Teleologie


Ik haast me te reageren op een opmerking die een trouwe lezer maakte over mijn tekst van gisteren, die (toevallig) dateerde van 1 april 2006.
Het gaat om de zinsnede: de mens is een schakel -de laatste?- in een evolutie die begon met chemische processen, primair leven in cellen, en evolueerde vrolijk in allerlei richtingen en vormen. Meer bepaald het vragende tussenwerpsel: de laatste? bracht hem op de kwalijke gedachte dat ik mij bezondigde aan teleologisch denken, horresco!
Laat me toe deze zware aantijging te weerleggen, beste P. en lieve lezers allemaal. Waarover gaat het hier?
Teleologie is een moeilijk woord. We zien daarin het Griekse werkwoord teleo-ein en dat betekent zoiets als: tot een goed einde brengen. Teleologie gebruiken we voor de opvatting dat iets gericht is op een doel; meer specifiek dat de schepping gericht is op één doel, namelijk de mens. Dit was de algemene en ook de Bijbelse opvatting tot Darwin zijn evolutietheorie naar voren bracht. Hij vertrok van de idee dat de ‘schepping’ erin bestaat dat het leven op aarde geëvolueerd is van een nietig begin tot de onvoorstelbare complexiteit en verscheidenheid. Dat was al vóór hem vrij duidelijk, maar hij was de eerste om te bewijzen hoe dat dit gebeurde, volgens een vast schema, namelijk natuurlijke selectie. Dat gaat zo: er treden toevallige genetische afwijkingen op bij de voortplanting. Sommige daarvan blijken nuttig te zijn in de struggle for life. Daardoor hebben exemplaren met die afwijking meer kans om te overleven en om zich voort te planten. Zo ontstaan er variëteiten en uiteindelijk andere soorten, die niet meer onderling vruchtbaar zijn.
De evolutietheorie is een weerlegging van het teleologisch en het Bijbels denken: er is geen schepper die de wereld heeft gemaakt voor de mens of voor wat dan ook, de wereld is niet geschapen maar is gegroeid tot wat hij nu is, in een combinatie van herkenbare wetmatigheden en het toeval. We hebben geen Schepper nodig om de wereld afdoende te verklaren. De Bijbelse verklaring klopt langs geen kanten en is wetenschappelijk totaal irrelevant.
Mijn lezers weten dat ik ongelovig ben en dus niet in een schepper of schepping geloof. Zij weten ook dat ik een Darwinist ben. Er kan dus geen sprake zijn van enig teleologisch denken van mijn kant.
Maar daarmee is de kous niet af. Waarom schreef ik dan: ‘de laatste?’ en waarom neemt P. daar aanstoot aan?
Men zou kunnen denken dat, wanneer ik de mens voorstel als de laatste met vraagteken!) schakel in de evolutie, ik daarmee een zin en een richting zou geven aan die evolutie, alsof die hele ontwikkeling gericht zou zijn op het uiteindelijke resultaat. Dat zou inderdaad doelgericht denken zijn; meteen stelt zich dan de vraag: waarom? En: wie heeft die bedoeling gehad? Zijn wij door iets of iemand gewild? En zo komen we weer bij een Schepper…
Het is duidelijk dat dit niet mijn bedoeling is. Ik meen echter dat wij niet kunnen voorbijgaan aan het feit dat de mens er is, dat wij een succesverhaal zijn op deze aarde, dat wij de aarde en ook al een stukje van de ruimte hebben veroverd, dat wij er een enorme invloed op uitoefenen, zowel in gunstige als in ongunstige zin. Wij kunnen een grote bewondering hebben voor de natuur, wie heeft dat niet, maar zoals ik gisteren besloot: niets is zo vreselijk wonderlijk als de mens, zoals Sophocles (°-496) al schreef in zijn Antigone, vers 322ff.
De mens is niet het enige resultaat van de evolutie, dat is evident, er zijn letterlijk ontelbare soorten en vormen van het leven op aarde. De mens is dus ook niet het uiteindelijke resultaat, het hoogste, het meest volmaakte (in het Grieks teleios). Er zijn dieren en andere levensvormen die ons op (bijna) alle punten overtreffen. Maar niets overtreft de mens, want de mens is in staat tot denken. Van alle levensvormen hebben wij het beste instrument om na te denken.
