De Goede Herder


Atheïsten steken veel energie in het veroordelen van het theïsme. Er is geen God, men kan zijn bestaan kan niet aantonen en meteen veroordelen ze alles wat door godsdiensten aangeboden wordt, want de autoriteit waarop de godsdiensten steunen, bestaat niet. Maar het wegvallen van een autoriteit betekent nog niet dat alle uitspraken van de godsdiensten wegvallen. Laten we aannemen dat er geen God is die bijvoorbeeld de Bijbel geïnspireerd heeft en die de Kerk in stand houdt en die het hoofd van die kerk onfeilbaar maakt. De Bijbel verliest dan misschien wel aan autoriteit, in de mate dat men daaraan belang hecht, en dat doet men steeds minder naarmate men door de tekstkritiek en de exegese vast stelt dat de Bijbel niet letterlijk het Woord van God is, maar de Bijbel is daarom nog niet meteen van de aardbodem verdwenen.
Als God de Bijbel niet heeft geschreven, wie dan wel? Mensen, natuurlijk, wie anders? Als er geen God, dan mist de Kerk misschien wel een fundament, maar haar geschiedenis en haar bestaan op dit moment wordt daardoor niet met één klap ongedaan gemaakt. De mens heeft zich een god gedroomd en dan ook maar een God gemaakt, over liever, verscheidene Goden verspreid over de hele wereld. De zelfde mens heeft zich een godsdienst gemaakt. Dat zijn feiten waar zelfs een heel geleerde atheïst niet omheen kan.
De godsdienstige mens is niet de eerste of de enige om een boodschap kracht bij te zetten door ze te verbinden aan een hogere autoriteit, wij doen dat voortdurend: in het dorp speelt een Koninklijke harmonie; de koffie komt van een Hofleverancier, BV’s zijn peter van projecten, beschermcomités zetten verenigingen en organisaties op een beter blaadje, in een CV mag een aanbeveling niet ontbreken, liefst van een zo belangrijk mogelijke bron. De harmonie speelt er niet beter om, de koffie is maar zo goed als een andere, een project wordt niet waardevoller omdat de alomtegenwoordige Vermassen erachter staat, de aanwezigheid van Dehaene in de raad van beheer van L&H heeft wel investeerders aangetrokken maar de fraude niet verhinderd, en een aanbeveling in een CV is vaak niet meer dan een formaliteit.
Het is dus misschien de moeite om te kijken wat die godsdienst te zeggen heeft, ook al is God ondertussen dood verklaard. Gelovigen zullen me dat laatste niet graag horen zeggen, maar het lijkt me een betere instelling dan te zeggen: God bestaat niet, dus godsdienst is zinloos en al wat de mens in al die eeuwen heeft gedaan en gezegd moeten we maar meteen vergeten. Het kan best zijn dat we uiteindelijk zullen moeten vaststellen dat godsdienst inderdaad zinloos is, maar dat zowat de hele geschiedenis van de godsdienstige mens zinloos geweest is, dat is wat veel gevraagd.
Om speculaties over het eventueel neerdalen van de Heilige Geest in Werchter te ontkrachten, hierbij enkele meer karakteristieke bedenkingen over die Kerk.
Zowel in de geschiedenis in het algemeen als in individuele gevallen lijkt het er sterk op dat de Kerk zich niet al te veel vragen stelde over het bestaan van God. Men was er veeleer op uit om de mensen een bepaald gedrag bij te brengen of op te leggen, een gedrag dat het moest mogelijk maken dat een bepaalde wereldorde, een organisatie van de samenleving mogelijk was, waarin de Kerk en haar bedienaars een bevoorrechte plaats innamen. Vaak waren daarbij alle middelen goed.
Bij het beeld van de Goede Herder, dat zowel op Christus als op de paus en de andere pastores toegepast wordt, durf ik toch enkele kenmerken allegorisch doortrekken. De herder waakt over zijn kudde en zorgt ervoor dat ze overleeft. De schapen zouden hem daarvoor dankbaar moeten zijn. Maar de herder denkt niet zozeer aan de schapen als aan de wol en het vlees en de melk die zij hem zullen opleveren. En als de nood het hoogst is, moet zo’n schaap ook wel eens andere behoeften van de pastor dekken, als het ware. Net zoals Nabokov huiver ik voor allegorieën, maar dit klassieke beeld van de Goede Herder vroeg erom, vind ik.
Een tweede opmerking bij de rol van de Kerk in het ‘beschaven’ van de mens is een citaat dat ik onlangs las uit een boekje dat een Engelse priester schreef ten behoeve van kinderen van de lagere school. Het is een beschrijving van het lot dat kinderen te wachten staat in de hel, als ze zonden hebben begaan, zoals daar zijn het stelen van appels bij de buurman. Ik vertaal: In die roodgloeiende oven is er een kind. Luister hoe het schreeuwt om eruit te komen! Kijk hoe het zich draait en keert in de vlammen! Het bonkt met zijn hoofd tegen de bovenkant van de oven. Het stampt met zijn kleine voetjes op de bodem. Op het gelaat van dat kleine kind kan je zien wat er op de gezichten te lezen staat van iedereen die in de hel is: wanhoop, vertwijfeling en verschrikking. Het is een tekst die je verwacht te lezen in het museum in Auschwitz, niet in een stichtelijk christelijk boekje, maar toch is het zo, en niet anders, en denk maar niet dat dit een uitzondering is.
De Kerk heeft om het volk te onderwerpen steeds in de eerste plaats naar de wapens en de banbliksems gegrepen. De herder gebruikt zijn staf, zijn roede en zijn hond om de kudde bijeen te houden, voor haar eigen goed, zoals hij dat ziet. Wat de schapen daarvan denken? Schapen denken niet.
Denkt hij.



















