
In de vorige aflevering kon je hier het verhaal lezen van Esau en Jacob. Laten we daarop wat dieper ingaan.
We beginnen bij de geboorte van de tweelingen, of zelfs nog vroeger, want er waren al lang tevoren problemen. Het huwelijk van Isaac en Rebecca bleef lang kinderloos; de Bijbel zegt dat Rebecca onvruchtbaar was, maar aangezien er geen informatie is over eventuele kinderen die Isaac zou gehad hebben bij andere vrouwen, kunnen we evengoed aannemen dat het Isaac was die onvruchtbaar was. Onvruchtbaarheid was trouwens al eerder een probleem in de familie: Abraham, Isaacs vader, had voor zijn honderdste verjaardag geen kinderen bij zijn vrouw Sarah; omdat zij niet wenste dat Abraham zonder nakomelingen zou blijven – hoe kon dan Gods belofte waargemaakt worden dat hij een talrijk nageslacht zou krijgen? - gaf zij haar Egyptische slavin Hagar als vrouw aan Abraham. Toen Hagar zwanger werd, zorgde dat voor spanning in het gezin, want Hagar misprees haar vroegere meesteres.
Toen Sarah daarover haar beklag maakte bij haar man, zei die: het is uw slaaf, doe ermee wat je wil. Daarop begon Sarah Hagar zo te pesten, dat ze de vlucht nam (Genesis 16).
7 Een engel van de HEER trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. 8 ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres,’ antwoordde ze. 9 ‘Ga naar je meesteres terug,’ zei de engel van de HEER, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ 10 En hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. 11 Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. 12 Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ 13 Toen riep zij de HEER, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien. Want,’ zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’ 14 Daaraan dankt de bron die daar is zijn naam, Lachai-Roï; (Lachai-Roï kan worden vertaald als ‘[bron] van de Levende die mij ziet’); hij ligt tussen Kades en Bered.
15 Hagar bracht een zoon ter wereld, en Abram noemde de zoon die zij hem gebaard had Ismaël. 16 Abram was zesentachtig jaar toen Hagar hem Ismaël baarde.
Pas toen Abraham al honderd jaar was en zijn vrouw waarschijnlijk niet veel jonger, werd tegen alle verwachtingen in toch nog een legitieme zoon geboren, Isaac. De onvruchtbaarheid van Sarah is allicht genetisch te verklaren: zij was de halfzuster van Abraham, de dochter van zijn vader, maar niet van zijn moeder (Gen. 20, 12); hij stelde haar ook overal voor als zijn zuster, veeleer dan als zijn onvruchtbare echtgenote, tot ze uiteindelijk op hoge leeftijd zwanger werd.
In de tekst hierboven staan er enkele verrassende uitspraken. God neemt het op voor een slavin die door haar meesteres gepest en verstoten is. Hij doet haar zelfs dezelfde belofte die hij eerder al aan Abraham had gedaan, namelijk een groot nageslacht; God maakt met andere woorden op dat punt geen onderscheid tussen de kinderen van Abraham. Hij zal dat later nog eens doen, want na de geboorte van Isaac werd het conflict met Sarah weer erger (Gen. 21, 9-20).
9 Sara zag dat de zoon die Abraham bij Hagar, haar Egyptische slavin, had gekregen, spottend lachte. 10 Daarom zei ze tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin.’ 11 Dit voorstel beviel Abraham allerminst; het ging immers om zijn eigen zoon. 12 Maar God zei tegen hem: ‘Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht. 13 Maar ook uit de zoon van je slavin zal ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is.’
14 De volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, legde dat op Hagars schouder, gaf haar ook het kind mee en stuurde haar weg. Ze trok de woestijn van Berseba in en doolde daar rond. 15 Toen het water uit de zak op was, liet ze haar kind onder een struik achter. 16 Zelf ging ze een eindje verderop zitten, op een boogschot afstand, omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. En terwijl ze daar zo zat, huilde ze bittere tranen. 17 Maar God hoorde de jongen kermen, en een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen, gehoord. 18 Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen.’ 19 Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput. Ze liep ernaartoe, vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken.
