Brandjes blussen


Er is een voorlopig einde gekomen aan de hoofddoekenrel in Antwerpen. In het vooruitzicht van de verbreking van het verbod, ingesteld door de schooldirectie, door het Hof van Cassatie, heeft de overkoepelende organisatie van het Gemeenschapsonderwijs het verbod overgenomen. Me dunkt dat dit een zeer kortzichtige beslissing is, genomen onder druk van de tijd, de publieke opinie en de klacht bij Cassatie. Men heeft dus vooral een juridisch probleem opgelost, namelijk de verbreking van het wellicht onwettelijke verbod van de schooldirectie. Het is echter niet ondenkbaar dat daarmee het probleem alleen maar verschoven is. Wie denkt dat Cassatie een oordeel ten gronde heeft uitgesproken, vergist zich deerlijk: juristen spreken zich nooit ten gronde uit, zelfs niet met het mes op de keel. Zij hebben laten uitschijnen (niet meer…) dat niet de school het recht had een dergelijke beslissing te nemen, maar de overkoepelende organisatie. Wellicht steunden zij zich op het gelijkheidsbeginsel: je kan niet aan de enen verbieden wat je aan anderen toestaat.
Maar dat is een algemene regel, die niets van doen heeft met de hoofddoeken. Het is dus zeer goed mogelijk dat, wanneer men de kwestie principieel zou stellen, namelijk: kan men het dragen van een hoofddoek verbieden op school? het Hof van Cassatie daarop negatief zou antwoorden, bijvoorbeeld omdat het dragen van een hoofddoek niet in strijd is met welke regel dan ook. Afwachten dus…
De beslissing van het Gemeenschapsonderwijs is een typische reactie. Ook daar heeft men niet (lang) stilgestaan bij de grond van de zaak, men heeft snel een praktisch probleem opgelost. Dus geen groot debat, geen enquête, geen raadpleging van de oudercomités, de leerlingenraden, de schooldirecties, de leraren, de vakbonden, niets: en petit comité, rap rap.
We hebben het al meer meegemaakt. Men noemt het wel eens de politiek van het brandjes blussen. Er duikt ergens een probleem op, het komt in de media en hop: er wordt een wet gestemd, een besluit genomen, een beslissing geforceerd onder druk van de omstandigheden. Er ontsnapt een misdadiger: er komen nieuwe sloten op de deuren, netten boven de open ruimten, meer bewakers in de gerechtshoven &c. Een bank dreigt over kop te gaan: de staat schuift honderden miljoenen euro’s toe, neemt aandelen over, verkoopt halsoverkop.
We hebben de indruk dat politiek nog uitsluitend daarover gaat: het nemen van overhaaste beslissingen om rampen of ontsporingen te voorkomen, om de openbare opinie te paaien. Er is geen langetermijnvisie, geen enkele planning die niet van bij de eerste stappen van de uitvoering zo grondig overhoop gehaald wordt dat er vrijwel niets van overblijft.
Daarvoor zijn er twee redenen.
De eerste is onze roemruchte overlegstructuur. In de naam van de democratie, maar vooral omwille van de ontelbare drukkingsgroepen en maatschappelijke actoren, hebben we zoveel comités opgericht dat niemand nog een autonome beslissing kan nemen. De eerste de beste restauranthouder die zich benadeeld voelt, kan met een simpel verzoek een miljardenproject van openbaar nut zoals de sluiting van de Antwerpse ring voor jaren blokkeren.
Een tweede reden moeten we dieper gaan zoeken. In vroeger tijden was er nog wel degelijk een langetermijnvisie. De katholieke partij en de bijhorende zuil waren toen nog katholiek-religieus en bevlogen door duidelijke eigen normen en idealen. Men had een einddoel voor ogen, een heilsstaat die men wilde realiseren, in principe bij het einde der tijden, maar in afwachting ook hier. Dat betekende dat men zoveel mogelijk mensen wilde bekeren tot het ene geloof en met die mensen hier al een civitas Dei oprichten, waarin iedereen spontaan zou instemmen met alle voorstellen van het gezag, dat zich daarbij kon beroepen op het Goddelijke Gezag. Op zeker moment was dat in Vlaanderen vrijwel een realiteit, toen de katholieken op de meeste plaatsen de absolute meerderheid hadden en die jarenlang vasthielden.
