Onze bekende filosoof Immanuel K is dit jaar zestig geworden. Hij publiceerde onlangs zijn Kritiek van de zuivere rede (1781), meer dan 800 bladzijden lang en volgens kenners een boek dat hem onsterfelijk zal maken, een uitzonderlijk meesterwerk in de geschiedenis van de filosofie. Wat we daarover ook mogen denken, het leek ons een goed idee om bij hem te rade te gaan over een vraag die de laatste tijd zo in de belangstelling staat, maar waarover de meningen sterk uiteenlopen. Wat is Aufklärung, Verlichting eigenlijk? We legden de vraag voor aan de meester tijdens een gesprek in zijn kantoor aan de Universiteit, op 30 september 1784.
Goede morgen, Professor en dank dat u ons heeft willen ontvangen. Laten we maar meteen met de deur in huis vallen: wat bedoelt men eigenlijk met de Aufklärung, de Verlichting?
Verlichting is de bevrijding van de mens uit zijn zelfgekozen onvolwassenheid.
Juist. Wat bedoelt u daarmee precies?
Onvolwassen ben je als je er niet in slaagt gebruik te maken van je verstandelijke vermogens zonder de hulp van iemand anders, zoals de kinderen op school; maar ook volwassenen kunnen onvolwassen zijn, natuurlijk. Ze kiezen daar zelf voor, namelijk als ze wel degelijk over de nodige verstandelijke vermogens beschikken, maar door aarzeling, onbeslistheid of een gebrek aan moed er niet toe komen ze zelfstandig te gebruiken, dus zonder hulp van anderen. Sapere aude! Durf te denken! Heb de moed uw eigen verstand te gebruiken! Dat is het motto van de Verlichting.
Maar waarom zou iemand ervoor kiezen om zich zo onvolwassen op te stellen?
De belangrijkste redenen voor zulk gedrag bij de overgrote meerderheid van de mensen zijn gewoon luiheid en lafheid. Zelfs lang nadat de wetten en de natuur zelf hen volwassen verklaard hebben en hen aldus ontslagen hebben van het volgen van bevelen van anderen, blijven zij hun leven lang als onder voogdij. Dat maakt het dan ook maar al te gemakkelijk voor anderen om zich op te werpen als hun voogden.
Ik begrijp dat niet goed: alle kinderen willen toch zo gauw mogelijk volwassen zijn om hun eigen beslissingen te kunnen nemen?
Vergist u zich daarin maar niet… Het is zo gemakkelijk om niet meerderjarig, onvolwassen te zijn! Ik heb een Boek dat in mijn plaats denkt, een pastoor die mijn geweten is, een huisdokter die op mijn gezondheid let en zo verder: ik hoef me zelf geen zorgen te maken. Ik hoef niet te denken: als ik maar betaal, zullen anderen maar al te graag dat lastig werkje wel voor mij doen.
Waarom is dat een lastig werk, denken?
Het zijn precies degenen die zich zo vriendelijk aangeboden hebben om het gezag over jou over te nemen die erop wijzen dat zelf de stap zetten naar kennis niet alleen zeer gevaarlijk is, maar bovendien ook nog zeer moeilijk; niet te verwonderen dus dat men daar zo massaal geloof aan hecht. De voogden hebben eerst hun zorgenkinderen dom gehouden als gewillig vee en ervoor gezorgd dat die brave beesten geen stap durven zetten zonder het juk waarmee ze aan de kar gebonden zijn. Vervolgens wijzen ze hen op al de gevaren die hen wachten als ze het op hun eentje zouden proberen. Maar het gevaar is in werkelijkheid helemaal niet zo groot: een kind leert heel gauw alleen lopen nadat het enkele keren gevallen is. Maar door hen steeds op de gevaren te wijzen, worden de mensen bevreesd en meestal te bang om het toch nog maar eens te proberen.
Is er dan geen uitweg?
