Collegianten

Soms vraag ik me af wat mensen doen die niet, zoals ik, de hele dag lezen en schrijven en opzoeken. Ik zie het natuurlijk wel om me heen: je hebt wielertoeristen, wandelaars en allerlei andere sportbeoefenaars; mensen maken toeristische uitstappen, bezoeken musea en gaan gewoon op reis ter ontspanning; uit eten gaan en terrasjes ‘doen’ is ook heel populair; er is film en theater en opera en rockconcerten en boombals en nog veel meer. Je hoeft je dus niet te zitten vervelen als je niet leest. Maar voor wie liever thuis blijft en geen echte hobby heeft, is lezen toch wel de uitkomst; je krijgt er nooit genoeg van en het aanbod is werkelijk onuitputtelijk groot en danig interessant. En hoe meer je je verdiept in een onderwerp, hoe boeiender het wordt.
Zo is het met mijn belangstelling voor Benedictus Spinoza (1632-1677). Ik kwam hem op het spoor door mijn zoektocht naar de zin van godsdienst en mijn verkenning van het atheïsme enerzijds en mijn belangstelling voor de werking van onze hersenen anderzijds. Door over hem te lezen, kwam ik in contact met de ideeën en de beschavingsgeschiedenis van de 17de eeuw en met de Aufklärung, de Verlichting. Het is een periode die me vroeger nooit erg aangetrokken had en waarover ik dus ook vrijwel niets wist. Van het een kwam het ander en dat maakt dat ik nu al een kleine maar fijne bibliotheek heb die daaraan gewijd is en dat ik op het internet en in stads- en universiteitsbibliotheken op zoek ga naar meer. Het zoeken zelf vind ik al aangenaam, temeer daar er ook zoveel te vinden is.
Spinoza wordt vaak in verband gebracht met de Collegianten, een religieuze beweging in Nederland die ontstond rond 1620 en actief was tot zelfs rond 1800. Hier in Vlaanderen is die ‘sekte’ totaal onbekend, denk ik, behalve bij enkele zeer gespecialiseerde geleerden. Als je in Google zoekt naar Belgische pagina’s, is het resultaat zeer beperkt. Een boek over dat onderwerp dat wel voortdurend opduikt, is Andrew C. Fix, Prophecy and Reason. The Dutch Collegiants in the Early Enlightenment, xiii + 277 pp., PUP, Princeton, 1991. Toen ik even rondkeek of dat ergens voor een schappelijk bedrag te koop was, viel mijn mond zowat open van verbazing: prijzen vanaf 160 tot 350 euro, ook tweedehands! Dat wekte mijn nieuwsgierigheid: wat maakt een boek zo schrikwekkend duur? Dan maar even gezocht in de databank van de Leuvense universiteitsbibliotheek en ja hoor: het was er, niet bij wijsbegeerte of theologie, maar bij Nederlandse letteren. Toen ik me aanmeldde om het te ontlenen leek de vriendelijke en behulpzame bediende zelf ook redelijk verbaasd dat boek daar aan te treffen. Hoe dan ook, en wat ook de reden moge zijn voor de buitensporige prijs van het boek, ik was blij dat ik het gevonden had, helemaal gratis en voor niets. Daaruit blijkt overigens nog eens het nut van dergelijke instellingen, die helemaal door de belastingbetaler gesubsidieerd worden: boeken van die prijs kan een privé persoon zich nu eenmaal niet permitteren.
Ook bij nadere inspectie werd het me niet duidelijk wat er zo speciaal is aan het boek. Het is keurig uitgegeven, met enkele gravures als illustratie, maar ook verder heel normaal, zelfs veeleer bescheiden van omvang. Het is, zoals de auteur in zijn inleiding aangeeft, het resultaat van een uit de hand gelopen onderzoeksproject: eerst een postgraduate paper, dan een master’s thesis, dan een doctoraat. Het draagt ook de sporen van die wordingsgeschiedenis, vind ik: knippen en plakken komt soms in de plaats van echte tekst-‘verwerking’, elementen uit de eerste versies zijn zonder meer overgenomen, vormen halve en hele doublures en zijn niet steeds afdoende geïntegreerd in de context. Ook de methode zorgde bij mij voor enige wrevel en enkele diepe zuchten die zelfs mijn gezellin deden opkijken.
