Raga rage


Raga rage
Niet zo hip als een Humo-titel, en dus is er wat uitleg nodig. Een rage (van het Frans, letterlijk ‘razernij’) is een bevlieging, een trend, een modeverschijnsel: de ouderen onder ons herinneren zich de hoelahoep, de hotpants; nu zijn het piercings en tatoo’s. Maar wat is een raga?
Ook dat was ooit een bevlieging. Misschien waren het wel de Beatles die de muziek en levensfilosofie van India voor het grote publiek bekend maakten (om nog te zwijgen van weed); plots wist iedereen wat een goeroe was en yoga was in. Terwijl heel wat van die Indische invloeden opgenomen zijn in onze algemene multi-cultuur, blijft de Indische muziek voor de meesten onder ons toch vrij onbekend. Reden genoeg om erover te schrijven, en nog beter, ernaar te luisteren.
Misschien eerst in het kort iets algemeens over tonen, noten en klanken. Wij horen klanken op verschillende toonhoogten: de ene klinkt 'hoger' dan de andere, dat is zelfs voor een absolute leek duidelijk. Zoals voor alle meetsystemen heeft men ook voor die toonhoogte een maat uitgedacht, vergelijkbaar met centimeters en kilogrammen: de Hertz, het aantal trillingen per seconde. Klanken komen tot onze oren als regelmatige luchttrillingen en die trillingen kunnen trager of rapper gaan. De traagste horen we als laag, de snelste als hoog. Er zijn er ook die we niet horen omdat ze te laag of te hoog zijn. In onze jeugd horen we trillingen vanaf ongeveer 20 Hz tot ongeveer 16.000 Hz of 16 kHz. Je kent dit wel van de uitleg bij stereoversterkers en luidsprekers. Van 20 tot 16.000, dat lijkt enorm. Horen we dan zoveel verschillende toonhoogten? Nee, dat zou nog straffer zijn dan de Eskimo’s die honderd woorden hebben voor sneeuw (dit is een fabeltje, trouwens, ze hebben er niet meer voor dan wij).
Jij en ik kunnen ongeveer 850 verschillende toonhoogten onderscheiden, een geoefend musicus kan zelfs tot 1.500 tonen herkennen. Beneden de 50 Hz vinden we zeer laag: de dikste snaren van een basgitaar, lage drums, boven 10 kHz vinden we zeer hoog: violen, de hoogste noten op een elektrische gitaar, een triangeltje. Tussen 200 en 500 Hz vinden we ‘normaal’, ons dagelijks praten. Gebruiken we in de muziek al die verschillende tonen? Nee dus. Welke dan wel, en waarom? Er is in de muziek, of in de akoestiek, als je wil, een zeer eigenaardig verschijnsel, dat in alle toonsystemen voorkomt, namelijk het octaaf. Als je twee verschillende tonen neemt, waarvan de trillingen de helft of het dubbel zijn van de andere, dan ‘klinken’ die zelfs voor een niet-musicaal oor 'eender'. Een toon met 440 trillingen en een van 880 of 220 klinken dus op een of andere manier zeer gelijkend op elkaar, zoals geen twee andere. Als je ze samen zingt of speelt, dan hoor je nauwelijks dat er meer dan een toon is. Waarom neem ik nu precies 440 als voorbeeld? Het is de ‘la’, de ‘A’ van ons Westers muzieksysteem. Over vele eeuwen heen heeft die la wat hoger en (vooral) wat lager geklonken, maar nu is het meestal 440. Als je een moderne concertvleugel neemt, de grootste piano dus, dan lopen de noten van 27,5 Hz tot boven de 3520 Hz.
Tussen zo’n twee gelijk klinkende noten zijn er in ons Westers systeem zeven toonafstanden vastgelegd. De tonen die we gebruiken hebben we een naam gegeven, denk aan de Sound of Music: do re mi fa sol la si do. De hoge en de lage do klinken dus eender, maar ook twee la’s uit de reeks la si do re mi fa sol la. Van do tot do of van la tot la zijn er dus acht noten, acht in het Latijn is octo, de achtste noot is de octava, vandaar het octaaf. Wat heeft dat nu allemaal te maken met Indische muziek, en wat is een raga? Nog even geduld...
Wij horen dus voortdurend dezelfde tonen en we raken eraan gewoon. Onze muziekinstrumenten en onze zangers gebruiken immers steeds dezelfde selectie van tonen, de noten van ons systeem, die altijd even hoog of laag klinken. Al snel ontdekte men dat er tussen die ‘bekende’ noten nog andere konden geschoven worden; men zegt dat die een halve toon hoger of lager liggen dan de zeven bekende noten en men duidt die aan met een b (een halve toon lager, een mol) of een # (een kruis, een halve toon hoger); op de piano zijn dat de zwarte toetsen. Met die halve tonen wordt de verzameling bruikbare tonen natuurlijk veel groter, namelijk 12 toonafstanden of noten binnen één octaaf, en de muziek veel kleurrijker en gevarieerder. Een piano gebruikt acht octaven, dus 96 tonen. Een groot symfonisch orkest of een rockband doen het met diezelfde 96 noten.
