Scepsis en ongeloof


WIE MIJN BEDENKINGEN van gisteren gelezen heeft over scepsis, kon zich al enigszins verwachten aan een vervolg. Wie dat niet deed, leest dus het best eerst even die tekst na, dat bespaart me de moeite om een en ander te herhalen, dank u wel.
Scepsis, twijfel, ongeloof: je kan inderdaad het pyrronisme als filosofische instelling ook toepassen op het geloof. Dat deden de Grieken, al moeten we erbij zeggen dat hun geloof en hun goden wel iets anders waren dan het geïnstitutionaliseerde christelijk monotheïsme dat wij zo goed kennen. Socrates heeft men ter dood veroordeeld wegens zijn vermeend ongeloof, omdat hij lastige vragen durfde stellen, als eerlijk intellectueel, over rituele praktijken en religieuze tradities die niet in overeenstemming te brengen waren met zelfs maar gewoon het gezond verstand, laat staan een doorgedreven en onbevangen filosofische analyse.
Geloof en rede, het is nooit een gelukkig huwelijk geweest. Met rede bedoelen we het vermogen van de mens om zelfstandig na te denken, om de dingen te onderzoeken en te onderwerpen aan kritiek, om na te gaan of beweringen juist of vals zijn, of redeneringen opgaan of niet, of ze een interne logica hebben, of ze de confrontatie met andere beweringen of opvattingen kunnen doorstaan, of ze bruikbaar zijn, nuttig of voorbijgestreefd en zelfs schadelijk. Het is een onafhankelijk denken, dat bewust afstand neemt van gevestigde opvattingen en van gezagsargumenten, zelfs als die bekleed zijn met de hoogste waardigheid. Het is een radicale manier van nadenken, die uiteindelijk geen enkele consequentie uit de weg gaat, een levensgevaarlijke onderneming, zoals ook voor en na Socrates zo vaak is gebleken, een denken ten dode toe.
Rationeel denken betekent echter helemaal niet een streng formele en steriele, ijzige logica, die geen rekening houdt met menselijke emoties of de onvermijdelijke, onbegrijpelijke onvolkomenheid van ons bestaan. ‘Redelijk’ betekent immers ook dat men niet overdrijft, dat men menselijk blijft, dat niets menselijks ons vreemd is. De rede is het geheel van de hogere, ‘geestelijke’ vermogens van de mens.
Een gelovige benadering gaat uit van een wereldbeeld waarin er naast of boven de wereld met alles wat erop en eraan is, nog een andere dimensie is, die totaal verschilt van de wereld, maar die er toch onlosmakelijk en ingrijpend mee verbonden is, een realiteit van een hogere orde, die we niet met het redelijk denken mogen of kunnen benaderen, maar met een nederige houding van gelovig aanvaarden, een positief beantwoorden van een uitnodiging, een appel dat uitgaat van de overzijde, van God.
En daarmee zitten we natuurlijk in medias res en meteen in de rats (een verkorting van ratjetoe, van Fr. ratatouille, zelf een samentrekking van ratouiller en tatouiller, vergelijk met in de puree zitten).
Want als die andere dimensie boven de wereld uitstijgt, hoe kan ze er dan mee verbonden zijn? Hoe kan God van aan de overkant deze wereld bestieren? Hoe kunnen wij in contact treden met God, zelfs als hij het kan met ons? Hoe kunnen wij ook maar iets zeggen over die andere dimensie, behalve dat ze anders is? Iets over God dan dat hij is, en dan nog? Elk gezond boerenverstand en elk ander intelligent nadenken moet noodzakelijkerwijze tot de conclusie komen dat geloof en rede onverenigbaar zijn. Met de rede komt men niet tot geloof en geloof sluit een ongeremd, vrij gebruik van de rede uit. Dat is ook de stelling van de Kerk zelf en voor een keer sluiten de atheïsten zich daarbij volmondig aan. Daarover zijn veel geleerde boeken geschreven en de meest vernietigende beschuldiging die de Kerk en de theologie steeds maakten aan de rationalisten was precies scepticisme, pyrronisme en spinozisme: de redelijke twijfel aan de geloofsinhoud en aan het bestaan van die andere dimensie en uiteindelijk van God.
In een tijd dat het hele Westen door en door christelijk was en dat de kerkelijke hiërarchie tot op de hoogste niveaus nauw verbonden was met het wereldlijk gezag, was het niet evident of zonder gevaar om twijfels te uiten. Naast de eigen kerkelijke rechtbanken, die uiterst zware bestraffingen konden uitspreken voor overtredingen van de geloofsregels, beschikte de Kerk over de mogelijkheid om bij de zwaarste religieuze overtredingen de beschuldigden over te leveren aan het burgerlijk gezag, dat instond voor de ultieme straf, de dood, meestal op de meest gruwelijke en publieke manier. Zo zijn niet weinig mensen met zware geldstraffen beboet, hun bezittingen verbeurd verklaard, zijzelf aan brutale lijfstraffen onderworpen of genadeloos doodgemarteld omwille van wat zij dachten, schreven of zegden, dus louter omdat hun eerlijke overtuiging niet overeenkwam met die van een aantal andere mensen, de machthebbers.