De auteur heeft geopteerd voor een systematische ordening van zijn materiaal, in twee grote delen met elk vijf hoofdstukken, die telkens een bepaald thema behandelen, diachroon, dat wil zeggen in zijn historische ontwikkeling. Dat brengt mee dat je tien keer (bijna) hetzelfde verhaal te lezen krijgt, telkens vanuit een ander standpunt of rond een ander aspect. Dat leidt tot heel wat herhaling, vaak letterlijk, wat soms helaas doet denken aan de epitheta ornantia van bonus Homerus. De auteur (1955), een niet bepaald internationaal prominente professor aan Lafayette College, Easton, Pennsylvania, is ook geen groot stilist. Zijn stijl, indien we dat zo mogen noemen, is gortdroog zakelijk, zonder enige versiering of verademing. Hij vermeldt de gegevens zoals ze zich aandienen en als dat meebrengt dat hij een bepaald woord of terminologie twintig keer moet herhalen op één pagina, dan doet hij dat, liever dan te zoeken naar omschrijvingen, synoniemen, beeldspraak of een ander literair hulpmiddel. Hij citeert en parafraseert vaak de oorspronkelijke Nederlandse en Latijnse bronnen in de tekst en verwijst overvloedig naar Nederlandstalige en internationale publicaties.
Ik heb er dus mijn werk mee gehad. Maar ik moet toegeven, tegen het einde valt alles wel op zijn plaats, je hebt zeker het gevoel dat alle aspecten van de problematiek en alle elementen van de discussie ruimschoots aan bod zijn gekomen; je hebt ook niet meteen behoefte om onmiddellijk een volgend boek over de Collegianten ter hand te nemen.
Het standpunt dat Fix inneemt is bijzonder interessant. Voor hem is de geschiedenis van de Collegianten een sprekend voorbeeld van de beschavingsgeschiedenis van de 17de eeuw, zowel op religieus, filosofisch als op wetenschappelijk gebied. In de evolutie van de opvattingen tussen het ontstaan, de opbloei en de neergang van de beweging, ziet hij de opmerkelijke overgang weerspiegeld die zich in die periode voordeed in de Europese beschaving. Enerzijds is er de Reformatie, die zich legitimeert tegenover Rome en die haar eigen, veelvormige eigenheid zoekt; daarnaast is er de politieke onafhankelijkheidsstrijd van de Nederlandse Provinciën en het hoogtij van de Nederlandse Republiek; op filosofisch vlak is er de vernieuwende invloed van Descartes en Spinoza en op wetenschappelijk gebied de aanzet van de nieuwe wetenschappen; dat alles zorgt voor een spectaculaire mentaliteitswijziging in het Europese denken, zoals ook Hazard aangaf in zijn boek La crise de la conscience Européenne (klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=359044).
Ik heb in die geschiedenis ook veel teruggevonden van het verloop van mijn eigen denken en voelen over God, kennis, waarheid en mens-zijn, waarvan de sporen zo overvloedig weer te vinden zijn in de teksten van mijn blog.
Toegegeven, de (noord- én zuid-) Nederlanders van rond 1650 geloofden allicht veel meer dan wij/ik nu in God, Christus, de Heilige Geest, de Bijbel, de Duivel, engelen, heiligen, geesten, mirakels, gebed, genade en dies meer. Maar sinds de Renaissance en het Humanisme begonnen ook zij zich vragen te stellen over een en ander, kregen zij het ook veel moeilijker om zomaar alles klakkeloos te aanvaarden wat Kerk en Vorst hen voorhielden. De Reformatie is ontstaan uit een reactie tegen de hemeltergende toestanden in de katholieke kerk (lees: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=437). Je hoefde geen godgeleerde of heiden te zijn om in te zien dat er een heus Gehenna gaapte tussen de theorie en de Roomse praktijk. En daarmee was het ijs gebroken: men kon en mocht twijfelen aan heel wat voormalige onomstotelijke waarheden, men kon over God, Christus etc. op verscheidene manieren spreken zonder op de brandstapel en/of in de hel te belanden. Luther en Calvijn en nog honderd anderen bleken ten minste even geloofwaardig als Rome en ook niet-katholieken konden eerbare burgers zijn.
Meer nog: je hoefde eigenlijk naar niemand meer te ‘luisteren’ (= gehoorzamen), zoals Rome voorhield; Luther was de eerste om (zeker in zijn eerste bewogen ijver) te stellen dat elkeen volgens zijn eigen geweten moest handelen.
