Le démon de midi: Moenen van de noenen


Op de dag dat in Luik het proces begint tegen Abdallah Ait Oud, de man die ervan beschuldigd is dat hij twee jaar geleden twee jonge meisjes heeft misbruikt en vermoord; en in de laatste dagen van het Fourniret-proces, is het misschien ongepast om je aandacht te vragen voor een Franse uitdrukking die men ook gebruikt om de min of meer perverte belangstelling aan te duiden van ouder wordende mannen voor (veel) jongere vrouwen: le démon de midi. Het is misschien toch een gelegenheid om, langs de omwegen van de taal, stil te staan bij een aspect van ons mens-zijn dat met taboes is beladen maar daarom niet minder belangwekkend is.
Laat ons beginnen met Van Dale, al was het maar om er nog maar eens op te wijzen dat er meer is in de hemel en op aarde dan vermeld staat in de drie volumes van Van Dale 14. Het is voorwaar niet bon ton (van het Frans de bon ton) om dit magnum opus onder de redactie van professor Dirk Geeraerts en de weinig toepasselijk genaamde drs. Ton de Boon als referentie te gebruiken. Maar goed: Van Dale spreekt van de demonen van de middag, volgens hem een vertaling van les démons de l’après-midi, de midlifecrisis. Een snelle goegel leert ons dat de uitdrukking les démons de l’après-midi in het Frans niet bestaat, maar wel: le demon de midi, enkelvoud en midi, niet l’après-midi. En wie heeft ooit de uitdrukking ‘de demonen van de middag’ gehoord of gezien? Ach, Van Dale…
De Franse uitdrukking vinden we in elk goed Frans woordenboek, waar ze verwijst naar de verhevigde seksuele interesse bij de mens en vooral bij de man, rond de middelbare leeftijd. Die interesse gaat dan niet naar de eigen partner maar naar andere mogelijke relaties, vaak naar jongere vrouwen. Het aantal echtscheidingen rond de middelbare leeftijd is veel hoger dan op gelijk welke andere en is de laatste tien jaar meer dan verdubbeld. De nieuwe partners zijn dan wel jonger tot veel jonger, maar meestal toch volwassen, de uitdrukking slaat niet specifiek op de seksuele belangstelling voor kinderen of jongvolwassenen.
Jonge meisjes uit die laatste groep hebben in de literatuur de naam gekregen van Lolita, de vroegrijpe puber uit het gelijknamige boek van Vladimir Nabokov, dat eerst stiekem in Parijs (1955) en in 1958 ook in Amerika gepubliceerd werd. Lolita is ook de titel van de film uit 1962 van Stanley Kubrick, gebaseerd op de roman van Nabokov, met James Mason als Humbert Humbert, Sue Lyon als Dolores Haze (Lolita), Shelley Winters als Charlotte Haze en met Peter Sellers als Clare Quilty. Bouleversant en onvergetelijk. De latere herbewerking laten we hier quasi onvermeld.
Nabokov creëerde voor de gelegenheid een neologisme om een jonge vrouwelijke jonge tiener te omschrijven: nymphet, waarin echo’s verscholen gaan naar de wetenschappelijke naam voor de rups van een vlinder (Nabokov was een liefhebber en ook entomoloog, gespecialiseerd in vlinders); de vrouwelijke mythologische bos- en riviergeesten, de nimfen; de anatomische naam voor labia minora of de clitoris; de nymphes du pavé; allen afgeleid van het Griekse nymphè.
Éen bron citeert Ronsard als eerste gebruiker van het woord, maar daarvan vind ik zelf geen bevestiging, wel van deze vindplaats uit 1512: J. Lemaire de Belges (1473-1524), 1re Epitre de l'Amant Verd in OEuvres, éd. J. Stecher, t.3, p.12: les Fées et Nymphettes. Belges is/was een dorpje in Henegouwen.
