De twee ogen van Spinoza
Leszek Kołakowski, The Two Eyes of Spinoza and Other Essays on Philosophers, vii + 311 pp., 2004. Ontleend in de bibliotheek van het HIW, Leuven.
Ik besprak hier al een ander werk van de onlangs overleden filosoof Kołakowski, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=451010. Met een titel als deze, kon ik natuurlijk niet weerstaan aan deze verzameling van essays. Ik heb het me niet beklaagd.
Het gaat hier om de bundeling van hoofdzakelijk oudere publicaties, meestal verschenen in het Pools, het Duits of het Frans, in tijdschriften, feestbundels of andere verzamelwerken. De vertaling, dat wil ik toch wel speciaal vermelden, is van de hand van Agnieska Kołakowska, de dochter van de auteur, en daarop valt nu eens niets, maar dan ook niets aan te merken. Zij is erin geslaagd om wat vader Kołakowski zelf zijn long, uselessly complicated sentences noemt, om te zetten in een zeer leesbaar, idiomatisch Engels. Enkele typefouten vergeven we haar, maar niet de corrector van de drukproeven. Zoals bij de meeste Engelstalige publicaties is het ook hier onmogelijk gebleken om ook maar één citaat in het Latijn zonder kemels af te drukken. Als je geen Latijn kent, gebruik het dan niet; en als je het mordicus toch wil, lees het dan drie keer na of laat het doen door iemand die wel Latijn kent. Dat soort flaters ontsiert zeker publicaties die een hoog wetenschappelijk niveau ambiëren.
In het Voorwoord stelt de auteur dat er geen gemeenschappelijk thema is, maar dat de meeste teksten handelen over filosofische en theologische kwesties uit de 17de eeuw. Dat is ook zo. Maar dat betekent niet dat we te doen hebben met een onleesbaar ingewikkeld boek over problemen die geen enkele relevantie hebben voor vandaag. Het tegendeel is waar. De auteur zelf beklemtoont dat herhaaldelijk: de hedendaagse wijsbegeerte én de hedendaagse theologie kunnen niet ontsnappen aan de vragen die men zich ook 450 jaar geleden al stelde en wij doen er goed aan om de antwoorden die men toen bedacht niet zomaar als voorbijgestreefd te verwerpen.
Deze essays zijn stuk voor stuk boeiende uiteenzettingen, vaak in nauwkeurig detail, maar steeds in een breed historisch perspectief, van vele van de kernvragen van ons bestaan. Wat is de mens? Hoe verwerven wij onze kennis? Welke criteria zijn er voor de waarheid? Is er iets naast of boven de materiële wereld? Hoe kunnen wij die andere wereld kennen? Welke rol speelt die andere dimensie in ons leven? Is de mens vrij, of ligt zijn lot vast van voor hij geboren wordt? Doet het er toe hoe wij leven? Zullen wij vroeg of laat beloond worden of bestraft, al naar gelang? Wat is de rol van godsdienst en kerkelijke organisaties voor het individu en voor de maatschappij?
Geef toe, het zijn belangrijke vragen en ze zijn vandaag net zo prangend als in de 17de eeuw. Het zijn ook kwesties die ik hier graag behandel op mijn eigen dilettantische manier.
Even terzijde: Van Dale zegt dat een dilettant een liefhebber in de kunst is, iemand die een kunst of wetenschap uit liefhebberij beoefent, in tegenstelling tot de beroepskunstenaar en de geleerde; maar hij gaat verder: het is iemand die slechts een oppervlakkige kennis van een vak, een kunst of wetenschap bezit. Alle Europese talen hebben het woord overgenomen uit het Italiaans, dilettante, van het werkwoord dilettare, vermaken, amuseren; dilettarsi is behagen scheppen in, voor zijn plezier bezig zijn met. Een dilettant is iemand die van iets houdt, een letterlijke liefhebber. Ik vind het dan ook een beetje sneu dat we daar meteen een negatieve bijklank aan geven. Alsof iemand die iets voor zijn plezier doet dat nooit zo goed kan doen als iemand die het beroepshalve doet. En vice versa: dat een beroeps geen plezier zou hebben in zijn werk. Ik neem het epitheton dilettant dan ook graag en met enige uitdagende trots als ‘ornans’: een eretitel. En als ik voor sommigen ‘maar’ een amateur ben, een prutser, dan aanvaard ik ook die sneer en denk ik het mijne van al wie zich aanmatigt een beroeps te zijn en dus boven alle verdenking van onkunde verheven. Dat moest me even van het hart, blijkbaar.
Ik heb me dus geamuseerd (dilettarsi) met deze essays. Niet dat ik het altijd eens was met de auteur, maar zijn standpunten zijn ten minste even waardevol als de mijne, zodoende. Ik ben overigens niet de enige die anders denkt over een aantal zaken en de auteur respecteert ook oprecht die andersdenkenden. Over Spinoza en Bayle verschilt hij duidelijk van mening met recent onderzoek en interpretaties, onder meer van Jonathan Israel en Stephen Nadler. Ook uit andere bijdragen in dit werk blijkt dat Kołakowski een zekere sympathie heeft voor wat J. Israel het gematigd verlichtingsdenken noemt. Hij (Kołakowski) spreekt herhaaldelijk met een warmte die zijn sympathie verraadt over mensen die tegenover godsdienst een soort van nonchalante (letterlijk: niet-warme) onverschilligheid aan de dag leggen, die de schouders overhalen over de onenigheid tussen de verschillende godsdiensten en de pietluttigheid van hun discussies, maar die daarin geen reden zien om niet deel te nemen aan de rituelen en gebruiken van de (overheersende) godsdienst, noch een uitnodiging om aan die godsdienst ook maar iets te veranderen.
