of van Galilea, allemaal benamingen voor het zelfde meer. Vreemd is dat geen van beiden die duiveluitdrijving zelf vermeldt, hoewel er wel andere exorcismen in de Bijbel staan; vreemd dat enkel Lukas dat daar vermeldt en niet op de plaats waar Markus het doet. Vreemd ook dat de vier evangelisten over die uiterst belangrijke eerste ontmoeting met de verrezen Christus, het eerste getuigenis dus, elk een andere versie hebben: bij Johannes is Maria Magdalena alleen als ze het graf leeg vindt (Joh 20, 1) en ook als Jezus aan haar verschijnt, als eerste (Joh 20, 12-18). Bij Matteus is er ook nog ‘de andere Maria’, bij Markus daarnaast ook nog Salomé (Mc 16, 1). Bij Lukas (24, 10) is er geen verschijning, maar zien de vrouwen, onder wie Maria Magdalena, ene ‘Joanna’ en Maria van Jacobus, het lege graf en de engelen die de verrijzenis verkondigen.
Als het hier om een historisch feit zou gaan, dan zou je verwachten dat de gegevens een beetje met elkaar in overeenstemming zouden zijn, gezien het uitzonderlijk belang van de gebeurtenissen: de verrijzenis van de Heer. Alles wijst erop dat we hier te maken hebben met een voorbeeld van afhankelijke en afwijkende tekstvorming rond een gegeven dat ontstaan is uit oudere teksten, mythen, legenden en verhalen uit verschillende tradities en die in de eerste eeuwen van het christendom vorm gekregen hebben.
Maar goed, we hadden het over Maria Magdalena. Met de spaarzame woorden die we nu over haar gelezen hebben in het Evangelie, kunnen we nog niet veel aanvangen en is er weinig reden voor haar spectaculaire en overweldigende algemene bekendheid, vanaf het vroege christendom, gedurende de Middeleeuwen, zelfs tijdens de Reformatie: de Lutheranen die voorwaar geen heiligenvereerders waren, gedenken haar eveneens op 22 juli, net zoals de Orthodoxe kerk, die haar de titel geeft van ‘gelijke van de Apostelen’. Dat laatste gaat terug op een aantal gnostische teksten, waarin zij een echte en vooraanstaande apostel is. Ze is ook de ‘apostel tot of van de apostelen’, op grond van Johannes’ verhaal: zij is de zendelinge (Gr. apostolos) die de apostelen op de hoogte brengt van de verrijzenis. Haar cultus heeft op een bepaalde manier stand gehouden tot vandaag, zoals we verder zullen zien.
In het vroege christendom is dit personage, dat pas na de verrijzenis echt op de voorgrond komt, op een merkwaardige wijze verweven geraakt met enkele ander figuren uit het Nieuwe Testament, waar ze verder eigenlijk niets mee te maken heeft.
Zo is er Maria van Betanië, de zuster van Martha en van Lazarus uit het verhaal dat Johannes vertelt (Joh 11). In vers 2 staat: Het was die Maria, die de Heer met reukwerk gezalfd en zijn voeten met de haren heeft afgedroogd. Vreemd ook hier weer dat precies dat verhaal zelf niet in Johannes voorkomt, maar enkel in Lukas (10, 38), waar evenwel geen sprake is van een broer Lazarus, noch van Betanië, noch van een zalving. Het verhaal van Lazarus’ opwekking staat enkel in Johannes. Die andere Lazarus, die we niet met die van de opwekking uit de doden mogen verwarren, staat ook enkel in Lukas (16, 19-31); het is de parabel van de rijke man en de arme Lazarus en de omkering van hun rollen na hun dood.
Matteus (26, 6-13) en Markus (14, 3-9) vermelden een zalving met mirre door ‘een vrouw’ in Betanië, maar dan in het huis van Simon de melaatse.
Lukas (7, 36-50) heeft een eigen verhaal, dat zich afspeelt op een niet nader genoemde plaats, in het huis van een farizeeër, (toevallig?) ook Simon genaamd, waarbij de zalving gebeurt door een plaatselijke ‘zondares’. Deze gedeeltelijke parallel heeft dus naast gemeenschappelijke, zoals de zalving, het albasten vaasje en de mirre ook afwijkende elementen, zoals het feit dat het om een zondares ging, een eufemisme voor een publieke vrouw.
In een preek van Gregorius de Grote (c.540-604) is er al een complete vereenzelviging van deze afzonderlijke nieuwtestamentische vrouwen: de Maria Magdalena van het verrijzenisverhaal, de vrouw die het hoofd van Jezus zalft met mirre, de zondares die hetzelfde doet en ook zijn voeten wast en die afdroogt met haar haren en Maria van Betanië die aan Jezus’ voeten zit en naar hem luistert terwijl Martha, haar zuster hem bedient (vandaar dat pastoorsmeiden traditioneel Martha, Maartje heten, wat ertoe geleid heeft dat een maarte in het Vlaams een dienstmeisje is), met die andere Maria van Betanië, de zus van Maria en de Lazarus die uit de doden is opgewekt en zelfs met de overspelige vrouw uit Joh. 7, 53-8, 11, een perikoop die algemeen als een latere toevoeging erkend is, waarschijnlijk uit de 4de of 5de eeuw, mogelijks op basis van apocriefe bronnen. Pas in 1969 zou het Vaticaan stilletjes ontkennen dat Maria Magdalena ooit een publieke vrouw is geweest.