Indische muziek klinkt anders dan Westerse. Waarom? Omdat ze met andere tonen werken. Ze kennen ook het octaaf, dat is een universeel verschijnsel, zoals we al zeiden; ze kennen ook de indeling in zeven toonafstanden: hun sa ri ga ma pa dha ni zijn onze doremifasollasi en ze kennen ook de 12 halve tonen. Waar zit dan het verschil?
Om te beginnen is in de Indische muziek de toonhoogte van de la niet echt vastgelegd op 440 Hz. Er is dus verschil van zanger tot zanger en van instrument tot instrument en van dag tot dag. Al de toonhoogten en dus al de noten klinken net een beetje anders dan wat we gewoon zijn. Bovendien wordt een octaaf verder opgedeeld in 22 min of meer evenwaardige toonafstanden, dus toonafstanden die nog kleiner zijn dan onze halve noten.
Al die dingen hebben mooie Indische namen, maar ik probeer die zoveel als mogelijk te vermijden; ik hoop immers dat je blijft lezen… Ook de afstand tussen twee noten is dus verschillend, wat nog eens minder vertrouwde klanken oplevert. Als je die verschillende klanken na elkaar speelt en je gebruikt daarbij toonafstanden, bijvoorbeeld tussen de 1ste en de 13de van die 22 noten, die in het Westen niet echt gebruikelijk zijn (daar ga je bijvoorbeeld van de 1ste, do, naar sol, de 5de van de zeven, of naar de 11de van de 12, do b), dan krijg je wel wat rare toestanden, ten minste voor onze oren.
Net zoals wij onze muziek in toonladders hebben ingedeeld (doremifasollasido), hebben zij al de beschikbare noten ingedeeld in groepen die ze gebruiken in een bepaald muziekstuk. Zo’n groepje noten, ten minste 5, is de basis van een raga. We zeggen: de basis van een raga, want die vijf noten kunnen gebruikt worden in drie octaven (het bereik van een -zeer goede- zanger), in verschillende opeenvolging en met een massa kleine nuances van verhoging en verlaging van elke noot.
En dan is er het ritme, je weet wel: eentweedrie van de wals, eentwee-eentwee van een mars etc. Ook wij kennen meer ingewikkelde ritmes, denk aan Dave Brubeck’s Take five, dat in 5/4 maat geschreven is, dus 12345, of tutudududu, niet simpel maar het went. Indische muziek gebruikt die ingewikkelde ritmes voortdurend, meestal binnen een algemeen schema van 16 beats of tijden.
En dan zijn er de instrumenten.
Ook die verschillen van wat wij gewoon zijn, al zijn de principes vaak dezelfde. Je hebt tokkelinstrumenten, zoals onze gitaar of banjo: in India zijn dat de vina, de sarod en de bekende sitar en ook de tambura; strijkinstrumenten zoals onze viool: de sarangi en de esraj, blaasinstrumenten zoals de dwarsfluit en de blokfluit en slaginstrumenten zoals onze trommel: de tabla.
De snaarinstrumenten hebben vaak naast de snaren die getokkeld of gestreken worden een vrij groot aantal snaren die spontaan meetrillen en zo een heel specifiek en complex timbre geven. De tambura dient als achtergrond, de ‘dreun’, een vrij eentonige begeleiding die zorgt voor een volle klank van het ensemble; soms gebruikt men ook een heel eenvoudig mini-harmoniumpje, een soort van accordeon op zijn rug.
De tabla, eigenlijk twee kleine drums, worden zo behendig bespeeld dat ze bijna ‘spreken’, zo gevarieerd is de toonhoogte, de klankkleur en het ritme. De snaarinstrumenten worden gespeeld met heel veel glissando, dus met glijdende vingers, zoals de elektrische gitaar, vooral de bottleneck in country & western, en met sterk vibrato, dus met bevende vingers, zoals op een moderne viool. De menselijke stem is in feite ook een instrument, misschien zelfs het mooiste, met de meeste mogelijkheden voor intonatie en subtiele schakeringen. De solo-instrumenten die we vernoemden imiteren vaak de zangers en zangeressen, die op hun beurt vaak de instrumenten nabootsen.