Het is in alle geval heel moeilijk voor een individueel persoon om zich los te maken uit een leven onder voogdij, dat als het ware een tweede natuur geworden is. Men is het gewoon, men is er zelfs gaan van houden! Onder die omstandigheden is men voorlopig niet in staat om zelf te gaan denken, want niemand heeft ooit toegelaten om het te proberen. Men leeft onder wetten en reglementen, domme toepassingen of liever misbruiken van de natuurlijke gaven, en dat zijn de boeien waarmee men gekluisterd ligt! En wie ze probeert af te gooien, die maakt zelfs over het kleinste beekje een aarzelende, onzekere sprong, simpelweg omdat hij niet gewoon is aan dergelijke vrije bewegingen. Kortom, er zijn maar heel weinig mensen in staat om zich op eigen geesteskracht vrij te maken van onkunde en om echt op gang te geraken.
Dat klinkt niet echt bemoedigend. Hoe moet het dan verder?
Het is wellicht meer voor de hand liggend dat de mensheid als geheel voor haar verlichting zorgt. Er is echter één voorwaarde: als er maar vrijheid is, dan zal verlichting als vanzelf volgen. Het kan immers niet anders of er zijn altijd wel enkele onafhankelijke geesten, zelfs onder de voogden van de massa’s, die het juk van de bevoogding van hun eigen schouders werpen. Die zullen dan zorgen voor de verspreiding van de gedachte dat elke mens zich bewust kan zijn van zijn eigen waarde en dat elkeen ertoe geroepen is om zelf na te denken. Maar let op: zelfs indien er sommige voogden zijn die erin geslaagd zijn om zelf tot enige verlichting te komen, dan gebeurt het nog vaak genoeg dat de massa hen dwingt om in het gareel te blijven lopen. Dat bewijst dat het heel gevaarlijk is om de mensen vooroordelen aan te praten, want dat wreekt zich nadien op hen die ze bedacht hebben en zelfs op hun nakomelingen…
Elke vooruitgang op het punt van de verlichting moet dan wellicht heel geleidelijk gaan.
Dat is zo. Het is soms wel mogelijk dat men door een revolutie een einde maakt een persoonlijk despotisme of aan een roofzuchtige of tirannieke onderdrukking, maar zo komt men nooit tot een waarachtige hervorming in de manier van denken. Meer nog: nieuwe vooroordelen zullen net zo goed als de oude de grote mensenmassa’s in hun greep houden.
U had het daarnet over de rol van de vrijheid om tot verlichting te komen.
Inderdaad: vrijheid is de enige voorwaarde voor verlichting en dat is ook het beste gebruik dat men ervan kan maken. Het gaat hier om de vrijheid die men moet krijgen om publiekelijk gebruik te maken van zijn verstandelijke vermogens in alle aangelegenheden. Maar hoor ik niet overal hetzelfde? Niet argumenteren! De officier zegt: niet redeneren, marcheren! De belastingsontvanger: niet protesteren, betalen! De pastoor: niet nadenken, geloven! Er is vandaag maar een uitzondering: onze doorluchtige vorst Frederik. Die zegt: argumenteer en redeneer al wat je wil en over al wat je wil, maar gehoorzaam!
Goed gezegd. Maar hoe komt het dat onze vrijheid zo beperkt is? En is dat altijd negatief?
We moeten daarbij een duidelijk onderscheid maken tussen twee manieren om ons verstand te gebruiken: publiek of privé. Met het publiek gebruik ervan bedoel ik dit: het gaat om de vrijheid om als een autonome onderzoeker zijn verstand te gebruiken en zijn mening neer te schrijven voor het lezend publiek. Op die manier is men werkelijk vrij en dat is de enige manier om de mensen tot verlichting te brengen. Het privé gebruik van het verstand is een andere kwestie. Ik bedoel daarmee iets heel specifieks, namelijk het gebruik van je verstand in je individuele beroepssituatie in de maatschappij. Het geeft geen pas dat men in die omstandigheden zomaar zijn persoonlijke mening zou gaan verkondigen.
En waarom niet?