Bij Nabokov gaat het om pubescent: jonge meisjes in hun ontluikende seksualiteit. De seksuele obsessie voor prepuberale kinderen noemt men pedofilie. Het is onmogelijk om hier zelfs maar in kort bestek in te gaan op alle aspecten van de seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen. Ik verwees al naar de taboes die er sinds eeuwen op rusten. Hoe men daarmee omging in de oudheid is verre van duidelijk, al zijn er evidente getuigenissen van verhoudingen die zeer verschillend zijn van wat nu aanvaardbaar wordt geacht.
Met de excursus naar Nabokovs Lolita enerzijds en pederastie anderzijds zijn we afgeweken van onze zoektocht naar de oorsprong van de uitdrukking le demon de midi: de seksuele crisis van mensen op middelbare leeftijd en hun neiging om een jongere partner te nemen. Dit verschijnsel is niet nieuw, het is des mensen, het komt voor in alle beschavingen, in alle tijden. Dat het een naam gekregen heeft, en dan nog een waarin de duivel (daimoon is Grieks voor geest, kwelgeest etc.) een rol speelt, wijst erop dat men een dergelijke nieuwe verhouding niet helemaal normaal vindt. Al kan er niet echt veel ingebracht worden tegen een huwelijk of een relatie tussen mannen en vrouwen van ongelijke leeftijd, toch heeft ‘men’ daarop steeds gereageerd, ook in de kunst en specifiek in de literatuur, met een kwinkslag of knipoog, of erger, zowel in het geval van een oudere man als van een oudere vrouw en een jongere partner van het andere (of het zelfde) geslacht.
Die onverklaarbare maar evidente episode in het leven van heel wat mensen is vaak het onderwerp geweest van al dan niet humoristische verhalen, gedichten, novellen en romans. Ik verwijs naar mijn uitweiding over oude bokken en groene blaadjes op 20.10.2006, waar ik lijnen trek van Plautus tot Dostojewski.
Maar waar ligt de oorsprong van onze uitdrukking?
Letterlijk komt de combinatie van deze woorden voor het eerst voor in de vertaling van de Psalmen, met name Septuagint, de Griekse vertaling uit rond -300. Daar vinden we daimoniou mesembrinou, de ‘demon van het middaguur’; mesembrinos is een samenstelling van mesos midden en hèmera dag. Dit is de volledige Psalm 91:
Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op u vertrouw ik.’
Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger
en redt je van de dodelijke pest,
hij zal je beschermen met zijn vleugels,
onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild.
De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,
noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag.
Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand,
jou zal niets overkomen.
Open je ogen en zie
hoe wie kwaad doen worden gestraft.
U bent mijn toevlucht, HEER.
Als je mag wonen bij de Allerhoogste,
zal het kwaad je niet bereiken,
geen plaag je tent ooit treffen.
Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.
Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.
Leeuw en adder zul je vertrappen,
roofdier en slang vermorzelen.
‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft
en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.
Roep je mij aan, ik geef antwoord,
in de nood zal ik bij je zijn,
je bevrijden en met roem overladen,
je overvloed geven van dagen.
Ik zal je redding zijn.’
De Nieuwe Bijbelvertaling © 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
In vers 6 is er dus sprake van ‘de plaag die toeslaat midden op de dag’. Het is weinig waarschijnlijk, zoals blijkt uit de context, dat hier al zou verwezen worden naar onze geile oude bokken en hun voorliefde voor groene blaadjes. Vertalingen in allerlei talen hebben het, zoals onze Nederlandse, over een plaag, een besmetting, een bedreiging, een kwaal. De Griekse Septuagint heeft daar een daimoon van gemaakt en dat was toen gewoon een (kwade) geest, maar in het christelijke Grieks is dé Daimoon natuurlijk Satan, de duivel en zijn verleidingen zijn die van ‘het vleesch’. In het Latijn van de Vulgata toegeschreven aan Hieronimus (rond 400) is dat Psalm 90 en onze passsage leest daar zo: a sagitta volante in die a negotio perambulante in tenebris ab incursu et daemonio meridiano.
