Ik heb me nog eens laten verleiden tot het lezen van een boek van Gerard Bodifée: Tot Bestaan Bestemd. Over de weg die het niets met het zijn verbindt. 350 blz., noten, register, uitg. Pelckmans, 2003, 2004³. Ik heb volgehouden tot het einde, al moet ik bekennen dat ik sommige hoofdstukken en paragrafen ‘sneller’ heb gelezen dan andere. Dit is een heterocliet boek. Dit woord dat we rechtstreeks uit het Grieks of via het Frans hebben overgenomen, betekent letterlijk: anders verbogen en komt dus uit de spraakkunst. In het Grieks heb je woorden die normaal verbogen zijn, zoals boulè, ‘raad’, genitief boulès; er zijn ook andere, zoals gynè, ‘vrouw’, genitief niet gynès maar gynaikos. In het Nederlands heb je dat ook: lui, meervoud lieden.
Bodifée zegt het al in zijn inleiding: hij zal spreken in twee talen, die van de wetenschapper en die van de gelovige; hij beseft dat dit niet vanzelfsprekend is, maar vraagt geduld en begrip voor zijn heterocliete methode.
Geduld heb ik kunnen opbrengen, met mate, maar begrip?
Er zijn hoofdstukken waarin de auteur louter als wetenschapper spreekt en dat zijn mijns inziens de beste. Je vindt er goede samenvattingen van allerlei wetenschappelijke theorieën, over het ontstaan van de wereld, de thermodynamica, de relativiteitstheorie… Die zijn heel leesbaar en helder.
Maar om de haverklap (zie voor de etymologie mijn artikeltje op 18.05.2007) krijg je een uitstap naar de middeleeuwse theologie, naar de Griekse of de 18de-eeuwse filosofie en die zijn heel wat minder goed verteerbaar, vooral door de omslachtige pogingen om ze met de wetenschappelijke hoofdstukken in verband te brengen. Er zijn vrij uitgebreid hoofdstukken over muziek en over tijd, die me het meest aantrokken, maar die achteraf gezien echt onbevredigend zijn: het lijkt wel de haastige neerslag van lezingen die de auteur voor de vuist weg gegeven heeft voor een plaatselijke afdeling van het Davidsfonds ergens in een achterzaaltje diep in Vlaanderen.
Ik kon het minst begrip opbrengen voor wat Bodifée zijn liefdesverklaring noemt: de hoofdstukken waarin hij het opneemt voor het geloof. Ik ben ervan overtuigd dat gelovigen er even weinig zullen aan hebben als de overtuigde atheïst die ik ben. Het lijkt me nu eenmaal niet zinvol om te stellen dat “Ontzag, eerbied, huiver, onrust en liefde” religieuze gevoelens zijn. Dat stuit me tegen de borst: kan ik als niet-religieus mens dan geen ontzag, eerbied, huiver, onrust en zelfs geen liefde voelen? Of maken die gevoelens me religieus? Ik denk het niet!
Ook zijn ideeën over religieuze en profane muziek zijn niet verhelderend en voor mij zelfs onaanvaardbaar: hij contrasteert tijd en ritme, die aardse realiteiten zijn en dus profaan, met de goddelijke werkelijkheid die tijdloos is. Hij vervolgt: Niets is daarom zo bekwaam het beeld van een door geen tijd bewogen eeuwigheid op te roepen dan de maatloze, eenvoudig deinende gregoriaanse gezangen. Onverstoorbaar als de hemel zelf, door geen kloppende pols opgejaagd, schenkt deze muziek de ziel het vooruitzicht waarnaar zij hunkert. De complexe polyfone muziek daarentegen is de verklanking van wat zich afspeelt in dit veelvoudig verstrengelde, door de tijd gedomineerde aardse leven (blz. 240).
Alsof hij nog nooit Bach gehoord heeft...
Er is nog een ander en essentieel thema dat hij aanraakt, zonder tot een duidelijke conclusie te komen, namelijk de vraag naar de wetenschappelijke wetmatigheid. Herhaaldelijk lijkt hij de universaliteit van de wetenschappelijke wetten in vraag te stellen. Zich baserend op eigenaardigheden in de wetenschap, probeert hij de tussenkomst van een godheid langs een achterdeurtje naar binnen te halen. Dat leidt soms tot uitspraken die voor een astrofysicus als Bodifée zéér merkwaardig zijn: ik kreeg de indruk dat hij het mogelijk acht dat een oorzaak twee verschillende gevolgen kan hebben en dat lijkt me toch te ver te gaan. Laten we dat eens nader bekijken, zonder (hopelijk) al te wetenschappelijk of te filosofisch te worden.
Als je een biljartbal aanstoot, gaat hij een bepaalde richting uit; als we dat niet meer geloven, dan moeten we ons hele wereldbeeld herzien. Als het mogelijk is dat zo’n bal na het aanstoten plots zou beginnen zweven, ja, dan wordt het moeilijk, zeg nu zelf. Natuurlijk weet je nooit helemaal precies wat zo’n bal gaat doen, omdat het aanstoten zelf ook heel complex is, er zijn zoveel verschillende krachten mee gemoeid dat alleen de beste spelers vrijwel zeker zijn van het resultaat, maar zelfs die nooit helemaal! Dat maakt biljarten ook zo moeilijk om te doen en zo leuk om naar te kijken.