De reden voor deze vermenging ligt voor een deel aan de onduidelijkheid van de afwijkende evangelieteksten, waarin dezelfde namen van plaatsen en personen en dezelfde of gelijkende gebeurtenissen op verschillende manieren verteld worden. Ook hier zijn exegeten al tweeduizend jaar vruchteloos bezig om de (on-)afhankelijkheid van deze parallelle en vergelijkbare teksten uit te klaren.
Dit was echter nog maar het begin. Nog andere versies deden de ronde, in apocriefe evangelische teksten: er is er zelfs een dat haar naam draagt: het gnostische Evangelie van Maria Magdalena, naast dat van Filipus (Mt. 10, 3) waarin zij Jezus herhaaldelijk kust; maar ook allerlei andere legenden staken al heel vroeg de kop op. Zo zou ze met Johannes, de evangelist, naar Efeze zijn gereisd, een verhaal dat ook over Maria, de moeder van Jezus verteld wordt; ze zou daar zelfs met Maria en Johannes samen geleefd hebben. Er zijn overigens wel meer parallellen tussen die twee Maria’s, wat ook bijgedragen heeft tot de populariteit van Maria Magdalena.
Een vreemde maar door ernstige geleerden naar voren gebrachte theorie is dat Johannes, de geliefde leerling van Jezus, die overigens niet de apostel Johannes was, noch Johannes De Doper, natuurlijk, hoewel die ook met Maria Magdalena in verband is gebracht, eigenlijk Maria Magdalena was, die zo de vierde evangelist(e) zou zijn; dat Johannes de Evangelist om redenen van vooral iconografische aard vaak op een erg vrouwelijke manier wordt afgebeeld, zoals op Da Vinci’s Laatste Avondmaal, heeft daarbij wellicht een rol gespeeld. Het vermoeden dat ze met die Johannes getrouwd was is slechts een volgende stap, gevolgd door nog een andere, namelijk dat ze de vriendin, ja de vrouw van Jezus zelf zou geweest zijn. Er zijn ook verhalen die haar, als publieke vrouw, met nog anderen verbinden, zoals een Romeinse militair, die in ruil voor haar gunsten Jezus zou vrijlaten (maar natuurlijk zijn belofte niet hield). Volgens anderen was ook Judas haar minnaar, of toch een jaloerse rivaal van Jezus en lag daar de reden van zijn verraad.
We gaan helemaal de mist in van legenden en fabels rond de tiende eeuw in Italië en vooral in de volgende eeuwen in het zuiden van Frankrijk. In de roemruchte Legenda Aurea bracht Jacopo of Giacomo da Varrazze, alias Jacobus de Varagine of Voragine, later bisschop van Genua allerlei volksverhalen en legenden over heiligen samen en schuwde daarbij de fantasie allerminst: wat je daar leest kan je tot tranen bewegen, als vrome gelovige én als ongelovige; in dat laatste geval heb je het benijdenswaardige voordeel dat je kan kiezen tussen tranen van het lachen of van het wenen…
Wat hij, wellicht op basis van bestaande fragmenten en versies, ervan gemaakt heeft, tart alle verbeelding: nadat Jezus ten hemel was opgestegen zetten de Joden Maria Magdalena (of was het nu Maria van Betanië? Maakt niets uit: ze waren toen al lang een en dezelfde) samen met haar ‘zus’ Martha maar ook met de andere Maria’s: die van Jacob en ook een derde, namelijk Salomé, die voor de gelegenheid ook maar Maria genoemd werd, en haar broer Lazarus en een zekere Maximinus, een leerling van Jezus, in een bootje zonder zeilen, roer of roeispanen. Daar zou ook nog Jozef van Arimathea bij geweest zijn, en die zou de kelk bij zich gehad hebben, die van het Laatste Avondmaal en waarin ook het bloed dat uit Christus’ zijde vloeide zou opgevangen zijn… Ze belandden zo, merkwaardig genoeg, in het zuiden van Frankrijk, in wat nu vanzelfsprekend Les-Saintes-Maries-de-la-Mer is, heb je hem? Al die Maria’s… Nu is die plaats vooral bekend als bedevaartsoord van de zigeuners. Het groepje trok dan naar Marseille, dat ze bekeerden tot het christendom, na een miraculeuze tussenkomst van Magdalena bij het kinderloze plaatselijke koningspaar, een heel goede reden voor haar latere verering door wanhopige vrouwen; Lazarus was er de eerste bisschop, Maximinus bisschop van Aix-en-Provence, Martha bekeerde Tarascon.