Dat stelt ons in staat om op een spectaculaire manier te floreren: wij zijn nu bijna met 7.000.000.000 mensen en hoewel niet de meest talrijke zijn wij toch veruit de meest prominente soort op aarde. Met dat verstand hebben wij efficiënte samenlevingsvormen ontwikkeld, die het mogelijk maken dat we met zijn allen overleven en dat we het, alles in acht genomen, toch behoorlijk goed hebben. Wij hebben een beschaving ontwikkeld die zeer flexibel is en bestand tegen natuurrampen en menselijk geweld en dwaasheid. Sommige aspecten van die beschaving zijn misschien niet productief: kunst in alle mogelijke vormen, menswetenschappen, religie, ethiek… Sommigen zien daarin precies de hoogste menselijke verwezenlijkingen.
Kortom: de mens is een spectaculair fenomeen. De toekomst van de aarde hangt in grote mate van onze soort af. Wij zijn verantwoordelijk voor de aarde, gans de aarde, voor het leven, alle leven. Wij zijn de beheerders van de aarde. Niet dat we daartoe aangesteld zijn, dat het vanaf het begin zo gepland is, dat er een systeem achter de evolutie zit, nee, maar het is zo uitgedraaid. Het hadden evengoed de dinosaurussen kunnen zijn of de mestkevers, maar zo is het net niet gelopen, het is de mens die in die rol terechtgekomen is.
Dat is, beste P. en lieve lezers, wat ik bedoelde.
Natuurlijk: de mens is nu de ‘koning van de schepping’, maar wie weet wat ons nog te wachten staat? De mens is een jong verschijnsel, we zijn nog maar halverwege de mogelijke levensduur van onze zon en als we zien hoe snel de evolutie gegaan is in de laatste honderdduizend jaar, wat mogen we dan nog verwachten voor de volgende vijf miljard jaar? Niemand die dat kan voorspellen, zelfs niet voor de volgende honderdduizend jaar. Maar de evolutie, die van Darwin, de genetische, die werkt langzaam, zeer langzaam. Nieuwe soorten ontstaan niet plots, op korte tijd. Het is niet heel waarschijnlijk dat er binnenkort nog totaal nieuwe soorten zullen verschijnen, die zo verschillend zijn van de mens als de mens nu van zeg maar de bonobo’s.
Er zijn daarbij echter twee belangrijke opmerkingen te maken. Wij weten nu dat veranderingen genetisch gebeuren. Wij zijn druk bezig met het ontsluieren van dat proces. Wij experimenteren al met genetisch materiaal, voor planten en dieren met enig succes en zelfs op commerciële basis. Voor menselijke toepassingen aarzelen we nog, maar experimenteren we met steeds meer bravoure. Op die manier sturen we de genetische verandering, de evolutie aan. We deden dat vroeger ook al, door de on-natuurlijke selectie in de landbouw en de veeteelt, maar ook dat ging vrij langzaam. Toegepast op de mens was dat de eugenetica, een manier van doen die bij de meeste mensen een terechte huiver oproept: wij zijn geen dieren. Ook de nieuwe genetische experimenten stuiten op weerstand, maar veel minder, voor die toepassingen staan we veel meer open, wellicht omdat het niet rechtstreeks om experimenten met en door personen zelf gaat, maar met onpersoonlijke chemische of organische stoffen. Wie zal voorspellen hoever we daarin zullen gaan en welke resultaten dat op korte en lange termijn zal opleveren? We moeten onszelf niets wijsmaken: al wat kan, wat mogelijk is, wil de mens vroeg of laat ook uitproberen.
De tweede opmerking gaat over een andere manier van evolutie. Lamarck was een soort van voorloper van Darwin, al zat hij op een totaal ander spoor. Hij zag dat het leven, plant, dier en mens, zich aanpaste aan zijn omgeving en concludeerde daaruit dat die aanpassingen overgedragen werden bij de voortplanting. De lange nek van de giraf zou ontstaan zijn doordat die dieren steeds hoger hangende vruchten gingen eten; door dat te doen kregen ze een langere nek, tijdens hun leven dus en de jongen die geboren werden uit zo’n giraf erfden die eigenschap en konden ze op hun beurt nog verder uitwerken. We weten nu dat het niet zo werkt: er is geen enkele manier waarop je iets kan overerven dat je zelf tijdens je leven hebt verworven; enkel genetisch materiaal gaat over op de nakomelingen. Het is zoals met al wat je leert tijdens je leven: je kinderen worden niet geboren met wat jij zelf geleerd hebt. De evolutie bij de giraf is precies andersom: er worden giraffen geboren met een kleine, toevallige afwijking, een hals die wat langer is dan die van een andere giraf, zoals je dat ook bij mensen hebt, zelfs bij kinderen van dezelfde ouders: het ene broertje of zusje is wat langer en slanker, het andere wat korter en corpulenter. Het verschil is genetisch bepaald, en kan dus overgedragen worden (maar moet het niet noodzakelijk).