Ik citeer: Indeed, a scepticism so conceived may be seen as part of a more general, irenic current of thought, where de emphasis was on eliminating religious discord and, in matters concerning revelation, being content with the accepted formulas, without trying to fathom more than can be fathomed by human reason. It was a scepticism which masked a complete religious indifference, in particular to disagreements in matters of dogma; a conviction that the existing religion is always the best, just because it exists; and a belief that all attempts at religious reform are doomed to end in religious wars, persecution and intolerance. (p. 115)
Het is een beeld dat nog steeds niet weinig intellectuelen typeert, ook vandaag nog in Vlaanderen. Veel katholieke intellectuelen (blijkbaar geen contradictio in terminis) maken zich geen zorgen over hun geloof noch over hun kerk; zij zijn nauwelijks vertrouwd met zelfs de elementaire geloofsinhoud en houden daarmee in hun persoonlijk en professioneel doen en laten in de praktijk geen enkele rekening. Zij zijn randkatholiek, gelegenheidsgast op rituelen maar zeker niet elke zondag te vinden in de kerk; zij behoren tot de katholieke zuil, maar zonder veel overtuiging, zij blijven erbij omdat het alternatief er vrijwel net eender uitziet en zeker niet veel aantrekkelijker. Zij worden niet gekweld door flagrante interne tegenspraken in het christelijk geloof en ergeren zich niet al te zeer aan de controversiële morele standpunten van de hiërarchie. Ze zijn katholiek by default, faute de mieux, bij gebrek aan beter.
De radicale Verlichting, zoals J. Israel ze heeft belicht in zijn twee recente monumentale werken (klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=402130), staat daar lijnrecht tegenover. Hier is geen gevaar voor de nefaste en gevaarlijke diepe intellectuele oneerlijkheid en hypocrisie van de gematigden, de lauwen die ook in de Bijbel (Openbaring, 3) geen genade vinden in de ogen van God: 15 Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! 16 Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen. 17 U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. 18 Daarom raad ik u aan: koop van mij goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen; zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. 19 Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt. 20 Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
Onze auteur behoort duidelijk niet tot de voorstanders van de radicale Verlichting. Soms vermoedde ik zelfs dat hij ze niet echt begrijpt. Dat is zeker zo bij Spinoza en Bayle en ook in het diep tragische geval van Uriel da Costa, die zich uit wanhoop en gewetensnood een kogel door het hoofd jaagde. Hij voelt zich duidelijk meer aangetrokken tot de libertijnen, le libertinage érudit dat hij zo uitvoerig analyseert en zo treffend sympathiserend beschrijft.
Slechts in één passage, in de conclusie van hoofdstuk XIV The Priest and the Jester (De priester en de nar), wijst hij even expliciet in de andere richting en ik vertaal: De auteur sluit zich aan bij de filosofie van de nar: een houding van scepticisme en wantrouwen tegenover elke vorm van absoluutheid (p. 262). Maar even verder zegt hij ook waarom: omdat die houding de mogelijkheid insluit om waarden uit te drukken die niet puur intellectueel zijn. Het is voor mij nergens in dit boek duidelijk wat hij daarmee zou kunnen bedoelen, ook al verwijst hij voortdurend naar de beperkingen van alle ‘intellectuele’ kennis.
De wereld aan de overzijde van deze wereld is, zo meen ik, bij Kołakowski zoals het beloofde land voor Mozes: het is uitzonderlijk te zien, van op een hoge berg, maar nooit te betreden, zie Deut. 34, 1 Toen verliet Mozes de vlakte van Moab en hij beklom de Nebo (afbeelding), een van de toppen van de Pisga, tegenover Jericho. Daar liet de HEER hem het hele land zien: het hele gebied van Gilead tot aan Dan, 2 Naftali, het gebied van Efraïm en Manasse, heel Juda tot aan de zee in het westen, 3 de Negev, de Jordaanvallei en de vlakte bij de palmstad Jericho, tot aan Soar. 4 De HEER zei tegen hem: ‘Dit is het land waarvan ik aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven. Ik laat het je nu zien, maar erheen oversteken zul je niet.’
Ik laat Kołakowski in het prachtige Engels van zijn dochter besluiten: To adopt this attitude is to adopt a view of the world which holds out a hopeful but difficult prospect: that of a gradual and laborious process of working out, in our interactions, how to reconcile those elements of human thought and behavior which are hardest to reconcile: how to achieve goodness without indulgence, courage without fanaticism, intelligence without disenchantment and hope without blindness. All other fruits of philosophical thinking are of little worth. (p. 262)
Wat zou deze ‘dilettant’ daaraan nog kunnen toevoegen…


















