Kaïn en Abel

Wie herinnert zich niet het verhaal van Kaïn en Abel uit de Gewijde Geschiedenis van onze jeugd? We zien voor ons, als was het gisteren, een veelkleurige plaat voor didactisch gebruik, die in elke klas aanwezig was. Daarop, in warme tonen, de afbeelding van het dubbele offer dat de twee kinderen van Adam en Eva brachten aan de Heer. Bij Abel stijgt de witte rook recht naar de wolkenloze hemel, bij Kaïn slaat de vuilgrijze walm neer op het omringende land…
Wat was er aan de hand? De ‘meester’ liet er geen twijfel over bestaan: Abel had zijn beste lammetje geofferd, Kaïn wat afval van het veld. Dat zijn offer de Heer niet welgevallig was, bleek in alle grafische duidelijkheid voor de leerlingen van het lager onderwijs. De scherpe geur van verbrande plantenresten zat ons in de neus.
Dit is het verhaal dat de Bijbel vertelt in Genesis 4, in de plechtige vertaling van de Statenbijbel, waarvan de eerste versie in 1637 verscheen.
1 En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen!
2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.
3 En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.
4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
5 Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
6 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.
8 En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.
9 En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?
10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.
12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
13 En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en
het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal
zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
16 En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
17 En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.
18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.
19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
22 En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-Kaïn was Naema.
23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!
24 Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.
Wat meteen opvalt, is dat de offergave van de landbouwer Kaïn niet als minderwaardig is: het was een normaal offer, van de vruchten van de aarde. Dat van Abel is wel iets beter: hij neemt een jong lam en, zo staat in de Canisius-vertaling van 1965: ‘en wel van de vetste’. Het is om dat detail, namelijk dat Abel niet zomaar een dier slacht, maar het puikste, dat God zijn offer aanvaardt en op dat van zijn broer geen acht slaat.
De reactie van Kaïn op de afwijzing en op de donderpreek van God laat niet op zich wachten: hij neemt hem mee naar een afgelegen plek en slaat hem dood. Traditioneel gebeurt dat met het kaaksbeen van een ezel(in), het zelfde wapen dat Samson gebruikt om de Filistijnen te verslaan. De Bijbel zegt daarover niets: het Hebreeuwse werkwoord duidt op het doden van vee, en dat gebeurde door het kelen, dus met een mes of een ander snijdend voorwerp, niet letterlijk op ‘slaan’. Kaïn was landbouwer, hij had dus allicht een mes of zo bij de hand. Die manier van doden komt ook beter overeen met het vervolg van het verhaal, waar de aarde doordrenkt is met het bloed van Abel en zo om wraak roept tot de Heer.
In latere Targumteksten is het met een steen dat Kaïn de moord begaat.
Het ezelskaaksbeen verschijnt voor het eerst in de iconografie rond de 9de eeuw in Ierland en het beeld heeft zich vandaar verspreid over de hele westerse wereld. Waarschijnlijk moet de oorsprong niet gezocht worden in het verhaal van Samson, maar in een Iers verhaal over doodslag of broedermoord.
Sommige moderne exegeten of Bijbeluitleggers maken veel van de tegenstelling tussen de landbouwer en de herder en verwijzen naar conflicten tussen de nomadische (rondzwervende, uit het Grieks) herders en de aan de grond gebonden landbouwers. Er is een Sumerische sage met een soortelijk conflict, dat evenwel niet eindigt in moord, maar waar de verliezer wel een zwerver wordt zoals Kaïn.
Dat zwerven van Kaïn is een zeer sterk beeld: de moordenaar vindt nergens rust. Maar God is zelfs hem genadig en beschermt hem met een teken en vervloekt eenieder die de hand opheft tegen de getekende Kaïn.
De Bijbel zegt dat Kaïn zich vestigde ten oosten van Eden, een uitdrukking die we allen kennen als East of Eden, de titel van de film van Elia Kazan uit 1957, met James Dean, naar een novelle van John Steinbeck met dezelfde titel uit 1952. Dat hij zich zou gevestigd hebben in het land Nod zou een slechte vertaling kunnen zijn, want Nod is Hebreeuws voor zwerven… In middeleeuwse legenden brachten de zwerftochten Kaïn hem uiteindelijk op de maan, als een manneke-in-de-maan, met een takkenbos op zijn rug, een van de vele interpretaties van de schaduwen en de kraters op de maan. Ook in andere mythologieën kwamen goden en helden terecht aan het firmament.