De socialisten hadden in Wallonië een zelfde positie verworven. Ook zij zouden daar een heilsstaat creëren naar socialistisch model. En dan had je in beide landsgedeelten, met residentie in Brussel, de liberalen, die hun kaart speelden, die van het kapitalisme. Ook zij hadden hun ideaal: de vrije markteconomie die voldoende kapitaal zou genereren om iedereen te laten delen in de hoorn des overvloeds.
Iedereen had dus een ideaal en voor elke beslissing kon men teruggrijpen naar de bijhorende waarden en normen, die bovendien vaak vastgelegd waren in Bijbels, manifesten of ongeschreven wetten.
Dat is nu wel gedaan.
Het katholicisme van vijftig jaar geleden is dood. De ontkerkelijking, de secularisatie heeft zwaar toegeslagen. Van de katholieke eenheidspartij is enkel de naam nog overgebleven, of toch de initiaal: CD&V, zo heet de partij en niemand die ooit voluit zegt dat daarmee de Christendemocratische Vlaamse partij bedoeld is, ook de partijleiding niet. Men voelt zich niet meer ‘christelijk’. Niemand weet nog welke de specifieke waarden zijn die de partij zou verdedigen tegen andere partijen in.
Dit geldt evenzeer voor de socialistische partij, natuurlijk. Zeker na de val van het communisme, dat niets anders is dan een radicaal socialisme, gelooft niemand meer in de dictatuur van het proletariaat en de gelijke verdeling van de middelen, noch in de door de staat geleide economie. De vakbond, die de sterke basis vormde van de socialistische partij, verloor aan belang toen het brute straatgeweld onaanvaardbaar werd. Ook de liberalen moesten inbinden. De vrije markt werd opgeofferd aan een geleide overlegeconomie en aan duizend compromissen in het sociaal overleg dat de politiek bepaalde in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Op nationaal niveau heeft geen enkele partij uitzicht op een absolute meerderheid, op verre na niet. De grootste groep, het kartel CD&V/N-VA heeft geen 20% en is ondertussen ook al uiteengevallen. De meeste partijen zitten rond de 10 procent. Er is dus niemand die zijn wil kan doordrukken of die zelfs maar zwaar kan wegen op de besluitvorming. De regeringen zijn dus steeds en noodzakelijk onzalige coalities, monsterverbonden waarin iedereen iedereen wantrouwt. Het land is, dat weten we nu al enkele jaren, onbestuurbaar.
Geen wonder. De ideologieën zijn dood, allemaal. De partijen zijn verdeeld, versnipperd, machteloos. Zelfs indien ze een eigen programma hebben, zoals de groenen, is het verschil met de andere programma’s marginaal, verwaarloosbaar. Bovendien weet iedereen dat men het eigen standpunt toch zal moeten aanpassen aan de eisen van de anderen, waarom dus moeilijk doen?
En dus zien we wat we zien. De politiek is er een van lopende zaken. Brandjes worden geblust, linten geknipt, gratis vaten geschonken, postjes verdeeld. De vele parlementen die we hebben, behandelen de ontelbare wetten en decreten die de administraties en de kabinetten produceren. Maar geen mens die weet waar we naartoe gaan, wat het einddoel is. Er zijn geen waarden meer, geen algemene normen. De politiek kent geen groot verhaal meer, alles is herleid tot sprookjes en schone liedjes die niet lang duren. We dobberen mee, in een ouderwetse boot en zonder stuurman, op de steeds woeliger zeeën van de globale economie. We ondergaan de opwarming van de aarde en de groei en de verwatering van de Europese Unie.
We zijn pessimistisch, we geloven niet meer in een heerlijke nieuwe wereld, in een briljante toekomst voor ons en voor de wereld. We zijn realisten in het beste geval, pragmatisch. We hopen dat het onze tijd nog duurt. Wat daarna komt, daarover durven we ons niet uitspreken.
