Openbaring


Gelovigen gaan ervan uit dat God bestaat, dat zou er nog maar aan mankeren. Ze geloven dat er een God is, ze nemen aan dat God bestaat, ze zijn ervan overtuigd, ze twijfelen er niet aan. Maar hoe weten ze dat er een God is? Het gemakkelijkste antwoord is natuurlijk: omdat men het hen gezegd heeft. De godsdienstige opvoeding begint in het gezin en wordt voortgezet in het onderwijs. In Vlaanderen is dat onderwijs sinds mensenheugenis in handen van de katholieke zuil en een van de kenmerken van het ‘eigen onderwijsproject’ is de wekelijkse verplichte godsdienstles, naast een (slinkend aantal) liturgische vieringen tijdens de schooluren.
Dat is een onrechtstreekse manier om God te leren kennen. Is er ook een rechtstreekse? Richt God zich tot de mens? Kan de mens God ontmoeten?
Het antwoord van de katholieke kerk daarop is bevestigend. Meer nog: het is voor de katholieke godsdienst essentieel dat het een openbaringsgodsdienst is. Het is geen levensbeschouwing die mensen onder elkaar hebben afgesproken en uitgebouwd, nee: God heeft zich kenbaar gemaakt aan de mens, hij heeft zich geopenbaard. Dat is de kern van het geloof. Wie dat niet aanvaardt, kan zich geen gelovige noemen.
Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Je kan gaan onderzoeken welke godservaringen mensen hebben gehad in de loop van de geschiedenis. Een uitstekend voorbeeld van zulk een onderzoek is het nog steeds belangwekkend boek van William James, The Varieties of Religious Experience (1902), klik hier voor mijn bespreking: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=284.
Een andere manier is nagaan wat de katholieke kerk hierover zelf zegt. Ik raadpleegde daartoe de Catechismus van de Katholieke Kerk, 733 blz., 1993, 1995. Deze tekst is ook elektronisch beschikbaar, naast vele andere officiële kerkelijke documenten, klik hier: http://www.rkdocumenten.nl/index.php?docid=1.
Al in de eerste paragraaf van de inleiding lezen we: Daarom nadert Hij altijd en overal tot de mens. Hij roept hem, biedt hem hulp om Hem te zoeken, te kennen… Dit wordt verder uitgewerkt in de eerste sectie, die over het geloof handelt. Het geloof is het antwoord van de mens aan God die zich aan hem openbaart en geeft.(…) Daarom richten wij eerst onze aandacht op het zoeken van de mens, vervolgens op de goddelijke openbaring, waardoor God de mens tegemoet komt, en tenslotte op het antwoord van het geloof (blz. 23).
In dat eerste hoofdstuk vertrekt men van de realiteit van de godsdienstigheid, zoals ook W. James deed. Men stelt vast dat mensen altijd en overal met ‘god’ bezig zijn geweest en dat op allerlei manieren beleefd hebben en tot uitdrukking gebracht. Dit is een zo universeel verschijnsel, dat men de mens een godsdienstig wezen kan noemen. Maar dat wil nog niet zeggen dat elke mens godsdienstig is: Maar deze innige en vitale verbondenheid met God kan door de mens vergeten, miskend of zelfs uitdrukkelijk afgewezen worden. De oorsprong van dergelijke houding kan heel verschillend zijn: opstand tegen het kwaad in de wereld, godsdienstige onwetendheid of onverschilligheid, de zorgen van de wereld en de rijkdom, het slechte voorbeeld van de gelovigen, gedachtestromingen die het geloof vijandig gezind zijn en tenslotte de houding van de zondige mens die zich uit angst voor God verbergt en vlucht voor zijn oproep (blz. 24).
Dit is een bijzonder scherpe analyse, maar toch wil ik nog even wijzen op een gedachtesprong in de geciteerde tekst. Men stelt vast dat ‘god’ of goden van alle tijden en alle volkeren is. Maar daarmee is niet gezegd dat al die verschillende benaderingen over dezelfde ene God gaan. Later zal blijken dat dit volgens de katholieke leer uitdrukkelijk niet het geval is. Enkel wie Christus aanvaardt en dan nog uitsluitend in de katholieke versie, is zeker van zijn heil. Aan het lijstje van de mensen die zich niet tot die Ene God bekennen, moeten dus ook al de ‘afgodendienaars’ toegevoegd worden en dat zijn er niet weinig.