De rusteloos ronddolende misdadiger is ook een vast thema in de literatuur, denken we maar aan de Vliegende Hollander aan de ‘wandelende jood’ (wandering Jew) Ahasverus, de Joodse schoenmaker uit middeleeuwse legenden, die Jezus op zijn kruisweg bespotte en hem tot meer spoed aanmaande, waarop Jezus zou geantwoord hebben dat Ahasverus zou blijven ronddwalen tot de Laatste Dag.
Het Kaïnsteken is een mysterieus element. De Bijbel zegt weer niets over de aard van dat teken. Het woord is ook gebruikt voor andere Bijbelse goddelijke tekens, zoals de regenboog als teken van het verbond, of de besnijdenis als teken van het behoren tot het volk Gods. De tekst moet dus voor de Joodse lezers een duidelijke betekenis gehad hebben, zij moeten geweten hebben welk teken bedoeld was, hoe kon Kaïn anders voordeel halen uit zijn beschermend teken? Helaas is ook de Joodse traditie hierover onbeslist. In de Kabbalistische Zohar is Kaïns teken de Hebreeuwse letter waw, die eruit ziet als een staf, met de kromme haak bovenaan naar links. Dat zie je op sommige afbeeldingen op het voorhoofd van Kaïn en zijn nakomelingen.
Veel vaker meent men dat Kaïn een donkere huidskleur had. Dat zou kunnen ontstaan zijn uit die andere Bijbelse vloek, namelijk die van Ham, een van de drie zonen van Noach, die zijn dronken vader naakt had gezien en zich daarover vrolijk had gemaakt; de andere twee, Shem of Sem en Japhet, wendden het hoofd. Bij zijn ontwaken vervloekte Noach Ham, die daardoor een zwarte huid kreeg. Tussen haakjes: elders in de Bijbel betekent ‘zijn vader naakt zien’ het zelfde als: gemeenschap hebben met zijn moeder.
Men heeft dus gemeend dat ook Kaïn een ‘zwarte’ was geworden en met hem zijn hele nageslacht. Die beide slechte voorbeelden, de eerste broedermoordenaar Kaïn en de incestueuze, losbandige en respectloze Ham, waren voor racisten door de eeuwen heen Bijbelse gronden om het ‘zwarte ras’ met dezelfde zonden te beladen en derhalve te misprijzen.
Mensen zijn vindingrijk en hun fantasieën kennen geen grenzen, en we hoefden niet te wachten tot Freud verscheen om seksuele interpretaties te krijgen van oude mythen. Al heel vroeg waren er interpretaties van het verhaal van Kaïn en Abel die geen vrede namen met de simpele tegenstelling tussen een offer van veldvruchten en een offerdier. Het Bijbelse verhaal moest wat aangedikt en er zou een vrouw aan te pas komen, of zelfs twee. Zo komen we bij het verhaal dat te vinden is in Joodse Midrash of Bijbelcommentaren, van de tweelingzussen van Kaïn en Abel, Aclima en Jumella (je gelooft het nooit! denk aan jumeau-gémelle, tweelingen, gemini). In de ene versie is Kaïn verliefd op zijn eigen tweelingzuster Aclima, maar dwingt zijn vader hem te huwen met die van zijn broer, Abel. Hij weigert dat, en een offer moet beslissen; hoe het met zijn offergave afloopt weten we. In een andere versie moeten ze elk met hun eigen tweelingzuster huwen, maar Jumella was de mooiste en Kaïn begeerde haar, en doodde daarom zijn rivaal Abel.
Dit zeer bekende Bijbelse verhaal heeft de mensheid altijd bezig gehouden, het is in ons bewustzijn gegrift. Sommige woorden, beelden en uitdrukkingen, zoals die van de opstijgende en neerslaande rook, de zachtaardige herder en de wilde landbouwer, de ezelskaak, broedermoord, het teken van Kaïn, ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ ‘Het bloed van uw broeder roept luid uit de grond’, de eeuwig rusteloze misdadiger, de wandelende jood, overheersende blanken en minderwaardige, dienende zwarten… vinden we terug in vele talen en godsdiensten en in alle mogelijke kunstuitingen, van middeleeuwse illustraties tot hedendaagse films, als zovele variaties op een thema dat aan de vroegste gronden raakt van het menselijk samenleven: de eerste mensen, seksualiteit in kleine besloten gemeenschappen, rondzwervende herders en sedentaire landbouwers, broedermoord, schuld en boete, uitsluiting en verbanning.


















