Wij hebben allemaal wel eens gehoord van het offer van Abraham, of eigenlijk van Isaak, want het is Abraham die offert en Isaak die geofferd wordt, of toch bijna. In het Latijn is ‘van Abraham’ dan de subjectsgenitief of onderwerpsgenitief en ‘van Isaak’ de objectsgenitief of voorwerpsgenitief. Een voorbeeld: amor matris, de liefde van de moeder (subject) voor haar kind, haar echtgenoot… of de liefde van die echtgenoot, die kinderen voor (object) de moeder. Maar laten we naar onze schapen terugkeren, zoals men dat in het Frans zegt, et c’est bien le cas de le dire, zoals later zal blijken.
Dit is de tekst, in de Nieuwe Bijbelvertaling:
Genesis, 22
1 Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei hij. ‘Ik luister,’ antwoordde Abraham. 2 ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Isaak, en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren op een berg die ik je wijzen zal.’
3 De volgende morgen stond Abraham vroeg op. Hij zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten en zijn zoon Isaak met zich mee, hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats waarover God had gesproken. 4 Op de derde dag zag Abraham die plaats in de verte liggen. 5 Toen zei hij tegen de knechten: ‘Blijven jullie hier met de ezel. Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we naar jullie terug.’ 6 Hij pakte het hout voor het offer, legde het op de schouders van zijn zoon Isaak en nam zelf het vuur en het mes. Zo gingen zij samen verder. 7 ‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ 8 Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien, mijn jongen.’ En samen gingen zij verder. 9 Toen ze waren aangekomen bij de plaats waarover God had gesproken, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 10 Toen pakte hij het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar een engel van de HEER riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister,’ antwoordde hij. 12 ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je hebt mij je zoon, je enige, niet willen onthouden.’ 13 Toen Abraham opkeek, zag hij een ram die met zijn horens verstrikt was geraakt in de struiken. Hij pakte het dier en offerde dat in de plaats van zijn zoon. 14 Abraham noemde die plaats ‘De HEER zal erin voorzien’. Vandaar dat men tot op de dag van vandaag zegt: ‘Op de berg van de HEER zal erin voorzien worden.’
15 Toen sprak de engel van de HEER opnieuw vanuit de hemel tot Abraham. 16 Hij zei: ‘Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER: Omdat je dit hebt gedaan, omdat je mij je zoon, je enige, niet hebt onthouden, 17 zal ik je rijkelijk zegenen en je zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en zandkorrels op het strand langs de zee, en je nakomelingen zullen de steden van hun vijanden in bezit krijgen. 18 En alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want jij hebt naar mij geluisterd.’
19 Daarna ging Abraham terug naar zijn knechten. Samen gingen ze weer op weg naar Berseba, en daar bleef Abraham wonen.
Het is een mooi verhaal, helemaal in de stijl van het Oude Testament, met een almachtige, veeleisende God, die evenwel hen beloont die handelen naar zijn wil. Het is ook een vreselijk verhaal, dat gelovigen en ongelovigen afschrikt: een vader volgt blindelings het bevel op van God en is bereid, zonder morren of tegenspreken, zonder zich vragen te stellen, volkomen emotieloos, zijn enige zoon te doden. Daarbij moeten we bedenken dat Abraham en Sarah tot in hun heel oude dag hadden moeten wachten om hun kinderwens vervuld te zien: Abraham was honderd jaar oud en Sarah niet veel jonger, ze moest er zelf om lachen dat ze op die leeftijd nog een kind de (wellicht wat verschrompelde) borst zou geven. Abraham heeft het blijkbaar ook niet nodig gevonden of zelfs vermeden om met Sarah te overleggen over Gods bevel om Isaak te doden, eigenlijk alleen haar eniggeboren zoon, want Abraham had ook nog een kind bij zijn slavin, Hagar. Hij vertrekt voor dag en dauw, allicht om niet te moeten uitleggen wat hij van plan was. Vreemd is ook dat Abraham zich niet in verzet tot God richt, iets wat hij bij herhaling al had gedaan bij andere gelegenheden, om zijn twijfels of aarzelingen bekend te maken.
Nee, Abraham neemt gewoon hout en zijn tondeldoos en gaat op stap. Geen woord over zijn gevoelens, niets, als was het een leuke uitstap met zijn zoontje. En toch blijkt dat hij weet dat hij iets verkeerds aan het doen is: hij vertelt de knechten een smoesje, een leugen eigenlijk: hij zou met zijn zoon ergens eventjes gaan neerknielen.
