Serge Diaghilev
Over balletmuziek schreef ik hier al twee afleveringen:
Klassiek ballet 1500-1830, klik daarvoor hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=153442
Het romantisch ballet 1830-1900, klik daarvoor hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=247416
Een volgende belangrijke bladzijde in de geschiedenis van het ballet en de balletmuziek werd opengeslagen met de komst van Serge Diaghilev naar het Westen. Na het afscheid van Petipa in St.-Petersburg werd zijn rol overgenomen door de begaafde en originele danser en choreograaf Mikhail Fokine (1880-1942). Misschien mede onder invloed van Isadora Duncan (1878-1927), de Amerikaanse free-style danseres, kwam hij tot het inzicht dat het lichaam van een danser meer is dan alleen maar de benen en dat ballet een artistiek geheel kan zijn van dans, design en muziek. Deze inzichten kwamen vooral tot uitdrukking in het werk van Serge Diaghilev (1872-1929). Hij begon als organisator van tentoonstellingen en muziekuitvoeringen, niet alleen in Rusland maar ook in Wenen, Parijs en Berlijn. In 1909 kwam er een doorbraak met het eerste optreden van Les ballets Russes de Serge Diaghilev in het Parijse Théâtre du Châtelet, met muziek en ballet van Russische meesters en Russische zangers en dansers. Het was het succes van deze laatsten dat Diaghilev, die een fijne neus had voor commercieel succes, ertoe bracht om in Londen en Parijs jaarlijks balletopvoeringen te brengen, tot aan het uitbreken van de eerste Wereldoorlog in 1914. Met de drie Stravinski-balletten: Vuurvogel (1910), Petrouchka (1911) en Les sacre du printemps (1913) schreef hij ballet- en muziekgeschiedenis, maar beïnvloedde ook op ingrijpende wijze theaterdesign en zelfs de stijl van het huismeubilair.
Fokine gebruikte voor zijn choreografieën bestaande muziek, zoals het beroemde Les Sylphides, met een selectie van muziek van Chopin (vandaar dat het ook onder de titel Chopiniana bekend staat), of van Schuman: Le Carnaval en Papillons; soms was het ook een medley van melodieën, geleend of ronduit gestolen van verscheidene Russische componisten. In Shéhérazade, op muziek van Rimski-Korsakov, bracht hij een balletverhaal dat heel sterk afweek van wat de componist zich daarbij had voorgesteld. Maar Diaghilev was daarmee niet tevreden en gaf opdrachten voor originele balletmuziek, niet aan tweederangs artisten zoals in de 19de eeuw gebruikelijk was, maar aan vernieuwende topcomponisten. Stravinski dankte zijn vroege reputatie vrijwel uitsluitend aan de balletten die hij schreef voor Diaghilev, maar ook Debussy (Masques et bergamasques, Jeux) Ravel (Daphnis et Chloé), Florent Schmitt (La tragédie de Salomé) en zelfs Richard Strauss (Josefslegende) schreven originele balletmuziek voor hem. Na 1917 vermelden we verder nog Satie (Parade), de Falla (El sombrero de tres picos), Poulenc (Les biches), Auric (Les fâcheux), Milhaud (Le train bleu), Sauguet (La chatte), Prokofiev (Le pas d’acier, Le fils prodigue), Constant Lambert (Roméo et Juliet). Respighi maakte zijn bekende bewerking van Rossini-themas La boutique fantasque (1919).
De belangrijkste bijdrage van Diaghilev voor de muziekgeschiedenis is hierin gelegen dat hij op overtuigende wijze heeft aangetoond dat de muziek organisch verweven kan en moet zijn met de dans en niet louter een achtergrondfenomeen. Het bewijs dat hij het bij het rechte eind had is dat zeker vijftien van de ongeveer zestig originele balletten nog steeds opgevoerd worden, nu goed honderd jaar later en overal ter wereld in vrijwel dezelfde vorm als bij de eerste producties onder zijn leiding. Later zou Fokine’s choreografische inspiraties overgenomen worden door Leonid Massine (1896-1979) en vandaar door George Balanchine ((1904-1983). Daarbij moeten we ook Vaclav Nijinsky (1888-1950) vermelden als sterdanser én choreograaf, evenals zijn zuster Bronislava Nijinskaja (1890-1972). Artiesten als Picasso en Derain werkten mee aan de decors.
De wereldberoemde Anna Pavlova (1881-1931) begon haar ballerinacarrière in Diaghilevs troupe, maar week in 1911 uit naar London en stichtte daar haar eigen compagnie, met vooral Engelse dansers, met wie ze op tournee ging tot aan haar dood. Jammer genoeg nam ze weer de traditie op van het gebruik van minderwaardige muziek van minder interessante componisten en droeg zo bij tot de ook nu nog wijdverspreide idee dat balletmuziek niet veel meer zou zijn dan een bijkomstigheid.
In 1921 bracht Diaghilev in London een reeks opvoeringen van ‘De schone slaapster’ van Tchaikovski in de choreografie van Petipa, die veel heeft bijgedragen aan de verspreiding van het klassiek ballet in Groot-Brittannië.
Na de onverwachte dood van Diaghilev in 1929 hebben zijn leerlingen de traditie voortgezet: Marie Rambert, Ninette de Valois, Alicia Markova en later hun leerlingen, zoals Frederick Ashton. Markova werd als ballerina opgevolgd door Dame Margot Fonteyn (1919-1991). In Parijs was het Serge Lifar, ook een protegé van Diaghilev, die tussen 1930 en 1958 de dienst uitmaakte.
Als we al die bekende, zeg maar benoemde namen lezen, dan beseffen we pas hoe belangrijk Serge Diaghilev is geweest in het begin van de twintigste eeuw en hoe hij de basis heeft gelegd voor het ballet zoals het er tot op onze dagen zou uitzien.




