Men heeft de samenleving zo ingericht dat voor een aantal zaken zekere afspraken moeten gemaakt worden, dat de regels moeten toegepast worden zonder al te veel fantasie of eigen interpretatie, zodat er een vorm van kunstmatige eensgezindheid ontstaat, die nuttig is voor het bereiken van de publieke doelstellingen, of die verhindert dat die doelstellingen zouden miskend worden. Het is duidelijk dat in die gevallen men niet moet gaan argumenteren, maar gewoon de regels toepassen.
Dat klinkt nogal streng. Is er dan helemaal geen kritiek mogelijk?
Natuurlijk wel. Ook een ambtenaar kan zijn mening formuleren, vooreerst waar de regels hem zelf betreffen, als een onderdeel van het publiek. Maar hij kan zich als een onderzoeker ook uitspreken over de toepassing van de regels op het geheel van het publiek en zelfs op de hele wereld. Hij doet dat dan het best in geschrifte, zich richtend tot het publiek in het algemeen. Daarmee doet hij geen afbreuk aan zijn verplichtingen als lijdzaam uitvoerder van de wet waarvoor hij is aangesteld.
Begrijp ik het goed? Mag een officier dan de bevelen die hij te velde krijgt van zijn meerderen in twijfel trekken?
Natuurlijk niet, hij moet ze zonder aarzelen uitvoeren, anders kunnen de gevolgen catastrofaal zijn. Maar anderzijds kan hem het recht niet ontzegd worden om als vrij man voor het publiek een oordeel uit te spreken over de algemene beslissingen van het leger. Dat is hetzelfde voor de gewone burger: die kan niet weigeren om zijn belastingen te betalen, hij mag zelfs niet lichtvaardig klagen over een of andere taks, want dat zou kunnen leiden tot een algemeen onterecht ongenoegen. Maar die zelfde persoon handelt niet tegen zijn plichten als burger indien hij, als onafhankelijk onderzoeker, publiekelijk zijn bezwaren uit over de ongepastheid of zelfs de onrechtvaardigheid van die belastingen.
Dat is duidelijk. Geldt dat in alle gevallen? Wat bijvoorbeeld over het geloof?
Ik zie geen verschil. Een aangesteld priester is verplicht om zijn preken voor de gemeente en zijn onderricht aan de kinderen in overeenstemming te houden met de geloofspunten van de kerk die hij dient, hij is immers onder die voorwaarden aangesteld. Maar als autonoom onderzoeker beschikt hij over de volledige vrijheid, zelfs de roeping, om aan het ruimere publiek al zijn zorgvuldig uitgeteste en goedbedoelde opvattingen voor te leggen over wat er mogelijks onjuist is in de officiële geloofsbelijdenis en om zijn suggesties te doen over de goede werking van de kerk en de geloofsgemeenschap. Wanneer hij zo handelt, is er niets dat zijn geweten kan bezwaren.
Beschikt hij dan niet over een persoonlijke gewetensvrijheid?
Toch wel. Maar wat hij vanuit zijn bediening als vertegenwoordiger van zijn kerk voorhoudt, dat beschouwt hij als iets waarover hij niet mag spreken vanuit zijn persoonlijk aanvoelen; wat dat betreft is hij aangesteld om de mening vastgelegd door iemand anders en in diens naam te verkondigen. Hij zal verklaren: onze kerk leert zo of zo en dit zijn de redenen die zij daarvoor aanvoert. Op die manier haalt hij voor het publiek al wat nuttig is uit de voorschriften, ook al is hij het persoonlijk misschien niet met alles met volle overtuiging eens, maar kan hij zich er best mee verzoenen, omdat in de voorschriften misschien onvermoede waarheden besloten liggen en ook al omdat hij meent dat er niets is dat flagrant in tegenspraak is met zijn innerlijke overtuiging. Het is immers duidelijk dat, indien er zo’n zaken zouden zijn, hij niet in staat zou zijn om in eer en geweten de taken te vervullen die zijn bediening vereist: hij zou ontslag moeten nemen!