Een bijzonder pijnlijke en ongetwijfeld zonder meer sadistisch geïnspireerde straf voor het schrijven en publiceren van wat de Kerk als godlasterlijk beschouwde, was de veroordeling van de auteur én de geschriften, waarbij de boeken opgenomen werden in een lijst van verboden werken, de beruchte Index librorum prohibitorum, voor het eerst opgesteld in 1559 en, ondanks een dubbelzinnige wijziging van het statuut, tot op vandaag geldig als een leidraad voor de gelovigen. Naast de straffen die de auteurs of uitgevers moesten ondergaan, werden namelijk ook de schuldige boeken zelf bestraft: ze werden ‘gefolterd’ zoals mensen en, zoals mensen, op de brandstapel ‘gedood’. Dat is de oorspronkelijke betekenis van de boekverbrandingen, die onder het Naziregime en onder alle andere dictatoriale regimes een vast ingrediënt van het intolerante cultuurbeleid zouden worden. Zoals de Kerk er ook op stond dat de familieleden van veroordeelden aanwezig waren bij lijfstraffen en de marteldood, zo waren ook de auteurs verplicht, voor zover ze dan nog in leven waren, om de publieke verbranding van hun boeken bij te wonen.
En toch konden zij het niet laten. Je moet immers geen genie zijn, noch een kletterende ketter, een harteloze heiden of een geniepige godhater om in te zien dat de manier waarop de Kerk het geloof formuleerde op zijn minst krakkemikkig was, vol tegenspraken zat en gaandeweg verworden was tot een formalistisch ritueel en een oeverloos complexe, esoterische en onbruikbare theologie, waarbij de oorspronkelijke boodschap nog nauwelijks aan bod kwam.
Steeds weer zijn er binnen de Kerk personen opgestaan die zich hebben verzet tegen flagrante misbruiken, tegen de schandelijke wereldse rijkdom en de morele verdorvenheid van de kerkvorsten, tegen de fatale maar onaanvechtbare vermenging van wereldlijke macht en kerkelijk gezag. Steeds weer zijn er frisse hervormingen op gang gekomen en weer teniet gedaan, steeds weer zijn er interne twisten geweest en ook afscheidingen van welhaast ontelbare grote en kleine groepen. Maar de ene, heilige, katholieke en apostolische Kerk hield stand, smoorde de opstanden en het verzet in bloed, hield zich aan de macht en bleef hooghartig blind voor alle oprechte en terechte kritiek. De hedendaagse Catechismus van de Rooms Katholieke Kerk (KKK) verschilt niet wezenlijk van die van het Concilie van Nicea (325) of van dat van Trente (1545-1563).
De Kerk en de theologen hebben zich met hand en tand, nee te vuur en te zwaard verzet tegen het gebruik van de rede om het bestaan te verklaren of om het samenleven te ordenen. Het christendom is een openbaringsgodsdienst. Enkel het gezag van God en zijn vertegenwoordigers op aarde gold, wie zich daartegen verzette wachtte de excommunicatie, de doodstraf en/of de eeuwige verdoemenis in de hel. Wanneer de sceptische rede tot het onvermijdelijke besluit kwam, op verscheidene momenten van de geschiedenis, dat er geen absolute waarden of waarheden zijn, ook niet de goddelijk geopenbaarde, dan kon de kerk niet anders dan met afschuw en de meest vlammende banbliksems reageren. Zelfs elk vermoeden van scepticisme, pyrronisme of spinozisme was voldoende voor verdachtmaking, broodroof, lijfstraffen, verbanning en rituele moord.
Vele filosofen en theologen hebben zich dan toch maar ingehouden in het vooruitzicht van dat vreselijk en onvermijdelijk lot. Copernicus heeft slechts op zijn sterfbed toestemming gegeven om zijn kosmologische geschriften te publiceren, Galilei heeft zijn uitspraken herhaaldelijk (zij het gedeeltelijk, moeten) herroepen. Descartes heeft grote delen van zijn oeuvre ingehouden, Hume besliste dat zijn Dialogues Concerning Natural Religion pas na zijn dood mochten uitgegeven worden, Meslier deed hetzelfde met het geheel zijn in alle opzichten indrukwekkend testament, Spinoza publiceerde slechts één werk tijdens zijn leven, de rest zijn de nu vermaarde maar kort na zijn dood anoniem door zijn vrienden uitgegeven Opera Posthuma van B.DS. Vele anderen hebben zich in bochten gewrongen of lippendienst bewezen aan de orthodoxie en hebben slinkse literaire middelen gevonden om, onder het mom van rechtgezindheid en kritiek op ketterijen, toch tersluiks hun verborgen agenda ter sprake te brengen; Pierre Bayle is daarvan het meest succesvolle voorbeeld. Nog anderen, zoals Newton, Leibniz en Voltaire, hielden vast aan het bestaan van een God, maar dan louter als een kracht die de wereld heeft geschapen en in stand houdt. Voor hen is godsdienst een noodzakelijk middel om vooral de lagere klassen in bedwang te houden, een politiek (onder-)drukkingmiddel.