Voor velen onder ons geeft dat een onaangenaam gevoel, we zijn dat niet gewoon. We hebben altijd vertrouwen gehad in de toekomst, het zou altijd beter worden, de volgende generatie zou het altijd beter hebben, onze kinderen zouden kunnen vertrekken met een ruime voorgift. De wereld zou een betere plaats worden om in te leven, mede dank zij de wetenschap en de technologie. Er zou voedsel zijn voor iedereen en drinkbaar water. Ziekten zouden uitgeroeid worden, rampen voorkomen. Zelfs met zes of tien miljard zouden we het beter hebben dan ooit tevoren.
Bijna ongemerkt is de stemming omgeslagen. De honger blijft bestaan, ziekten ook, aids breidt steeds verder uit, oude ziekten duiken weer op. Het gaat niet goed in de grootste landen en nog veel slechter in de kleinste, zeker in Afrika. Er duiken weer piraten op en straat- en struikrovers. Niemand is nog zeker van zijn werk, zelfs de oudste en grootste bedrijven gaan ten onder. Onze gezondheid is bedreigd, ziekten verspreiden zich onweerstaanbaar over de hele wereld, het aantal doden wordt achteloos ingeschat. Het klimaat lijkt op hol geslagen, natuurrampen nemen toe in aantal en omvang, de opwarming zorgt voor veranderingen op een schaal die we niet voor mogelijk hielden: het miljoenen jaren oude poolijs smelt, net als de massieve gletsjers.
Onze beleving van de tijd is nu anders. We zijn de geschiedenis niet meer als een rechtlijnige beweging, een reis van A naar B, van de holen van de prehistorie naar de sciencefiction heilsstaat. Het kan evengoed zijn dat er een nieuwe ijstijd komt, of een sterke opwarming met catastrofale gevolgen voor miljarden mensen. Het is mogelijk dat een pandemie de helft van de wereldbevolking uitroeit, zoals de pest destijds. Het is denkbaar dat ook wij hier in het Westen honger zouden lijden, dat we geen drinkbaar water hebben, geen kolen, olie, gas of elektriciteit. Misschien lopen grote delen van Europa onder water en moeten we met zijn allen op een kluitje gaan leven.
Het is een vreemde situatie. We leven nog altijd in overvloed, de voorzieningen zijn luxueus, we kunnen het in feite met héél veel minder. Maar geen haar op ons hoofd dat daaraan denkt. We geven massaal geld uit aan dingen die we niet nodig hebben, aan ontspanning, reizen en genot, aan huisdieren en hobby’s, aan spelletjes en virtuele levens.
We leven alsof het niet opkan. De technologie gaat steeds verder, denk maar aan de medische apparatuur, aan de computertoepassingen. Onze basisvoorzieningen steunen op een uiterst kleine groep mensen en op precaire internationale toelevering van eindige bronnen. We geloven nog altijd niet dat het plots kan omslaan, radicaal en globaal. Zelfs wat we er zelf kunnen aan doen, stellen we voortdurend uit: het zal zo’n vaart wel niet lopen, denken we stilletjes. We sorteren het huisvuil en beetje, kopen spaarlampen en misschien zelfs enkele zonnepanelen, een zuiniger auto. Maar ‘anders gaan leven’? Niet echt, nee.
We leven van dag tot dag, van generatie tot generatie. We proberen er het beste van te maken, te overleven in een complexe en onberekenbare wereld. We passen onze ambities een beetje aan als het moet, maar niet te veel, niet te drastisch, dat lijkt niet nodig, nog niet.
Stilaan moeten we beseffen we dat de tijd nog maar net begonnen is, dat de aarde nog zal ronddraaien tot de zon echt ondergaat over enkele miljarden jaren. Wie kan zeggen wat er tussen nu en dan zal gebeuren? Het heeft allemaal niet echt belang, het zijn maar rimpels op de zee van de tijd. Idealen verbleken in het licht van de eeuwigheid. Alles is relatief, tijdelijk, vergankelijk. Niets is waard om voor te sterven. We leven maar een keer en daarvan willen we genieten, dat is het enige dat telt, toch?



