Ik begrijp het. Dat is wat u bedoelde met het louter privégebruik van de verstandelijke vermogens in het geval van een aangestelde bedienaar, ook al is zijn publiek soms vrij uitgebreid: in dat geval, als een priester, is hij niet vrij, kan hij niet vrij zijn, omdat hij de richtlijnen volgt van anderen. Maar als vrij onderzoeker, die zich in geschrifte richt tot het algemeen publiek, de hele wereld, daar geniet ook de bedienaar van de eredienst in het publieke gebruik van zijn redelijk verstand een onbegrensde vrijheid om zijn eigen geestelijke vermogens te gebruiken en te spreken namens zichzelf.
Juist. Dat zou immers het toppunt van absurditeit zou zijn, indien we zouden toelaten dat de leiders van het volk zelf incompetent zouden zijn en hun verstand niet zouden mogen gebruiken.
Professor, kunnen we nog even doorgaan op dit thema? Is het niet mogelijk voor een kerk of een gemeente, zoals dat ook in Nederland gebeurd is, om gezamenlijk een plechtige verbintenis aan te gaan voor een onveranderlijke geloofsbelijdenis? Ze zouden dat kunnen doen om zo een niet aflatend toezicht te houden op elk van hun leden en zo op de hele gemeenschap. Ik kan me voorstellen dat ze zoiets zelfs voor de eeuwigheid zouden vastleggen.
Nee, daarin ben ik formeel: dat is volkomen onmogelijk. Dat zou neerkomen op een soort van contract om alle verdere verlichting voor het menselijk ras tegen te houden. Zo een overeenkomst is van nul en gener waarde, zelfs als ze bevestigd wordt door de hoogste instanties, zelfs door het parlement of door het meest ceremoniële vredesverdrag. De mensen van een bepaald tijdperk kunnen zichzelf niet kluisteren en ook nog verordenen dat in een volgend tijdperk de mensen zo zouden beperkt zijn dat ze hun kennis, die op zijn best toch maar toevallig is, niet zouden kunnen uitbreiden of zich niet zouden kunnen bevrijden van vergissingen en zo vooruitgang maken in hun algemene verlichting. Dat zou niet minder zijn dan een misdaad tegen de menselijke natuur.
Dat is wel een krasse uitspraak!
Ja, maar het ligt in de natuur zelf van de mensheid om vooruitgang te maken. De nakomelingen die met zo’n bindende overeenkomsten uit het verleden geconfronteerd zijn, zouden die volkomen terecht verwerpen als opgesteld op een onbillijke en zelfs kwaadwillige manier. De uiteindelijke toetssteen voor om het even wat bij wet kan vastgelegd worden, is deze vraag: zou het volk zich zelf deze wet ook opgelegd hebben? Nee, ik kan een dergelijke bindende wet enkel aanvaarden voor een beperkte periode, zeer duidelijk afgelijnd, als het ware in afwachting van een betere.
Als ik het goed begrijp behoudt elke burger, en vooral elke bedienaar van de eredienst, als vrije onderzoeker, het recht om commentaar te leveren, publiek en vrijelijk, dat wil zeggen schriftelijk, op de vermeende dwalingen in alle bestaande instellingen?
Dat is juist. En een nieuw aangebrachte formulering kan wellicht zolang standhouden tot het algemeen inzicht in de grond van de zaak wijd verspreid en aanvaard is, ook al is het nog niet unaniem. Op dat moment zou men de zaak kunnen voorleggen aan de hoogste instanties en die gemeenten in bescherming nemen die voor zichzelf tot een nieuw religieus inzicht zijn gekomen, op grond van hun beste inzichten. Dat moet dan wel gebeuren zonder hinder voor de anderen, die trouw willen blijven aan de bestaande regeling. Maar wat niet kan is dat men zich zou verenigen in een permanente religieuze organisatie die niet onderhevig zou zijn aan enige twijfel vanuit het publieke forum, zelfs al was het maar gedurende de levensduur van één mens. Op die manier zou men immers een hele periode onvruchtbaar maken voor positieve evoluties van de mensheid en daardoor uiteindelijk werken in het nadeel van het nageslacht: dat is totaal uitgesloten.