Wat moeten we denken van een God die zoiets vraagt van een mens? We kunnen ons ervan afmaken en zeggen dat het om een fictief verhaal gaat, dat we symbolisch moeten lezen: God stelt wel eens vaker de mensen op de proef die op hem vertouwen, maar het loopt uiteindelijk altijd goed af en dat is de boodschap: zelfs in een uiterste beproeving moet de mens blindelings geloven in God en er vast op betrouwen dat God het goed voor heeft, dat het uiteindelijk allemaal goed komt.
Kijk maar naar de ballingschap in Egypte en die in Babylon: het volk Gods overleeft het en komt terug naar het beloofde land. Of het Joodse volk ook zo denkt over de Holocaust en de daarop volgende herovering van dat land en de oprichting van de staat Israel, met al de conflicten van dien, is een vraag die we ons wel moeten stellen. Wellicht hebben talrijke rabbi’s in de kampen wel aan Abrahams offer gedacht. Of zij en hun medegevangenen zich daaraan hebben kunnen optrekken toen ze hun dood tegemoet gingen, dat weten we niet.
Het is een ronduit verbijsterend bevel van God. Heeft hij niet gezegd: gij zult niet doden? En geldt dat niet in de allereerste plaats voor de eigen kroost? Voor een eniggeboren zoon, de enige kans op het grote nageslacht dat God aan Abraham beloofd heeft? Zijn het niet de andere volkeren die mensenoffers brengen?
God geeft ook geen uitleg, hij zegt niet aan Abraham dat hij hem op de proef wil stellen, het is ook geen deel van een reeks proeven, zoals bij Heracles. Enkel de auteur van het verhaal stelt dat zo, als inleiding op het verhaal, ten behoeve van de lezer. Als hij dat niet had gedaan en de lezer zonder enige verwittiging met dit bizarre verhaal zou geconfronteerd zijn, dan zou die waarschijnlijk, nee, zeer zeker revolteren: dat kan toch niet! Zoiets doe je een mens niet aan!
Dat is ook de reactie van het publiek bij Sophie’s Choice, de film en het boek van William Styron, is schreef daarover al, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=266384. Je vraagt aan een moeder niet welk van haar twee kinderen ze wil laten vermoorden. Wie voor zo’n dilemma gesteld is, heeft geen uitweg, geen andere uitweg dan de dood, dan zelfdoding.
Maar nogmaals: Abraham reageert zo niet, hij gaat gezwind op weg, hij ontwijkt zijn vrouw, zet zijn knechten op het verkeerde been, maakt zijn zoontje iets wijs. Hij gedraagt zich als een marionet, als Roodkapje die niet weet dat de wolf op haar wacht. Het is een poppenkastverhaaltje: wij weten op voorhand al dat het een test is voor het geloof van Abraham, God is helemaal niet van plan om hem zijn zoon te doen vermoorden, wat denk je wel! Het is niet echt, het is maar om te lachen… Veel zullen de Joden niet gelachen hebben in Egypte, of in de woestijn, veertig jaar lang, of in Babylon, of in Auschwitz en ook wij hebben het nog altijd moeilijk met dit verhaal. We kunnen het lezen als van op een grote afstand, als een specifiek literair model, een bekend procedé, waarbij de lezer goed weet dat het goed afloopt, de onwetendheid zit enkel bij de figuren op het toneel, in het verhaal, die dat nog niet mogen weten, die stommelings hun noodlot tegemoet gaan, of dat toch moeten denken. Wij zitten te wachten op het moment suprême, als het mes de hoogte ingaat en Jahweh juist op tijd de hand van Abraham tegenhoudt: een schitterende thriller, prachtig geregisseerd. Het is dan ook een van de meest bekende verhalen uit het Oude Testament, een verhaal voor ons, een boodschap aan ons, een test voor ons, niet voor Abraham. De auteur beschrijft geen historische waarheid, hij bespeelt onze gevoelens om ons iets duidelijk te maken over God en de mens.