Zeer zeldzaam zijn de mensen die het aangedurfd hebben om zonder omwegen hun gedacht te zeggen en de meesten van hen hebben dit gedaan in de bloeiende anonieme ondergrondse pers, zoals zo overtuigend aangetoond door Jonathan Israel in zijn monumentale studies over de Verlichting, die ik hier besprak. Het is pas wanneer het wereldlijk gezag eindelijk de moed opbracht om op te komen voor het onvervreemdbare recht op vrije meningsuiting van de burgers, dat het stilaan mogelijk werd om vrijelijk en zonder gevaar voor eigen hachje de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek en de filosofie te publiceren. Maar zelfs Charles Darwin hield zijn inzichten over de evolutieleer dertig jaar lang onder zegel in zijn schrijftafel, met een boodschap om ze na zijn dood te publiceren en voorzag daartoe een som gelds in zijn testament. Het was pas toen Alfred Russell Wallace tot dezelfde revolutionaire inzichten gekomen was, dat Darwin zich door zijn vrienden liet overhalen om een samenvatting te publiceren. Onder druk van de publieke opinie en het verzet van de Kerk heeft hij bij elke nieuwe editie een aantal standpunten afgezwakt… We spreken hier over het einde van de 19de eeuw, Darwin stierf in 1882! Ik schreef hier ook al over Gerard Walschap en de kuiperijen van de Kerk tegen zijn werk en zijn persoon, en hij stierf in 1989! Lees hier meer: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=431.
Scepticisme en ongeloof zijn in onze tijd bijna synoniemen geworden. Op enkele bedenkelijke uitzonderingen na zijn er zelfs geen ernstige katholieken meer die zonder meer geloven in de mirakels vermeld in de evangelies, in de losgeslagen fantasie van de middeleeuwse heiligenlevens of zelfs in de omstreden Mariaverschijningen en bijhorende mirakels en voorspellingen van de laatste eeuw. Zelfs een waardig, verstandig, welmenend en ongetwijfeld onverdacht prelaat maakte me niet zo lang geleden de opmerking dat ‘die kerk nu toch niet meer bestaat’. Men hoeft niet meer bijgelovig, noch goedgelovig te zijn om gelovig christelijk te zijn, al zijn velen dat helaas zeker nog altijd wel degelijk.
Maar het gezond scepticisme heeft vooral voor gevolg gehad dat althans in grote delen van het oude Europa het geloof een plotse en massale teruggang gekend heeft, een evolutie die des te spectaculairder was in de landen, zoals hier in Vlaanderen, waar nog niet zo lang tevoren de godsdienst alomtegenwoordig en almachtig was. Op een miraculeuze heropleving durven vandaag enkel de meest vermetele nostalgische dromers nog hopen.
De (post-)moderne filosofie is sterk getekend door het scepticisme, heeft er vrijwel haar bestaansreden van gemaakt. De moderne maatschappij heeft ontdekt dat het perfect mogelijk is om de wetten en voorschriften die de samenleving ordenen, af te leiden van volstrekt seculiere, burgerlijke beginselen en niet-gelovige ideologieën en inzichten. En ik daag eenieder uit om aan te tonen dat onze tijd in moreel opzicht ook maar enigszins zou moeten onderdoen voor een van de voorbije twintig eeuwen waarin het christendom ruim de kans heeft gekregen om het op zijn manier te doen. Zeker, er is nog kwaad in de wereld, en de rol van de religies is nog lang niet uitgespeeld. Maar de scepsis is gevestigd op ijzersterke beginselen, ze is wijd verbreid en wint overal aan invloed, zelfs in de meest onverzettelijke reactionaire bastions en de meest achterlijke of maligne groeperingen en organisaties. De moderne media brengen, althans in de democratieën waar ook ter wereld, elke neiging tot obscurantisme, onverdraagzaamheid, morele dictatuur of geestelijke dwingelandij aan het licht. Het verhelderende licht van de scepsis schijnt onverbiddelijk in de donkerste militaire folterkamers, in de meest verborgen schuilplaatsen van ‘religieuze’ terroristen, in de opulente hoofdkwartieren van belastingontwijkende sekten en volksverlakkerende groupuscules, in de op misdadige olierijkdommen gebouwde kitscherige sheikpaleizen; het schijnt liefdevol in de hunkerende harten van ontelbare goedmenende eenvoudige mensen, die zo verlangen naar bevrijding uit sociaal onrecht en uit de vernederende betutteling van machtsgeile pseudo-intellectuele goeroes en geriatrische glorieus gemijterde gebenedijden.
Oef… dat moest ik even kwijt.

















