Tien geboden Gods
Tien geboden
Bovenal bemin één God
Zweer niet ijdel, vloek noch spot
Heilig steeds de dag des Heren
Vader moeder zult gij eren
Dood niet, geef geen ergernis
Doe niet wat onkuisheid is
Vlucht het stelen en bedriegen
Ook de achterklap en het liegen
Wees steeds kuis in uw gemoed
Begeer nooit andermans goed.
Men zegt me wel eens: wat maak je je toch druk over die oude religieuze voorschriften, er is geen mens meer die ze nog kent. Als ik dan vraag: en wat gelooft men dan nog wel, krijg ik wel eens als antwoord: zeer algemene dingen, zoals de tien geboden. Goed, laten we eens kijken, ze staan hierboven in de versvorm die wij als kind van buiten geleerd hebben.
Die versvorm is zelf al verantwoordelijk voor wat onduidelijkheid, onder meer over zweren en vloeken, ergernis, onkuisheid, bedriegen, achterklap, liegen en ook het onderscheid tussen kuisheid van gemoed en het begeren van de materiële bezittingen van een ander.
Dit is de tekst van de Bijbel:
Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
Pleeg geen moord.
Pleeg geen overspel.
Steel niet.
Leg over een ander geen vals getuigenis af.
Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’
Op een andere plaats in Exodus staat een totaal andere versie. Het is me wat: de tien geboden zijn er geen tien, het zijn geen geboden, de tien die we kennen komen niet zo uit de Bijbel… Laten we het dan maar op onze verzenversie houden.
De eerste drie geboden spreken over God zelf: hij is de enige, zijn naam mag niet misbruikt worden, de zevende dag is heilig. Wat blijft daarvan vandaag nog over? Ik laat u uw eigen besluiten trekken.
Dan zijn er de geboden die de samenleving regelen. Eer uw vader en moeder. Als er nu één ons aangeboren regel is, dan toch wel die. De volgende zijn ook erg duidelijk: moord, overspel, diefstal zijn verboden; ook het afleggen van een vals getuigenis wordt met nadruk vermeld. De laatste regel is wat subtieler: niet alleen mag je niet stelen, je mag er zelfs niet aan denken.
Bij deze geboden stel ik dan de vraag: wat heeft dit met God of godsdienst te maken? Gelden deze regels niet evenzeer voor een atheïst? Kan men zich een maatschappij voorstellen waarin deze regels niet van toepassing zouden zijn? Weer blijkt dat ‘geloven’ een heel vaag begrip is.
Naast die tien geboden van God waren er ook nog vijf geboden van de Heilige Kerk. Misschien leren die ons dan iets over de essentie van de godsdienst. Wie kent ze nog? Hier zijn ze:
Zon- en feestdag zult gij eren
Op boet- en vrijdag het vlees ontberen
Houd de vasten ongeschonden
Biecht minstens eens per jaar uw zonden
En nut rond Pasen 't Brood des Heren.
De zondagsplicht is op enkele jaren tijds volledig weggedeemsterd, het is onwaarschijnlijk hoe snel men van een algemeen nageleefde regel tot het absoluut verval is gekomen; net zo voor het vasten en het vlees derven en ‘zijn Pasen houden’. Niets, maar dan ook niets is er nog over van de verplichtingen of gewoonten die vroeger zo een stempel drukten op onze samenleving. En weer blijkt dat die kapitale regels niet echt belangrijk waren. En opnieuw stel ik dan de vraag: wat was er dan wel belangrijk? Waarin geloofden we toen? Wat was, wat is geloven? Wat is behoren tot de Kerk? Wat is het verschil met er niet toe behoren? met niet geloven? Men mag het mij altijd komen zeggen, ik weet het niet meer. Of liever: ik heb het nooit geweten. Ik herinner me dat ik, toen ik een jaar of twaalf, dertien was, eens ging biechten met deze woorden: ik geloof niet in God. Het braaf stokoud paterke dat ik had uitgekozen voor deze bekentenis wist wellicht niet waar hij het had. Hij prevelde dat ik moest bidden, veel bidden. Ik dacht toen verrast: ik zeg wat hij ook denkt. En dat denk ik nu nog: ik zeg, ook hier in mijn blogs, wat velen aanvoelen. Het verschil is: ik neem de tijd en de moeite om de vragen te stellen, ik ben nog altijd de ambetanterik die ik op school al was, de wijsneus, de betweter. Tja…
Een toemaatje over de spellingcontrole.
1. Hoe zeer de tijden veranderd zijn, blijkt onder meer uit het feit dat vleesderven een onbekend woord is.
2. Elke keer als ik klaar ben met een tekst en ik me onderwerp aan de controle van de tekstverwerker, krijg ik te horen dat mijn woordvolgorde niet klopt, dat ik een vaag taalgebruik heb, dat ik breedsprakerig ben en dat ik verouderde woorden en schrijftaal gebruik. Diezelfde opmerkingen verschenen vandaag gelukkig ook bij het citaat uit de Bijbel, waarvoor ik nochtans de Nieuwe Bijbelvertaling heb geraadpleegd. Dat is dus een troost, al zal men opmerken: quod licet Jovi non licet bovi, en dat heeft niets te maken met een of andere popgroep, maar alles met de prerogatieven van de hogere macht.



