Maar we blijven met een probleem zitten: zelfs al komt God op het laatste moment tussen, zelfs al weten wij als lezers dat hij dat zal doen: hoe moet Abraham zich daarbij gevoeld hebben? Een van de folteringen die expliciet verboden zijn in het oorlogsrecht is de schijnexecutie, een systeem dat door dictatoriale regimes vaak gebruikt is om mensen mentaal te breken. Abraham zal ongetwijfeld onvoorstelbaar blij geweest zijn dat zijn zoon het overleefd heeft, dat hij de dood van zijn zoon niet op zijn geweten heeft, dat hij het niet moest gaan uitleggen aan zijn vrouw en aan de anderen, maar of hij die vreselijke ervaring ongeschonden is doorgekomen? Of die schijnexecutie ook hem als dader niet heeft gebroken? En of hij God zijn test, zijn beproeving niet heeft kwalijk genomen? We krijgen ook niet te horen wat Isaak van zijn vader denkt, die blijkbaar van plan was om hem zomaar te offeren aan een vreemde God. Zelfs dat, zo’n test, dat doe je niet, zelfs niet als je daar een reden zou voor hebben, wat in het geval van Abraham niet het geval was. Je kan de wegvoering naar Babylon nog uitleggen als een straf omdat de Joden afgoden zouden hebben aanbeden of zoiets, maar Abraham was een godvrezend man, de trouwe dienaar van God bij uitstek, de uitverkorene die de stamvader zou zijn van gans het joodse volk… Het is een gratuite test, een koel laboratoriumonderzoek om te zien hoever je een mens kan doen gaan, zonder rekening te houden met de gevoelens van je proefpersonen. Wat voor God is dat?
In alle geval niet een God die ongelovigen kunnen aanvaarden. In talloze geschriften hebben atheïstische auteurs dit verhaal aangegrepen om hun meest fundamentele bezwaren tegen de God van het Boek, of de ‘Abrahamse’ God, die van Jodendom, Islam en Christendom, te formuleren. Een God die zoiets doet, die zo’n waanzinnige blinde gehoorzaamheid vraagt van zijn ‘onderdanen’, die kunnen ze niet aanvaarden, die verfoeien ze, die wijzen ze verontwaardigd af. Ze zien alleen al daarin voldoende reden om meteen radicaal elk godsbeeld af te zweren, omdat welke god dan ook uiteindelijk boven de mens staat en dat is precies wat het atheïsme niet aanvaardt: er is niets boven de mens, er is alleen de wereld met daarin de mens, naast al de andere levende wezens en de ‘dode’ materie.
Toen ik laatst nog een persoonlijk getuigenis las van een joods auteur die de oorsprong van zijn geloofstwijfels terugvoerde op en uitlegde aan de hand van het verhaal van het offer van Abraham/Isaak, maakte ik me plots de volgende bedenking.
Je kan het verhaal van het offer op allerlei manieren lezen en dat heeft men ook gedaan. Maar steeds heeft men God in het verhaal behouden en wel in de hoofdrol. Elke interpretatie gaat uit van de rol van God, om die te duiden of af te keuren. In mijn benadering vertrek ik resoluut van de vaststelling dat er geen God is: ik ben atheïst, dus… Als ik dan het verhaal lees, is er geen stem uit de hemel die zegt: Abraham, Abraham! Maar Abraham hoort wel degelijk een stem, alleen komt ze niet uit de hemel maar uit zijn hart, zijn geest, zijn hoofd. Het is een verwarde, zwarte gedachte die in hem opkomt en die hem doet nadenken over wat hem het dierbaarst is: zijn eniggeboren zoon, op wie de toekomst van gans een volk, het Godsvolk rust. Dat moet een ongelooflijke last geweest zijn, toen die hem en Sarah op hoge leeftijd nog gegeven werd. Hij moet vaak gedacht hebben: als onze Isaak maar niets overkomt… Hij moet er ’s nachts wakker van gelegen hebben en overdag voortdurend op zijn hoede geweest zijn, een overbezorgde ouder, zoals oudere ouders wel eens kunnen zijn. In die omstandigheden kan ik me voorstellen hoe hij zichzelf allerlei scenario’s heeft ingebeeld, ongelukken die Isaak konden overkomen en, waarom niet, waarbij hijzelf een belangrijke rol zou spelen, waarbij hij zelf onbewust, ongewild de oorzaak zou zijn van de dood van zijn eigen zoon, door zorgeloosheid, onhandigheid, onoplettendheid, door iets dat hij zou doen of laten… Iemand die zo onder druk staat, maakt zich de meest vreemde begoochelingen, tot de zwartste droom toe, de ultieme nachtmerrie: je vermoordt je eigen zoon koelbloedig, het mes in de hand… Of je daagt het noodlot uit en brengt onderbewust je kind in gevaar, je gaat balanceren op het scherp van het mes…
En zoals het gaat in dromen en in die andere producten van onze fantasie, de literatuur, is er op het laatst een deus ex machina, een reddende goddelijke tussenkomst die de tragedie nog net vermijdt. Ook die stem komt niet uit de hemel maar uit Abraham zelf, de stem van de rede, ja, maar ook uit elke vezel van zijn vaderlijk lijf, dat het uitschreeuwt: nee! nee! Wordt wakker! Hou op met die zwarte gedachten! Isaak leeft! Of je hebt teveel risico’s genomen en je kind sterft voor je ogen, slachtoffer van je onwijze gevaarlijke spelletjes.