20 God beschermde de jongen, zodat hij voorspoedig opgroeide. Hij leefde als boogschutter in de woestijn. 21 Hij ging in de woestijn van Paran wonen, en zijn moeder koos een Egyptische vrouw voor hem uit.
Er zijn nog meer opvallende elementen in de tekst over de eerste ontmoeting met de engel in de woestijn. De zoon moet Ismaël genoemd worden. Het zal al duidelijk zijn dat ‘El’ de naam van God is in allerlei samenstellingen. ‘Isma’ in het Hebreeuws betekent luisteren, dus God luistert. De gelijkenis met het verhaal van Jacob is duidelijk: daar krijgt Jacob de naam Israël. Dit is wat Hagar zegt: ‘U bent een God van het zien. Want,’ zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’. Vergelijk met wat Jacob zei: ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’ En nog: dit zegt Jacob bij zijn ontmoeting met Esau: ‘…want oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend’.
Het verhaal over de twee zonen, de ene legitiem, de andere een bastaard die er bovendien helemaal anders uitziet, veel ruwer, behaard, ‘een woestijnezel’, een‘boogschutter’ of een jager, doet ons vanzelfsprekend denken aan Esau en Jacob. Esau zag er al van bij zijn geboorte opvallend anders uit: fel behaard en rosharig. Ook hij groeide op tot een ‘buitenmens’, een jager. Jacob was iemand die graag in de tenten vertoefde, een cultuurmens.
Hun vijandschap begint al in de moederschoot, waar ze al met elkaar worstelen, misschien wel om als eerste geboren te worden. Esau haalt het, wegens zijn grotere kracht, maar toch maar nipt: Jacob volgt hem op de voet, hij houdt zijn broers hiel vast.
De houding van de beide moeders in kwestie, Sarah en Rebecca, is treffend: beide nemen het op voor de beschaafde zoon. In het geval van Sarah is dat nog enigszins te begrijpen: het gaat om een bastaard, maar was het niet zij zelf die aan Abraham voorstelde dat hij bij haar slavin de zoon zou verwekken die zij hem niet kon schenken? Rebecca heeft geen andere redenen om Jacob boven Esau te verkiezen dan zijn uiterlijk en zijn aard: beide zijn haar legitieme zonen en Esau is rechtens de oudste, dus de erfgenaam, zij heeft dus geen enkele goede reden om het voor Jacob op te nemen. Misschien is haar onheus gedrag tegenover Esau te verklaren vanuit de vrees dat de kinderen van Esau zijn vreemde uiterlijk en zijn onbeschaafd gedrag zouden overerven. Dat kan de reden zijn waarom ze op een slinkse, ja, misdadige manier Jacob tot erfgenaam probeert te laten maken.
Richten we nu ons aandacht op het gevecht van Jacob met de engel.
Vooreerst moeten we een correctie aanbrengen: nergens in de tekst is er sprake van een ‘engel’ die met Jacob zou vechten. De Hebreeuwse tekst gebruikt het woord ‘ish’, een man, iemand. Op een andere plaats is dit ook de term waarmee naar Jacob zelf verwezen wordt. Een engel (ma’lak) is het dus niet. Het is vooral de vertaling als ‘angelus’ in de hertaling van de Bijbel door Flavius Josephus (37-c.100) die verantwoordelijk is voor onze versie ‘gevecht met de engel’. Maar ook de Joodse traditie spreekt vrijwel uitsluitend van een engel, waarmee meestal de engelbewaarder of bewaarengel van Esau bedoeld wordt.