Dat toenemend belang van het individu is ongetwijfeld een van de meest belangrijke ontwikkelingen uit die periode, een machtige verworvenheid voor de toekomst van de mensheid. In de middeleeuwen ging men ervan uit dat de waarheid ons geopenbaard was door God, via zijn mensgeworden Zoon, de Heilige Geest, in de Bijbel, door de rechtstreekse instorting van de genade in elke mens en zoals toegelicht door de rechtstreekse en onfeilbare vertegenwoordigers van God op aarde: de kerk. Daarin was duidelijk geen plaats voor persoonlijke interpretatie. Maar die situatie bleek onhoudbaar. De Bijbel, toen men die echt begon te lezen, bleek vol onduidelijkheden en tegenspraken te staan. De kerk bleek veel minder één, heilig, katholiek en apostolisch dan men dacht. En wat met de Heilige Geest? De genade?
Zelfs met een beetje nadenken kwam de twijfel. De Waarheid werd een waarheid en elk zocht die op zijn manier. De mens gebruikte zijn verstand voor duizend wereldse zaken en bracht het er goed vanaf, ook zonder een beroep te doen op God of Kerk. Waarom dan niet verder denken over de grond van de zaak? De Bijbel kon men interpreteren op verscheidene manieren en de Protestanten deden dat volop en met groot succes. Toen ze daarbij op contradicties stuitten, zochten ze naar oplossingen. Je kan daarbij vele kanten uit: blijven vasthouden aan de (letterlijke) Bijbel, maar dat werd almaar moeilijker. Als de Bijbel botst met het gezond verstand, bijvoorbeeld bij de mirakels, dan kan je proberen om die mirakels uit te leggen met het gezond verstand: het zijn geen onnatuurlijke gebeurtenissen, maar dingen die ook zonder tussenkomst van God kunnen gebeuren; het uitzonderlijke ligt enkel in het feit dat ze juist dan gebeuren, bijvoorbeeld een genezing, een overstroming… Sommigen gingen zo ver te stellen dat niets in de Bijbel in strijd kón zijn met het gezond verstand, omdat God ons verstand heeft gegeven. Anderen meenden dat heel wat teksten in de Bijbel echt niet letterlijk konden genomen worden, dat ze manifest in strijd waren met zelfs het meest elementaire gezond verstand. De Bijbel werd besproken, werd in vraag gesteld en zelfs de meest getrouwe gelovigen moesten inzien dat het Heilige Boek niet het Onveranderlijke Woord Van God kon zijn.
Was er dan een andere bron voor de Openbaring? Sprak God ook nu nog tot de mens? Velen geloofden dat vast: het was de stem van ons geweten. Dat geweten was ons samen met de ziel door God zelf ingestort en kon dus niet feilbaar zijn. De katholieke kerk hield niet zozeer van die gedachte, in de praktijk; ze wist maar al te goed dat het individuele geweten soms vreemde bokkensprongen maakt en dat je niet alles kan aannemen dat uit de mond komt van iemand die beweert door de Geest gegrepen te zijn. Ook aan Protestantse zijde moest men inzien dat niet alle individuele waarheden voor iedereen verteerbaar waren.
Als de openbaring niet de bron is van de waarheid, wat dan wel? Stilaan groeide het besef dat de mens zelfstandig kan nadenken, dat hij beschikt over verstandelijke vermogens, die op een vrij betrouwbare manier kunnen ingezet worden om een onderscheid te maken tussen waar en vals, goed en kwaad. Je kon tot een gezonde en verantwoorde levenshouding komen zonder de Bijbel, zonder de Kerk, zonder gebed, zelfs zonder God: de uiteindelijke ontvoogding van de mens.
Het boek van Andrew Fix leidt ons langs de vele wegen die de Collegianten hebben bewandeld in hun eerlijke zoektocht naar de Waarheid, met soms (voor ons, nu) subtiele verschillen die aanleiding gaven tot verhitte debatten, verbanningen, schisma’s, anathema’s en burgerlijke processen. Wie de voorwaar niet geringe moeite wil doen om zich door de complexe redeneringen en toelichtingen te worstelen, wacht een verdiept inzicht in een cruciaal keerpunt in de evolutie van het menselijk denken, een leerproces dat althans voor mij ook een grondige verduidelijking bracht van mijn eigen worstelen met de eeuwige vragen die de mens zich stelt, zoals bijvoorbeeld Kant ze formuleerde: wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen?
Op de foto: het Spinozahuis in Rijnsburg


















