Scepsis


SCEPSIS is, je zal het wel vermoeden, geen woord met een Nederlandse stam. We weten ook niet goed hoe we het moeten uitspreken: Van Dale zegt dat zowel ‘sepsis’ als ‘skepsis’ mogen en wie ben ik dat ik me daartegen zou verzetten? Ik twijfel trouwens zelf ook af en toe: ik sta sceptisch tegenover de bereidheid van de Franstaligen om over Vlaamse autonomie te praten; zeg ja dan sk- of gewoon ‘septisch’? De aarzeling om die laatste uitspraak te gebruiken vindt wellicht haar oorsprong in die andere betekenis van septisch, die van de septische put. Ik schreef daarover deze tekst, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=330. We willen de mogelijke betekenisverwarring van de homoniemen (gelijkluidende woorden met een verschillende betekenis, mijt en meid en mijd) ver…mijden, evenals de moeilijkheid dat de betekenis van het woord niet eenduidig uit de uitspraak blijkt maar enkel uit de context kan afgeleid worden, gekozen uit twee of meer alternatieven. En dus verkiezen we de uitspraak met sk-. Meestal.
Met sk- is scepsis de Griekse uitspraak, van skepsis en van het werkwoord skeptomai. De betekenis van het werkwoord is in de eerste plaats: aandachtig toekijken, speuren; vervolgens ook (met het verstand) bekijken, onderzoeken, overwegen. De betekenis van het substantief volgt: het zien, de waarneming met de zintuigen, maar ook en vooral het onderzoek, de over- of afweging, bespiegeling, overpeinzing; vervolgens ook de aarzeling, twijfel. Het is in die laatste betekenis dat wij het woord hebben overgenomen. Als we iets nauwkeurig bekijken en om een of andere reden aarzelen, dan zijn we sceptisch. We zijn niet zonder meer overtuigd, er is iets dat ons doet twijfelen.
Een sceptische houding wordt vaak aangeprezen. Je moet immers niet alles geloven wat men probeert je wijs te maken. Zeker als men ons spectaculaire voordelen voorspiegelt, hebben we de neiging om te vragen: ben je wel zeker? Is dat wel zo? Zijn er geen nadelen aan verbonden? Wat staat er in de kleine lettertjes? Sceptisch zijn staat tegenover domme goedgelovigheid. Maar het is soms ook een verwijt: scepticisme staat dan gelijk met altijd en overal aan twijfelen, ook als daar geen aanleiding of reden toe is. Een scepticus is een twijfelaar en dat is geen compliment, een twijfelaar is nooit helemaal zeker en zo kan je niet leven. Gezonde argwaan is niet slecht, zeker als het over belangrijke zaken gaat, maar eeuwig twijfelen werkt verlammend, je moet ook kunnen beslissen. Wie altijd aarzelt, is niet spontaan en mist zo goede kansen. Met een obstinate twijfelaar valt niet te praten, met eeuwige twijfels kan je niet leven.
De mens heeft altijd geschipperd tussen de twee: spontane zekerheid en vertrouwen vs. argwaan en scepsis. De primitieve mens moest voortdurend beslissen en de keuze was zelden triviaal: het kon telkens gaan tussen leven en dood. Is die plant eetbaar of niet, medicinaal of giftig? Gaat dat dier aanvallen of niet? Is die andere mens vriend of vijand? Overleven hing in grote mate af van een juist inzicht, wie niet nadacht, niet kritisch was, niet goed oplette, niet voorzichtig was, niet twijfelde, was geen lang leven beschoren. De mens heeft geleerd om zijn verstand te gebruiken, heeft die mogelijkheid op een fenomenale manier uitgebouwd, ook fysiek, in een overmatige hoeveelheid hersenen en een relatief groot hoofd om die te herbergen. Een sceptische houding loont, evolutionair gezien.