Geschapen naar Gods beeld en geroepen om God te kennen en lief te hebben, ontdekt de mens die God zoekt, bepaalde wegen om tot kennis van God te komen. Dit worden ook wel de bewijzen van het bestaan van God genoemd, niet in de zin van bewijzen die de natuurwetenschappen zoeken, maar in de zin van met elkaar overeenstemmende en overtuigende argumenten die het mogelijk maken te komen tot echte zekerheden.
Opnieuw slaat men enkele belangrijke stappen in de redenering over. Plots gaat men ervan uit, zonder enige argumentatie, dat God de mens geschapen heeft en wel zo dat ‘de mens die God zoekt’ daartoe ook middelen heeft. Niet alle mensen zoeken God, zoals we gezien hebben. Nochtans zijn die vermoedelijk ook geschapen naar Gods beeld en zijn ze ook geroepen. Hoe moet dat met hen?
Die wegen om tot God te naderen hebben als vertrekpunt de schepping: de stoffelijke wereld en de menselijke persoon. Dit is een belangrijke stelling. De mens kan God vinden in de wereld, met zijn zintuigen, met zijn verstand: De wereld: uitgaande van de beweging en de wording van de wereld, de contingentie, de orde en de schoonheid van de wereld kan men God kennen als oorsprong en doel van het heelal.
Dit is een gechargeerde redenering, maar ze volgt wel rechtstreeks uit de (onbewezen) termen van de stelling: de stoffelijke wereld en de menselijke persoon zijn door God geschapen en wij kunnen dus uit de kenmerken van de schepping afleiden dat ze door God geschapen is. Dit is de bekende redenering van het horloge van Paley (1802): als je ergens op de grond een horloge zou vinden, dan zou je nooit aannemen dat het daar uit zichzelf ontstaan is, zonder inbreng van een intelligente maker. Welnu, als we naar de wereld kijken in al zijn wonderlijke complexiteit en schoonheid, dan moet die ook een intelligente maker gehad hebben en dat is God. Deze stelling is nu beter bekend als Intelligent Design en is sindsdien door alle ernstige wetenschappers verworpen, klik hier voor mijn bespreking van R. Dawkins, The Blind Watchmaker https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=69059.
De mens: met zijn ontvankelijkheid voor waarheid en schoonheid, zijn gevoel voor het moreel goede, zijn vrijheid en de stem van zijn geweten, zijn verlangen naar het oneindige en naar geluk, stelt de mens de vraag naar het bestaan van God. Door dit alles heen wordt hij de tekenen van zijn geestelijke ziel gewaar. Omdat de kiem van de eeuwigheid die hij in zich draagt niet tot louter stof te herleiden is, kan zijn ziel haar oorsprong alleen maar in God hebben. (…) De vermogens van de mens stellen hem in staat het bestaan van een persoonlijke God te kennen. (…) De bewijzen van het bestaan van God kunnen de mens niettemin voorbereiden op het geloof en hem helpen zien dat het geloof niet in strijd is met het menselijk verstand (blz. 25).
Ook hier worden we in snelheid van redeneren gepakt. De beschrijving van de diepmenselijke gevoelens is niet per se onjuist, maar al dat verbinden aan de vraag naar God is verre van evident: er zijn heel veel mensen, en niet van de kwaaiste of de domste, die een dergelijke vervaarlijk grote stap niet zetten. Wat een geestelijke ziel is, dat vernemen we hier niet en ook dat is een ernstig probleem voor velen. En wat die poëtische kiem van de eeuwigheid is, daar hebben we het raden naar. Het is dus een onbewezen stelling dat we uit de kenmerken van de mens zomaar zouden kunnen komen tot de kennis van het bestaan van een werkelijkheid die de eerste oorzaak en het uiteindelijke doel van alles is en dat allen God noemen. Enkel wie al de veronderstellingen uit de voorgaande teksten aanvaardt, wie dus al in God gelooft, de Schepper van de wereld en van de mens, zal de wereld en de mens zien als een schepping van God. Een schoolvoorbeeld van een petitio principii, of een cirkelredenering.
Maar men gaat verder in dezelfde zin. Onze moeder de heilige kerk houdt en leert dat God, beginsel en doel van alle dingen, door het natuurlijk licht van het menselijk verstand met zekerheid kan gekend worden vanuit de geschapen werkelijkheden. Zonder dit vermogen zou de mens de openbaring van God niet kunnen ontvangen. De mens heeft dit vermogen, omdat hij geschapen is naar het beeld van God.