Een raga is traditioneel geschikt voor een bepaald uur van de dag, een bepaald seizoen, heeft een specifieke stemming, zoals nostalgie of vreugde, verwijst naar een kleur, is aan een bepaalde godheid gewijd, aan een bepaald element, zoals vuur, of aarde, zelfs aan een bepaalde planeet. Er zijn gedichten voor elke raga en zelfs erotische situaties, die dan in raga-schilderijen worden weergegeven. Raga’s hebben elk een eigen poëtische naam. Traditioneel wordt hun aantal op 132 gezet, maar dat is maar een van de vele voorbeelden van de theorieën over raga’s die in India sinds eeuwen geliefd zijn, maar overigens ongeveer zo nuttig als theologie voor de gewone gelovige, of de OVAM-voorschriften voor de milieubewuste consument. Het minst gelezen boek van de moderne tijd, James Joyce’s ‘Ulysses’ is op een even complexe manier geschreven, maar kan rustig (nou ja) zonder die kennis gelezen worden, zegt men.
Een ensemble voor Indiase muziek is meestal bescheiden van omvang: een solist, meer bepaald een zanger of een speler van een van de snaarinstrumenten of een fluit, met daarnaast een slagwerker en tamburabegeleiding; er is dus geen echt orkest zoals bij onze symfonische muziek, het lijkt meer op een rockband.
Een uitvoering begint meestal met een voorstelling van de noten en de melodie die in deze raga zal gebruikt worden, aarzelend langzaam, zonder veel duidelijk ritme, alsof de solist zijn weg zoekt in de doolhof van mogelijkheden. Stilaan komt hij (of zij, maar minder vaak…) op dreef, het ritme wordt duidelijk en vrij strak aangehouden, steeds meer meeslepend. Ongeveer halverwege komt het slagwerk erbij, eerst even aarzelend, gewoon het ritme benadrukkend, daarna steeds meer gevarieerd en een eigen verhaal vertellend; nog verder treden die twee in dialoog, elkaar imiterend, ook in klankkleur, met elkaar wedijverend in snelheid en vindingrijkheid en dat komt tot een climax van verhit samenspel zeer luidruchtig, spetterend, ongemeen virtuoos, bezielend, met de muzikanten en het publiek in extase, wat dan meestal eindigt zoals een kermisvuurwerk, met de mooiste kleuren, de hardste knallen en de snelste versieringen. Een raga kan een half uur duren, maar ook een hele nacht, echt waar.
Men speelt al eeuwen raga’s; sommige van de oudste zijn bewaard gebleven en worden nog steeds gespeeld, zoals onze Middeleeuwse liederen; vele andere zijn verdwenen in de mist van de tijd, andere zijn honderden jaren onder het stof bedolven geweest en komen dan even fris terug aan bod; nieuwe raga’s worden nog dagelijks gemaakt.
De muziek wordt niet opgeschreven, want Indische muziek heeft geen echt notenschrift; je bent in de leer bij een meester die je alles voordoet, en je leert bepaalde melodieën en ritmes van buiten, zoals vroeger in de jazz, en op een dag is het jouw beurt om te tonen wat je kan, en dan laat je zien wat je geleerd hebt en wat er zelf mee kan doen. Een begenadigde zanger die ik ooit mocht horen op een uitvoering in een klaslokaal van de Leuvense Universiteit zei in zijn dankwoordje dat hij de muziek in zijn hoofd hoorde als een eindeloos verhaal van ongekende mogelijkheden, en dat hij ervan droomde om ooit op een dag die complexe muziek zo mooi te brengen als hij ze in zijn geest voor zich zag. Indische muzikanten zijn solisten, individualisten, ze improviseren, bewaren en vernieuwen, grijpen je aan, ontroeren, zwepen je op, laten je nooit onberoerd.
Indische muziek is in het Westen bekend geworden, ook bij het grote publiek. De eerste muzikant die hier doorbrak was Ravi Shankar, de sitarspeler. Zijn samenwerking met Westerse muzikanten, zowel pop als klassiek, is niet altijd even gelukkig geweest en wordt door specialisten wat meewarig aangekeken. Anderen, zoals de onlangs overleden zanger Nusrat Ali Kahn en Hariprasad Chaurasia op fluit, slaagden erin grote massa’s te bezielen met klassieke uitvoeringen van hun oorspronkelijke muziek.
Je vindt goede artikels over Indische muziek in algemene encyclopedieën en in specifieke muziekencyclopedieën. Ik vond verscheidene goede Cd’s in de betere platenzaak, ook tweedehands en de mediatheken hebben meestal wel een vrij behoorlijk aanbod. Nimbus Records publiceerde The Raga Guide (Ni5536/9), een boek met 4 Cd’s en meer uitleg dan je ooit nodig zal hebben…
(2 februari 2006)



