Hoezo? Heeft een mens niet het recht om daarover zelf te beslissen?
Je moet het zo bekijken: enkel voor zichzelf, en dan nog voor slechts een korte tijd, kan een mens zijn inzicht in wat hij zou moeten weten, zijn verlichting, uitstellen. Maar het weigeren aan het nageslacht is niets anders dan een onrecht en het met voeten treden van de rechten van de mensheid. En wat een groep van mensen niet kan of mag beslissen voor zichzelf, kan nog veel minder aan hen opgelegd worden door een vorst, want diens wetgevende macht berust uitsluitend hierop, dat hij de algemene volkswil verenigt in de zijne. Hij moet er alleen op toezien dat de nieuwe verordeningen, of ze nu waarheidsgetrouw zijn of dat enkel pretenderen, in overeenstemming zijn met de openbare orde. Als dat zo is, dan kan hij het maar best aan zijn onderdanen overlaten om te doen en te laten wat zij nodig achten voor hun geestelijk welzijn.
Behoort dat dan niet tot zijn verantwoordelijkheid?
Nee, helemaal niet! Maar hij moet er wel voor zorgen dat de enen de anderen niet op een gewelddadige wijze hinderen bij het vaststellen en het bevorderen van hun welzijn, zoals zij dat het best achten. Het is voor een vorst veeleer een beperking van zijn macht indien hij zich zou mengen in deze zaken. Hij zal immers zijn eigen gezag kunnen evalueren aan de hand van de voorstellen die zijn onderdanen hem voorleggen. Hij kan dat doen, met groot inzicht, wanneer hij zichzelf de eis oplegt: Caesar non est supra grammaticos, Caesar staat niet boven de grammatici. Hij zou zijn macht nog veel meer in het gedrang brengen, wanneer hij zijn hoogste macht zou verlagen tot het ondersteunen van kerkelijk despotisme van sommige tirannen ten overstaan van andere onderdanen in zijn rijk.
Laten we terugkeren naar onze eerste vraag. Zou u stellen dat wij nu in een verlichte eeuw leven?
Mijn antwoord is: nee, maar wij leven wel in een tijdperk van verlichting. Zoals de zaken er nu voorstaan, is er nog heel wat dat ontbreekt en de mensen ervan weerhoudt om in staat te zijn, of het gemakkelijk te worden, om op een correcte manier en met zelfvertrouwen hun eigen verstand te gebruiken in religieuze kwesties, vrij van elke inmenging van buiten uit. Maar anderzijds zijn er duidelijke aanwijzigen dat dit domein eindelijk begint open te komen voor een vrije behandeling van deze materie en dat de hinderpalen voor algemene verlichting en voor de bevrijding uit de zelfopgelegde voogdij stilaan worden verwijderd. In die zin mogen we spreken van het tijdperk van de Verlichting, of de eeuw van Frederik de Grote.
Is hij dan een voorbeeld van een Verlichte Vorst?
Een prins die het niet beneden zijn waardigheid acht om van zichzelf te zeggen dat hij het zijn plicht acht om aan zijn onderdanen helemaal niets voor te schrijven op religieus gebied, maar om hen algemene vrijheid te gunnen, terwijl hij meteen verzaakt aan dat hoge woord: ‘tolerantie’, is waarlijk zelf een verlicht man en verdient de waardering van de dankbare wereld en van het nageslacht, als de eerste onder de vorsten die het mensdom heeft bevrijd van zijn voogdij en elke mens heeft vrij gelaten om van zijn verstand gebruik te maken in gewetenskwesties. Onder zijn beleid mogen eerbiedwaardige kerkelijke bedienaars, in hun rol als vrije onderzoekers, en zonder afbreuk te doen aan de plichten van hun ambt, vrijelijk hun uitspraken en inzichten voorleggen aan het oordeel van het publiek, ook als die hier en daar afwijken van het gevestigde geloof. Van een nog grotere vrijheid genieten zij, die niet beperkt worden door enig officieel ambt. Wat meer is: deze geest van vrijheid breidt zich uit tot andere landen, ook tot die waar hij de strijd moet aanbinden met hinderpalen opgericht door een regering die haar eigen belang niet inziet.