Een nieuwe complicatie. Voor het eerst wordt een beroep gedaan op het gezag van de kerk. Maar daar waren we nog niet echt aan toe, we zijn nog aan het zoeken naar God… Het gaat niet op om een uitspraak van andere mensen of van een organisatie in te roepen over deze fundamentele kwesties. Dit is een ongepast gezagsargument (alsof er ooit gepaste gezagsargumenten zouden zijn, Karel…). Het is ook een kringredenering: de mens is door God geschapen naar zijn beeld en daarom kan de mens God kennen. Als met andere woorden de mens niet door God zou geschapen zijn en/of niet naar zijn beeld (wat dat overigens ook moge betekenen), dan zou hij God niet kunnen kennen, een stelling die met meer gemak te aanvaarden is dan het omgekeerde.
Ook de opstellers van de Catechismus voelen nattigheid, want zij vervolgen: In de historische omstandigheden waarin hij leeft, ondervindt de mens echter tal van moeilijkheden om God alleen maar met het licht van zijn verstand te kennen. (…) Want de waarheden die betrekking hebben op God en op de verhouding van de mens tot God, gaan de orde van de zintuiglijke waarneembare wereld volstrekt te boven. (…) Nu ondervindt het menselijk verstand bij het verwerven van de kennis van deze waarheden moeilijkheden zowel vanwege de invloed van de zintuigen en de verbeelding als vanwege de slechte begeerten, die een gevolg zijn van de erfzonde. En zo beelden de mensen zich bij dit alles gemakkelijk in dat de dingen die ze liever niet als waar zouden zien, ook inderdaad niet waar of minstens twijfelachtig zijn. Daarom heeft de mens er behoefte aan verlicht te worden door de openbaring van God, niet alleen inzake hetgeen zijn begrip te boven gaat, maar ook inzake hetgeen op godsdienstig en zedelijk gebied voor het verstand op zichzelf niet ontoegankelijk is, opdat ook dit in de huidige omstandigheden waarin het mensdom verkeert, door allen gemakkelijk, met vaste zekerheid en zonder enige vermenging met dwalingen wordt gekend.
Dit is wat ik al gevreesd had. Als je aanneemt dat God kenbaar is met het gewone verstand, dan zou dat voor iedereen die zijn verstand gebruikt meteen ook duidelijk moeten zijn, of toch voor de overgrote meerderheid van de verstandige mensen. Dat is helaas niet het geval, dat moesten ook de opstellers van de Catechismus erkennen. Men kan dan wel stellen dat niet iedereen over al zijn geestelijke vermogens beschikt of ze niet altijd goed gebruikt, dat er nog andere hinderpalen zijn, maar blijven vasthouden aan een louter verstandelijke kennis van God is een te groot risico voor een kerk om te nemen. Vandaar dat men meteen uitdrukkelijk stelt dat ons verstand ‘volstrekt’ te kort schiet, niet alleen voor het bovennatuurlijke, maar zelfs voor de materie die we met ons verstand zelf aankunnen. Er zijn teveel factoren die ons in de war kunnen brengen, er is ‘vaste zekerheid’ nodig en die kan niet van het verstand komen. Sorry, Descartes.
We zijn tot een besluit gekomen. De Catechismus is vertrokken van de mens, die een religieus wezen blijkt te zijn. De mens kan uit de eigenschappen van de wereld en uit zijn eigen mens-zijn met zijn gezond verstand afleiden dat er een God is. Dat is zo omdat God de mens zo geschapen heeft. Maar blijkbaar is die verstandelijke kennis toch niet helemaal betrouwbaar. Er zijn dingen die het verstand te boven gaan en zelfs voor zaken die het verstand wel kan begrijpen, is het een onzekere, misleidende gids. De mens kan niet op zijn verstand alleen rekenen. Hij moet terecht bij God zelf, die zich aan hem openbaart. Alleen op die manier kan hij zeker zijn dat hij niet dwaalt.
Dat is duidelijke taal. Zelfs als we de redeneringen over de natuurlijke Godskennis of het Intelligent Design niet afwijzen (wat we zeker moeten doen, als we niet voor volslagen idioten willen versleten worden), dan nog zegt de kerk met zeer grote nadruk dat wij God pas afdoende en volledig kunnen kennen via zijn openbaring, niet onrechtstreeks via zijn schepping. Daarmee is een eerste vlijmscherp onderscheid gemaakt. De openbaring gebeurt niet door het onbetrouwbare verstand, maar door een directe ingreep van God zelf. Hoe dat gebeurt, bekijken we een volgende keer.



