Het blijft echter onduidelijk wie die ‘iemand’ was die plots opduikt in de nacht en tot de morgen vecht met de eenzame Jacob. We kunnen het voorstellen als zou Jacob vooral een innerlijke tweestrijd uitgevochten hebben: wat stond hem te doen? Twintig jaar tevoren was hij het ouderlijk huis en de haat van zijn tweelingbroer ontvlucht, nadat hij hem zijn recht als erfgenaam had ontstolen. Nu was hij weer op weg naar huis en zijn broer kwam hem tegemoet met zijn leger(tje), er wachtte hem dus een harde confrontatie, waarbij hij opnieuw kon verjaagd worden of zelfs gedood; in het andere, onwaarschijnlijke geval dat hij de veel sterkere Esau zou verslaan, zou hij zijn misdaad herhalen en eventueel zelfs zijn eigen broeder doden. Dat zou hun beider moeder misschien wel zinnen, maar ongetwijfeld niet hun vader, die oud en gebrekkig was en die weldra zou sterven.
In een poging om de confrontatie te vermijden had hij zijn knechten vooruit gezonden met ruime geschenken voor Esau, om hem goed te stemmen en om een verzoening te bewerken. Hoe zou Esau reageren?
Het was een moeilijke beslissing. Jacob twijfelde en stak de stroom niet over, hij was nog niet zeker dat hij ermee wou doorgaan, misschien was het toch maar beter om rechtsomkeert te maken en een andere plek uit te zoeken om een nederzetting te beginnen.
In die nacht kwam er dus ‘iemand’ die Jacob uitdaagde en de twee vochten een onbesliste strijd tot de morgen. Is dit een beeldspraak voor de innerlijke tweestrijd van Jacob? Was het een gevecht tussen zijn betere, verzoenende ik, de wijze, volwassen Jacob, de patriarch, die inzag dat hij oneerlijk was geweest tegenover zijn broer en dat hij zijn vader had bedrogen, zij het met de hulp van zijn moeder, en de ambitieuze jonge en ongehuwde Jacob van twintig jaar geleden?
Is dat de reden waarom de tekst spreekt van een ‘ish’, een term die ook op Jacob zelf slaat, was het dus een gevecht met zichzelf?
Was het, in Jungiaanse termen, het gevecht van Jacob met zijn schaduw, zijn verdrongen ego?
Was het de voortzetting van een gevecht, een worsteling om het primaatschap die al begonnen was in de schoot van hun moeder, Rebecca? Was het met andere woorden een nachtelijke ontmoeting tussen de beide broers, was het Esau zelf die bij nacht Jacob overviel, een tactiek die de Joden herhaaldelijk en met veel succes hadden gebruikt? Is dat wat de Joodse literatuur later bedoelde toen ze zei dat het de engelbewaarder van Esau was die met Jacob vocht?
Is een gevecht van tweelingen, zelfs als ze niet op elkaar lijken, niet altijd een gevecht met henzelf? En moet een gevecht tussen tweelingen niet steeds onbeslist eindigen?
We kunnen het gevecht ook zien als een strijd met God zelf. Dat kunnen we afleiden uit de tekst, die zegt immers dat Jacob ‘met God en mensen heeft gestreden en heeft gewonnen’. Het was inderdaad God zelf die Jacob deed vluchten, die hem hielp tijdens zijn twintigjarige ballingschap en die hem uiteindelijk beval terug te keren. Heeft Jacob zich in die nacht tot God gericht en hem ter verantwoording geroepen, hem uitgedaagd? Het viel me ook op dat in de vertaling Jacob zijn tegenstander consequent met ‘u’ aanspreekt en de tegenstander hem met ‘je’.
Het vreemde in die interpretatie is dat God Jacob niet overwint, wat toch voor de hand ligt. Dat wijst erop dat het inderdaad geen echte, letterlijke worsteling was maar een confrontatie, een botsing van wilskracht.