Wat bedoelt u met dat laatste?
Ons voorbeeld toont voor die andere regeringen aan dat in vrijheid geen enkel gevaar gelegen is voor de openbare orde of de stabiliteit van de samenleving. Mensen slagen er enkel in om zich te bevrijden uit de barbarij wanneer er geen bewuste artificiële hinderpalen worden opgeworpen om hen erin te houden.
Professor, wij hebben het nu vooral gehad, in ons gesprek over Verlichting, over religieuze kwesties. Is daar een speciale reden voor?
Zeer zeker. We hebben het over de bevrijding van mensen uit hun zelfopgelegde onvolwassenheid. Meteen moeten we vaststellen dat machtshebbers nauwelijks belangstelling hebben om zich als voogd op te werpen voor andere kwesties dan het religieuze, bijvoorbeeld kunst of wetenschap. Daarnaast is religieuze onwetendheid niet alleen de meest schadelijke maar ook de meest vernederende van al. Maar de gedachtegang van een vorst die zich wil inzetten voor religieuze verlichting gaat nog verder; hij ziet in dat er geen gevaar uitgaat voor zijn wetgevend werk als hij zijn onderdanen toelaat om in het publiek domein gebruik te maken van hun verstandelijke vermogens en om hun ideeën te publiceren over een betere formulering van zijn wetgeving en zelfs hun vrijmoedige kritiek op de wetten die hij al heeft uitgevaardigd. Op dat gebied hebben we een lichtend voorbeeld en er is geen andere vorst die hem overtreft die wij hier eren.
Maar is het wel noodzakelijk dat het land geleid wordt door een vorst?
Dat is duidelijk. Alleen iemand die zelf verlicht is, die niet bevreesd is voor schaduwen en die bovendien beschikt over een talrijk en goed gedisciplineerd leger kan zich veroorloven om te zeggen: Argumenteer zoveel als je wil en over al wat je wil, maar gehoorzaam! Een republiek zou het niet aandurven zoiets te zeggen… Daarmee komt een eigenaardig en onverwacht aspect van het mensdom naar voren, namelijk dat vrijwel steeds wanneer men de dingen van op enige afstand bekijkt, er iets paradoxaals verschijnt.
Hoezo?
Kijk: je zou verwachten een grotere vrijheid onder de burgers zou bijdragen tot een grotere vrijheid van denken onder de mensen, terwijl dat nu precies grotere beperkingen meebrengt, zoals in een republiek, waar alles kan en mag. Een mindere mate van vrijheid onder de mensen, daarentegen, biedt precies voor dat denken voldoende ruimte opdat eenieder zich tot zijn volle mogelijkheden zou kunnen ontplooien.
Maar ik kom tot mijn besluit. De natuur heeft onder een ruwe bolster de zachte pit bloot gemaakt die zij met de meeste tedere zorg omringt: de geneigdheid en de roeping van de mens om vrij na te denken. Dit weerspiegelt zich gaandeweg in de aard en het karakter van de mens, die zo meer en meer in staat is om ook vrij te gaan handelen. En ten slotte heeft dat ook zijn gevolgen voor de principes van het bestuur, dat ervaart dat het in zijn eigen voordeel is om de mensen, die nu veel meer zijn dan machines, te behandelen in overeenstemming met hun waardigheid.
Professor, wij danken u voor dit leerrijk, verlichtend gesprek.
Naar I. Kant, Was ist Aufklärung?, 1784
vertaling en vormelijke aanpassing © Karel D’huyvetters 2009