Voor latere commentatoren is dit een kluif geweest: wat was die ‘Moenen van de noenen?’ Moenen is de Middelnederlandse naam voor de duivel.
Cassianus (fl. 430) zou in zijn Institutiones deze term gebruikt hebben in een betekenis die verwijst naar wat later melancholie zou gaan heten. Evagrius (345-399) maakte een lijstje op van de acht verleidingen die de mens bedreigen (later zouden dat de zeven hoofdzonden worden (zie mijn bijdrage van 8 januari 2008) en één daarvan was acedia, meestal vertaald als luiheid, van het Grieks voor ‘afwezigheid van zorg’, dus lusteloosheid, apathie; het Engels heeft het prachtige sloth. Voor Evagrius was dat de daimon qui etiam meredianus vocatur.
Zoals we al zeiden, voor de christelijke moralisten moest het zeker iets met seksualiteit te maken hebben. Hebben ze daarbij gedacht aan de erotische fantasieën die mensen tijdens het middagdutje of de siësta overvallen? Was meridiano een verwijzing, niet naar de middág maar naar het midden van het lichaam? De acedia is de ledigheid, het oorkussen van de duivel: voor de monniken kwamen de vleselijke verleidingen op als ze zich aan hun werk of gebed onttrokken. De duivel van de middag leidde hun aandacht af van hun ascetische bezinning, bracht hen op ‘slechte gedachten’.
Het is me uit mijn opzoekingen niet duidelijk geworden wanneer onze uitdrukking voor het eerst is gaan slaan op de seksuele midlifecrisis. Het feit dat we de uitdrukking vooral in het Frans kennen, bracht me op het spoor van een roman uit 1914, Le demon de midi, geschreven door Paul Bourget (+1935) de l’Académie Française. Daarin huwt een uitgetreden priester met een veel jongere rijke erfgename; daarmee schokt hij de Parijse beau monde, maar daar blijft het niet bij: hij publiceert ook een zeer agressief pamflet tegen de katholieke kerk en combineert zo verscheidene baarlijke duivels: hij verlaat het priesterschap omwille van het celibaat, huwt dan een veel te jonge vrouw en wordt dan ook nog atheïst, agnosticus en vlijmscherp antiklerikaal auteur ook!
Het is niet onwaarschijnlijk dat de titel van deze roman in het collectieve geheugen is blijven hangen en zo een algemeen bekende zegswijze is geworden. Toch zijn er ook in het Frans oudere proverbes met dezelfde inhoud, zij het dan over de vrouwelijke demon de midi:
Jeune gars vieille guenon, mariage du démon.
Jeune homme et vieille, le diable veille.
In 1996 verscheen een bande dessinée, bédé of BD met dezelfde titel: Le demon de midi, van de hand van Florence Cestac, met een typisch verhaal over de midlifecrisis van een vrouw. Dit werd later omgewerkt tot een theaterstuk en nadien ook een film, alles onder dezelfde titel.
In de Europese mythologie is er ook sprake van middagduivels. In het Duits is er de Mittagsfrau, ook wel Kornwyf of Roggenmuhme (een zusje van de Catcher in the Rye?), in de Slavische wereld heet ze Polidnitsa. Ze is een oude vrouw of een Lolita, gekleed in het wit, die kinderen laat verdwijnen, mensen gek maakt en hun kop afsnijdt met een zeis; ze is wellicht de personificatie van een zonnesteek. Dvořak schreef er een kort symfonisch gedicht over in 1896.
Zo, we hebben weer een lange reis gemaakt, met enkele omwegen, short cuts en cul-de-sacs, rond een delicaat thema, aan de hand van de courante uitdrukking le démon de midi. Ik hoop dat je het even interessant vond als ik.


