In een versie die meer de nadruk legde op het zondig verleden van la Magdalena, verbleef die dertig jaar lang als boetelinge in een woestijn nabij Marseille, in een grot, baumo in het Provençaals, in het Frans la Sainte Baume, balsem dus of troost. Op elk van de zeven canonische uren van het breviergebed of de liturgie van het heilig officie (naar Psalm 11§:164; dit zijn ze alle acht (?): metten, lauden of lof, priemen, tertsen, sexten, nonen, vespers en completen), op elk van die uren dus steeg de heilige kluizenares ten hemel, gedragen door engelen die haar in de hemel voedden met muziek… Laten we het nog wat bonter maken. Sint-Sophronius, patriarch van Jeruzalem rond 635, schreef een Vita, een heiligenverhaal over de heilige Maria van Egypte, ik bespaar u de details, behalve dat ze als kluizenares in de woestijn leefde en daar compleet naakt, als een dier bijna werd aangetroffen, voor de goede zeden echter gezegend met een overdadige haargroei. Dat verhaal heeft zich op zijn beurt vervlochten met de Provençaalse Maria Magdalena, die dus ook naakt was met kuis haar tot op haar voeten.
Ik geef u nog mee dat er ontelbare afbeeldingen zijn in de christelijke iconografie van Maria Magdalena in al haar gedaanten, niet in het minst de meest provocatieve; dat zij de belangrijkste heilige was na Maria zelf; dat er talloze verhalen en legenden over haar leven zijn, voor en na de duiveluitdrijving en een stroom van literaire bewerkingen, van in de vroege Middeleeuwen tot op onze dagen; dat ook de muziek in haar een dankbaar onderwerp vond; en ten slotte dat ook op onze dagen, zoals je ongetwijfeld al gemerkt hebt, de ‘cultus’ van Maria Magdalena voortleeft, zij het dan vooral een bepaald soort van in sensatieliteratuur en dito films, die onder meer stellen dat ze niet alleen de vrouw was van Jezus, maar bovendien ook zwanger van hem toen ze Israel ontvluchtte en in Frankrijk een zoon zou gebaard hebben, die…
Het is triest én vermakelijk dat historici zich haasten om te stellen dat er voor die stelling geen enkel concreet bewijs is. Er is namelijk vanzelfsprekend ook geen enkel concreet bewijs voor het bestaan van Jezus zelf, al is het goed mogelijk en zelfs heel waarschijnlijk dat er in die tijd, zoals ook daarvoor en daarna, zelfs verscheidene mensen geleefd hebben die vage gelijkenissen vertoonden met de Jezusfiguur die in allerlei teksten, canonieke en apocriefe, zo veelzijdig is beschreven.
De menselijke verbeelding kent werkelijk geen grenzen en dat is veeleer een goede zaak dan een kwalijke: het leven hier op aarde zou maar heel triest zijn zonder onze verbeelding en haar rijke vruchten in de kunsten. Het is enkel wanneer men fantasie en werkelijkheid begint doorheen te halen en de absolute, feitelijke, historische waarheid probeert aan te tonen van wat duidelijk tot de verbeelding behoort, dat we op onze hoede moeten zijn, anders trekken ook wij straks nog naar de Provence, op zoek naar echte sporen van taaie legenden en de zachtzinnige fantasieën van gehaaide commerciële broodschrijvers.
O, ja, dit nog, als afsluiter. In de Oosterse orthodoxe liturgie is het gebruikelijk dat met Pasen beschilderde eieren ten geschenke gegeven worden, denk aan de beroemde exemplaren die Fabergé voor de tsaren maakte. Wie denk je dat aan de oorsprong ligt van dat gebruik? Juist. In een versie zou Maria Magdalena zich hebben laten uitnodigen door keizer Tiberius. Met een (onbeschilderd) ei in de hand sprak ze hem aan en zei: Christus is verrezen! Tiberius was net zo nuchter als de meeste andere mensen, toen en nu en antwoordde: het is net zo waarschijnlijk dat een mens zou verrijzen uit de doden als dat het witte ei in je hand zomaar rood zou kleuren. En zie, nog voor hij uitgesproken was…
In een andere veeleer lugubere versie plaatsten Maria en Maria Magdalena een korfje met eieren aan de voet van het kruis, waar ze rood kleurden door het bloed van Jezus. Het waren die eieren die Maria Magdalena later om een of andere reden aan Tiberius aanbood.
Zo, dat was het. Als je dus een van de recente boeken over Maria Magdalena ter hand neemt, denk er dan even aan hoe verbluffend weinig er in de evangelies over haar te vinden is en bedenk dat ook dat tot de literatuur behoort, de wereldliteratuur desnoods, maar literatuur niettemin.
