Men kan twijfels koesteren over concrete dingen. Maar eens homo sapiens er was, met al zijn hersenen, ging die zich ook meer algemene vragen stellen. Als je een vis in het water ziet en je probeert die met een spies te vangen, dan moet je rekening houden met de straalbreking. Als je een stok in het water steekt, dan lijkt het alsof die stok vanaf het wateroppervlak een hoek maakt. Om dezelfde reden is de vis niet waar je hem ziet, maar net daarnaast, je moet er dus net naast mikken om hem te treffen. De dingen zijn niet altijd wat ze lijken, dat leer je met schade en schande. Vandaar dat filosofen zich al heel vroeg vragen gingen stellen over de wereld om ons heen. Aangezien we ons soms, vaak zelfs vergissen over wat we waarnemen, moeten we misschien afvragen of wij met onze zintuigen de wereld wel op een juiste manier ‘zien’. Is de wereld wel zoals hij aan ons voorkomt? Hoe is de wereld voor een blinde, een dove, een doof en blinde, een dier? Als de wereld anders is naargelang wie er kijkt, hoe is de wereld dan écht? Als iedereen de wereld anders ziet, blijft de echte, onveranderlijke wereld buiten ons bereik. We kunnen de echte wereld niet kennen, hij gaat onze kennis, ons begrip te boven, wat we zien is slechts schijn.
Over de Griekse sceptische filosofen zijn er uitdagend vreemde verhalen. Pyrrho van Elis (omstreeks -300, afbeelding), naar wie het pyrronisme genoemd is, de filosofische strekking van de twijfelaars, zou zelfs niet gereageerd hebben op het hulpgeroep van zijn leermeester Anaxarchus toen die in het water gesukkeld was: hoe kon hij er zeker van zijn dat het zijn meester was? Dat hij echt in het water lag? Dat wat hij hoorde hulpgeroep was? We moeten dat lezen als een filosofisch argument, niet als een anekdote, een waar gebeurd verhaal. Indien men echt aan alles zou twijfelen, dan is enkel de dood nog mogelijk. Wat men bedoelde is: je mag nooit, nergens helemaal zeker van zijn, alles is onzeker, vertrouw nooit voor de volle honderd percent op een waarneming, een indruk, een overtuiging. Als we ons kunnen losmaken van al die onbetrouwbare gegevens die op ons afkomen en waarvan we onmogelijk kunnen weten of ze goed of slecht zijn voor ons, dan pas zullen we een onbezorgde, twijfelloze, zekere gemoedsrust vinden.
Latere Hellenistische filosofen formuleerden hun kritiek op de filosofie van Plato en Aristoteles met vragen als: hoe kan je zo zeker zijn van wat je zegt? Hoe kan je weten dat alles echt zo is als je denkt en uitlegt? Moet je niet ook aan je diepste overtuigingen en je meest scherpzinnige verklaringen twijfelen? (Veel later, helaas, zou blijken dat er inderdaad voldoende reden was om aan allerlei vaste opvattingen te twijfelen, al was het maar de voorstelling als zou de zon om de aarde draaien en niet andersom). Sextus Empiricus leefde waarschijnlijk rond het jaar 200 ergens in het oosten van het Romeinse rijk. Hij schreef enkele werken waarin hij het pyrronisme of het scepticisme beschrijft en aanprijst. Men wordt scepticus omdat men verlangt naar een gelukkig leven. Door niet voor een of ander (extreem, eenzijdig) standpunt te kiezen, vermijdt men valse oplossingen en schone schijn en zo kan men een toestand bereiken waarin men bevrijd is van alle kommer en kwel. Het geluk ligt dus in een houding waarbij men veeleer het oordeel opschort, dan in kiezen voor een of andere van de vele mogelijkheden die er voor alles en nog wat zijn. De gemoedsrust bereiken we door ons niet (te veel) te verlaten op de veelheid van indrukken die de wereld op ons maakt. Er is immers geen vaste maatstaf voor de dingen, geen manier om eens en voor altijd uit te maken wie er gelijk heeft, er zijn altijd verscheidene aspecten en verschillende benaderingen mogelijk, die allemaal hun verdedigers hebben.
We kunnen ons echter de vraag stellen of de grond onder deze sceptische benadering wel vast genoeg is. Het is waar, we kunnen ons vergissen, de dingen blijken inderdaad soms, vaak zelfs, of misschien op de duur wel meestal anders te zijn dan we denken. Maar het is een grote sprong naar een extreme houding waarin we zeggen dat we de dingen zoals ze echt zijn helemaal niet kunnen kennen. Het is zeker dat er over ongeveer alles discussie is, maar daarom moet je nog niet meteen gaan zeggen dat er ook een reële werkelijkheid is, los van alle verschillen en die voor elk van ons verborgen blijft, die wij slechts vaag kunnen zien en slechts heel gedeeltelijk en onvolkomen kunnen benaderen.