Zo lees ik het verhaal liever. In mijn versie begint het: Abraham werd al dagenlang geplaagd door boze dromen en onzalige gedachten. Op een morgen stond hij op, voor dag en dauw.... En het eindigt: Maar toen hij het mes ophief, werd hij getroffen door de aanblik van zijn zoontje. Het mes viel hem uit de hand en hij nam snikkend Isaak in zijn armen. Zo is de tekst begrijpelijk, het storende element, de God met zijn onmogelijk bevel is eruit, wat Abraham doet is aannemelijk in al zijn gruwelijke waanzin Het is geen poppenkast meer, het is een diepmenselijk verhaal.
Wij zijn zelf de oorzaak van onze angsten, er is geen God die met ons en onze gevoelens speelt, die alleen van ons houdt als we slagen in zijn misplaatste, sadistische testen. Wij verzinnen zo’n God, alleen wij kunnen zo’n God verzinnen en de talloze andere wrede godheden die we hebben bedacht; hij bestaat niet, zo’n God, welke God dan ook, er is geen God. De auteur van dit verhaal is niet geïnspireerd door God (aangezien er geen God is) maar brengt zijn eigen interpretatie van zijn omgeving, van zijn traditie, van zijn angsten en vreugden en zo van die van de mensheid, zoals Styron de gruwel van de Holocaust illustreert aan de hand van een fictief verhaal, met een vreselijke gebeurtenis die hij heeft verzonnen, die misschien heeft plaatsgevonden, maar meer waarschijnlijk niet eens.
We zijn mensen, kwetsbare mensen en hoe belangrijker de dingen zijn, hoe moeilijker de situaties, hoe meer we onder de stress gebukt gaan en hoe vreemder we reageren, hoe dieper we wegzinken in paranoia, in zelfbegoocheling, in de waan-zin, hoe meer we ons dingen gaan voorstellen en zo onszelf en anderen in gevaar brengen. Wij hebben geen God nodig om onze medemens, ja onze eigen kinderen in gevaar te brengen, ze zelfs om te brengen, we doen dat zelf wel, eigenhandig. Maar we behoeven ook geen deus ex machina, geen redder in de nood, geen aanstormende Superman! om ons tegen te houden. Wij kunnen op eigen kracht, steunend op niets anders dan ons mens-zijn, met al de kwaliteiten van onze immense innerlijke kracht, ontwaken uit de meest beangstigende droom, de meest bevreemdende realiteit, de meest benarde situatie, als individu, als groep of als mensheid. Wij kunnen falen, dat hebben we al bewezen, maar we kunnen ook onze beproeving te boven komen, wij kunnen slagen voor elke opgave, elke test.
God vroeg aan Abraham dat hij zijn zoon aan hem zou offeren. Wij begrijpen dat wrede bevel tot rituele moord niet. Wij begrijpen niet dat men die God zou aanbidden en we haken af, we halen de schouders op of we revolteren. We leven verder zonder God, of we dat nu uitdrukkelijk zeggen of niet. God is dood, wij hebben hem doodgezwegen, hem monddood gemaakt. Hij vindt geen priesters meer, geen dienaars. Wij mensen blijven alleen achter, zoals we altijd al geweest zijn, maar nu beseffen we ook terdege dat we er alleen voor staan, dat er geen stemmen uit de hemel meer klinken, dat ze nooit geklonken hebben. En we weten nu ook dat wij zelf helemaal alleen volledig verantwoordelijk zijn voor al wat we doen en laten, voor al wat we doen en laten…