Toen de belager inzag dat Jacob hem te sterk was, raakte hij in de worsteling Jacobs heup aan, waardoor ze ontwricht werd. Wat moeten we daarover denken? Was dat een slag onder de gordel die de dader diskwalificeerde en het slachtoffer hulpeloos maar onoverwonnen liet? Het was een ‘aanraking’, maar die Jacobs heup ontwrichte zodat hij mankte, misschien wel voor de rest van zijn leven (Gen. 32, 32). Blijkt daaruit ook niet de overmacht van de tegenstander, die met een simpele aanraking iemands heup ontwricht?
Maar nog geeft Jacob zich niet gewonnen. ‘Laat me gaan, zegt de ‘iemand’, het wordt al dag. Dat is een element uit de sprookjeswereld van alle tijden en alle landen: geesten, duivels en figuren uit de onderwereld zijn alleen zichtbaar tijdens de nacht of kunnen alleen dan optreden; als ze nog op aarde rondlopen wanneer de haan kraait of wanneer de zon opkomt, dan zijn ze verloren. De tegenstander is dus niet zomaar een ‘man’, een mens.
Jacob heeft hem in een houdgreep en weigert, hij heeft dus op een of andere manier macht over zijn tegenstander. En wat doet hij? Hij eist dat de nachtelijke bezoeker hem zegent! Wat een vreemde vraag… Jacob heeft al twee keer de zegen van zijn vader gekregen of gestolen, de eerste keer valselijk, de tweede keer van ganser harte, net voor zijn vlucht. Als de tegenstander Esau zelf is, dan eist hij nu van de benadeelde zelf dat die hem zegent, dat hij dus instemt met de diefstal en het bedrog en toegeeft dat niet hij, Esau ondanks alles de oudste is en de wettige erfgenaam, maar wel Jacob, die hij niet heeft kunnen verslaan.
Of moeten we het interpreteren als een gelijk spel, waarin beide tegenstanders toegeven dat er geen overwinnaar is, dat ze allebei gelijke rechten hebben? Dat lijkt waarschijnlijker, als we het vervolg van het verhaal bekijken: Jacob vestigt zich ergens in de buurt van Esau, maar niet op diens land, ze leven verder naast elkaar.
En dan is er die slotpassage, waarin Jacob vraagt: zeg mij uw naam! Het antwoord is: waarom moet je mijn naam nog vragen? Daarop zegent de nachtelijke tegenstander Jacob. We weten nu helemaal niet meer wie de vreemde ‘ish’ is. Jacob weet het niet, anders zou hij het niet vragen. Maar de andere riposteert: waarom vraag je het? Je weet het toch?... Of Jacob zou het moeten weten, precies door dat antwoord. Of door het feit dat de andere hem zegent? Wat moeten we daarvan maken?
Ofwel bedoelt de auteur van het verhaal dat hij al genoeg aanwijzingen gegeven heeft in de loop van het verhaal. Dan kunnen we denken aan Esau (of zijn bewaarengel). Het kan ook zijn dat er geen naam is: de Joden mochten de naam van God niet gebruiken, dus als de tegenstander God is, dan mag die naam niet gezegd worden, dat moet Jacob toch weten? Ook als Jacob met zichzelf vocht, heeft de vraag zin: waarom vraag je naar je eigen naam, die ken je toch?
De onbekende vraagt vervolgens ook Jacob naar zijn naam, niet zozeer omdat hij die niet kent: hij is immers niet zomaar in de nacht op Jacob afgekomen, hij moet geweten hebben wie het was. Nee, het is slechts een aanleiding om Jacob een andere naam te geven, een die wijst op zijn strijd met God en mens en op het feit dat hij daarin de overwinning heeft behaald.
Het is een strijdbare naam, voor eeuwig verbonden met een volk, een land en een godsdienst, Israël, een teken van tegenspraak, een steen des aanstoots voor de volkeren, een bloedrode smet op de banieren van de westerse beschaving, een blijvend schrijnend verwijt voor drieduizend jaar bittere strijd, ballingschap, diaspora en vervolging, een dreigende waarschuwing tegen alle racisme en onrechtvaardigheid.