Is er immers wel een wereld als er geen waarnemers zijn? Zelfs als die er al zou zijn, dan zou het geen enkele zin hebben om erover te spreken, want er zou niemand of niets zijn voor wie die wereld zin zou hebben, niemand om erover te spreken en niemand om te luisteren. Elke uitspraak daarover zou volkomen absurd zijn. We moeten dus altijd spreken over een wereld die zich manifesteert aan iemand, het ‘zijn’ is een ontmoeting, een gezamenlijk bestaan, waarbij de beide partners noodzakelijk zijn. Er is met andere woorden geen objectieve, abstracte, zogezegd echte wereld, met echte, objectieve en onveranderlijke kenmerken, die we op een of andere manier moeten weten te doorgronden. Er is alleen de concrete, variabele, facetrijke, veelvormige, onuitputtelijk verschillende wereld van alle mensen en dieren die er ooit geweest zijn en ooit zullen zijn.
Het standpunt van het scepticisme is gesteund op het verschil tussen de wereld zoals hij voorkomt voor de mens en de wereld zoals hij op zichzelf is. We zagen dat dit een zinloos, absurd onderscheid is. Maar anderzijds is een gezonde sceptische houding wel degelijk nuttig én filosofisch verantwoord. Als er namelijk geen ‘objectieve’, eeuwig stabiele wereld is met onveranderlijke kenmerken (die we vreemd genoeg tóch zouden kunnen ontdekken), en enkel een veelvoudig subjectieve wereld met eindeloos veel wisselende aspecten, dan is er ook geen plaats voor absolute uitspraken, voor onweerlegbare vaststellingen. Dat is ook het besluit waartoe de wetenschapsfilosofie gekomen is: wetenschap is ook ‘maar’ een voorlopige benadering, gekleurd door het standpunt van de waarnemer. De uitspraak: alle zwanen zijn wit en alle kraaien zijn zwart gaat maar op tot men inderdaad zwarte zwanen en grijze kraaien ontdekt. Maar we doen het ondertussen wel met de algemene regels die we ontmoeten en we kunnen erop verder bouwen, als we maar steeds beseffen dat het geen absolute maar slechts tijdelijk geldende regels zijn, tot we ze onder druk van de waarnemingen en nieuwe inzichten moeten herzien of zelfs helemaal laten vallen en andere paradigmata of wetenschapsmodellen moeten uitwerken en aanvaarden.
Praktisch gezien houdt dit sceptisch relativisme nuttige, ja broodnodige levenslessen in voor de moderne mens. Wij beseffen elke dag meer dat we leven in een multiculturele wereld, dat mensen verschillend zijn en niet alleen die van andere culturen, nee, ook binnen een bepaalde cultuur zijn er ontelbare schakeringen. Het model ‘mens’ komt voor in meer dan zes miljard nu levende mensen en misschien wel 100 miljard ooit geleefd hebbende exemplaren, van wie er geen twee identiek zijn of waren. De woorden die wij gebruiken in al onze talen hebben voor werkelijk iedereen een andere, persoonlijk gekleurde betekenis, die in schakeringen of essentieel kan verschillen voor elke mens: vrijheid, democratie, God, geluk, liefde, waarheid… Er is geen enkel ‘model’ van mens dat de voorkeur verdient boven een ander: al de kleuren en formaten zijn evenwaardig, de relatieve verschillen veranderen niets aan het feit dat het allemaal mensen zijn die genieten van dezelfde basisrechten. Er zijn geen absolute waarheden die moeten opgelegd of verdedigd worden. Niemand mag anderen regels opleggen die een inbreuk betekenen op die elementaire mensenrechten en de persoonlijke vrijheid. Niemand kan voor iemand anders bepalen waarin het geluk gelegen is, niemand mag anderen dwingen om dingen te doen die in strijd zijn met hun rechten als individu of als groep, of hen weerhouden van het rechtmatig nastreven van het eigen geluk.
Wij zijn vrije individuen, geroepen om samen te leven in solidariteit.

