Lamarck had het dus verkeerd voor: hij wist niets af van onze genen. Darwin trouwens ook niet, maar hij had wel het geniale inzicht dat er zoiets als genen moest zijn, ook al kon hij die niet aanwijzen. Maar Lamarck had ongetwijfeld iets belangrijks gezien: de mens slaagt er wel degelijk in om zijn tijdens het leven verworven kennis over te dragen, alleen doet hij dat niet bij de voortplanting, maar in de beschaving. Eenvoudige maar essentiële vaardigheden, zoals het maken van vuur, het bouwen van schuilplaatsen, het verzamelen van voedselvoorraden etc. leren we aan aan onze nakomelingen en zo ontstaat er een cultuur, een beschaving, een onvoorstelbaar complex geheel van kennis, ervaring en wetenschap, die helaas niet genetisch overgedragen wordt (dat zou pas wat zijn!), maar door de voorbeeldfunctie, door de opleiding, door het deelnemen aan de beschaving. De taal speelt daarbij een onmisbare rol als het middel tot de overdracht. Wij bouwen zo voort op de resultaten van vroeger, steeds verder, we gaan erop vooruit, denk alleen al maar aan de geneeskunde. Met ons verstand hebben we een beschaving uitgebouwd en nu die er is, betekent ook dat een evolutionair voordeel. Denk aan de vuurwapens en de bizons in Noord-Amerika: op enkele jaren slaagde de mens erin om de normale struggle for life in zijn (tijdelijk en kortzichtig) voordeel om te buigen.
De mens gebruikt zijn verstand en de gecumuleerde resultaten daarvan om zijn positie in de wereld te verbeteren. Dat geeft hem een enorme voorsprong op al het andere leven. Het maakt mogelijk dat de mens overleeft waar niets anders kan leven, zoals in de ruimte.
De mens is het resultaat van de evolutie, maar vanaf het moment dat hij over een echt verstand beschikte, dat hij tot zelfbewustzijn in staat was en tot het uitbouwen van een beschavingsgemeenschap, vanaf het moment dat we spreken over een ‘mens’, zijn de brute regels van de evolutie wel niet veranderd, maar op onvoorstelbare wijze aangevuld met nieuwe mogelijkheden. Onze beschaving is niet zozeer het resultaat van Darwins evolutie maar van die van Lamarck, zou je kunnen stellen (maar dan via de beschaving, en niet via erfelijke voortplanting). Wij ondergaan de evolutie niet meer blindelings, wij sturen en beheersen ze, voor het andere leven op aarde maar ook voor onszelf. We doen dat door genetisch ingrijpen én door onze beschaving.
Ik besluit. De mens is, genetisch gezien, niets anders dan een dier. Maar wat een dier! De mens is echter veel meer dan zijn genetica, hij is ook zijn beschaving, of wat hij daarvan meedraagt in zijn hersenen en wat hij daaraan doet in zijn doen en laten.
Er is inderdaad niets zo vreselijk wonderlijk als de mens.
“Veel is wonderbaar op aarde, doch niets wonderbaarder dan de mensch: want over de grijsbeschuimde zee trekt hij, gedreven door den stormachtigen zuidenwind, en vaart tusschen de zwellende golven, die gapen rondom hem.” (…) “En de spraak heeft hij geleerd, en de gedachte snel als de wind, en de zucht naar samenleving, en de middelen om te ontvluchten de schichten van de vorst, die ’t verblijf onder den blooten hemel onbehaaglijk maken, en ook die van de onaangename stortregens, de vindingrijke! Nooit staat hij verlegen tegen iets dat komen moet. Alleen om aan den dood te ontkomen zal hij zich geen middel verschaffen."
Zo, we zijn het weer eens, beste P., beste lezers allemaal.
Of niet?


