Het laatste gebaar in de nachtelijke ontmoeting is de zegening. Ook hieruit blijkt niet zonder meer wie de onbekende is. Jacob kan bezwaarlijk zichzelf zegenen, tenzij we dit zien als een verzoening met zichzelf. De mogelijkheid dat Esau zijn broer zegent, of dat laat doen door zijn engelbewaarder, is eveneens aanvaardbaar. Dat God Jacob zegent lijkt nog het meest waarschijnlijke.
Net zoals Hagar geeft Jacob een naam aan de plek waar de gebeurtenissen plaatsvonden: Peniël, omdat ’hij oog in oog gestaan heeft met God en in leven gebleven is’, dat is bijna letterlijk wat Hagar zei. Het is ook bijna letterlijk wat hij even later zegt als hij Esau ontmoet (Gen 33): 10 ‘Nee,’ zei Jakob, ‘als je mij goedgezind bent, neem dat geschenk dan alsjeblieft van mij aan, want oog in oog staan met jou is niets anders dan oog in oog staan met God, en toch ontvang je mij welwillend. 11 Neem toch aan wat ik je heb laten brengen en waarmee God mij heeft gezegend, want God is mij goedgezind geweest en ik heb meer dan genoeg.’ Omdat hij bleef aandringen nam Esau het aan.’ Het lijkt wel alsof hij door het herhalen van die woorden een knipoog geeft aan zijn nachtelijke tegenstander: denk aan onze afspraak van vannacht! Door hem te dwingen het geschenk aan te nemen, beslecht en beëindigt hij definitief de tweestrijd.
Het is een lang verhaal geworden. We zijn vertrokken van een uitdrukking die we nog steeds gebruiken, ‘het gevecht met de engel’. Herman Teirlinck schreef een roman met die titel (1952). Dan blijkt dat het een citaat is uit de Bijbel maar zoals meestal, blijkt het een onnauwkeurige overname: het is helemaal geen engel, er staat gewoon: iemand, een mens of een man. Bij nader toezien, stellen we vast dat het om een nogal mysterieus verhaal gaat: een nachtelijk gevecht tussen Jacob en een onbekende, een onbesliste strijd, die hem mankend achterlaat, maar die op een of andere manier een verzoening tot stand brengt tussen de twee broers, die vervolgens als gelijken naast elkaar verder leven.
De aanleiding voor deze Bijbelstudie was van persoonlijke aard. Ik noemde onlangs mijn niet aflatende discussies over God en godsdienst ‘mijn gevecht met de engel’. Ik dacht daarbij aan het verhaal zoals ik het ongeveer vijfenvijftig jaar geleden moet gehoord of gelezen hebben in de lessen van Gewijde Geschiedenis. Ik herinnerde het me als een gevecht van de opstandige mens tegen een overmachtige Engel Gods, een ongelijke worsteling, maar waarbij de mens niet verslagen wordt.
De lezing van de Bijbeltekst heeft ons heel wat over de mens geleerd. Er vallen niet onmiddellijk lessen uit te trekken. Het is geen stichtelijk verhaal, geen aansporing om bepaalde dingen niet te doen en andere wel. Het beschrijft hoe mensen met elkaar omgaan. De rol van God is bevreemdend, veeleer gering, onduidelijk, obscuur, twijfelachtig, we kunnen hem net zo goed weglaten en het verhaal lezen als een episode uit een familiesage.
Een lichtvoetig detail als afsluiter. Je weet dat in de Joodse godsdienst strenge voedselvoorschriften gelden. Een ervan is gebaseerd op ons verhaal: tot op vandaag is het niet koosjer om het vlees te eten van de bovenheup van een rund, als herinnering aan de pijnlijke aanraking van Jacobs heup. Nu is dat precies het beste stuk, de filet mignon of filet puur, biefstuk van de haas… Ik weet niet wat koosjer slagers ermee doen, misschien verkopen ze het wel aan hun goj collega’s?
1 reactie op dit bericht
Prachtig
http://blog.seniorennet.be/diaspora