Laten we er dus maar van uitgaan dat een resultaat afhankelijk is van de oorzaak.
Het is natuurlijk wel mogelijk dat het een zelfde resultaat bereikt wordt door verschillende oorzaken: er zijn meestal wel verschillende manieren om een bal te spelen, maar dan blijft het nog steeds waar dat een bepaalde oorzaak steeds een zelfde gevolg heeft.
Het is ook mogelijk dat we de indruk hebben dat een zelfde oorzaak verrassende gevolgen heeft; blijven we bij ons biljartspel en denken we aan de fameuze kick, een mysterieuze reactie van de ballen waarbij ze opspringen, een ongewoon geluid voortbrengen en een richting uitgaan die niet de bedoelde is. Blijkbaar weet niemand waarom dat gebeurt. Maar dat betekent nog niet dat God bestaat! We blijven ervan uitgaan dat er een oorzaak is voor de kick, alleen kennen we die nog niet en zullen we die misschien nooit helemaal kennen.
Deze wereld is complex, zeer verscheiden en ongelooflijk veelvormig. Wellicht zullen we nooit alle verschijnselen volledig doorgronden, zelfs niet met de beste computers. Voorspellingen blijven het domein van kwakzalvers en bedriegers. Zeer kleine oorzaken kunnen grote gevolgen hebben, zoals een smeulende sigaret of een kaarsje bij een kerstboom. Van die kleine oorzaken zullen we de meeste waarschijnlijk nooit achterhalen en dat hoeft ook niet: we zijn al blij als we in deze wereld kunnen overleven met de kennis van zeer algemene regels en wetten.
Maar we moeten ervan overtuigd blijven dat er een wetmatigheid is, dat er uiteindelijk geen toeval is, dat alles helemaal in het begin een oorzaak heeft; het ‘toeval’ speelt zich af op een hoger niveau, waar we de onderliggende krachten en oorzaken niet meer zien, zoals bij het biljarten: waarom mist een kampioen? Dat lijkt toeval, maar het heeft een reden: een klein beetje te hard, te veel effect… Als we met de teerlingen werpen, dan lijkt het resultaat toeval, maar dat is maar een manier van denken en van spreken, want als je echt álle elementen onder controle zou kunnen houden, dan kon je elke keer twaalf gooien! Maar wij hebben het spel zo opgebouwd dat er steeds variatie optreedt: er zijn twee teerlingen met elk zes kanten, elk werpt zoals hij dat wil, de teerlingen zijn niet volmaakt vierkant &c. De wetten van de waarschijnlijkheid voorspellen dat je vaker zeven zal gooien dan gelijk welk ander resultaat, maar dat is enkel statistisch zo, je zal zelfs in een volledige geautomatiseerde opstelling heel veel keren moeten gooien om dat te zien… (zie mijn bijdrage daarover op 30 november 2006 onder de titel: Vrijheid blijheid of toeval).
In die zin gebruiken we het woord aleatorisch, van L. alea, teerling als we zeggen dat iets op het toeval berust; aleatoir is dan weer een juridische term die onzekerheid uitdrukt, zoals in een aleatoir contract, een kansovereenkomst.
Alles op deze wereld is op een zeer complexe manier opgebouwd, de dobbelstenen zijn maar een heel simpel ‘systeem’ in vergelijking met bijvoorbeeld de beurs, waar voorspellingen over het resultaat notoir faliekant kunnen uitvallen.
Er is dus geen chaos, het lijkt alleen maar zo. Er is ook geen ‘oorzakelijk’ toeval, enkel één concreet gevolg van een zeer groot aantal factoren. Is alles dan al vooraf bepaald? Ja en neen. Neen in die zin dat er geen rode draad is, geen doelstelling die moet bereikt worden, geen richting die aan de dingen gegeven is. Het samenspel van de factoren is zo complex dat men onmogelijk op voorhand alles kan voorspellen, er zijn té veel mogelijkheden die in combinatie met al de andere zoveel verschillende resultaten kunnen geven, dat men niet echt kan zeggen dat alles al op voorhand vastligt. Maar als men kijkt naar wat er is, dan kan men alleen maar zeggen dat het er is en dat het er zó is omdat een groot aantal factoren daartoe aanleiding gegeven hebben, en als het ánders is, dan is dat omdat andere factoren daarvoor gezorgd hebben.
We moeten dus goed weten wat we bedoelen met ‘willekeurig’; we zien in dat woord twee elementen: wil en keur of keuze, dus kiezen op basis van de eigen wil, zonder rekening te houden met andere elementen; dat is precies wat men bedoelt met willekeurig. De feodale heer kon willekeurig bepalen hoe hoog de belasting zou zijn, zonder raadpleging van zijn onderdanen. Willekeurig betekent dus niet alleen: toevallig, lukraak, in tegendeel zelfs: we maken een keuze uit de mogelijkheden op basis van onze eigen verlangens of ons eigen belang. Denk aan de willekeurige spieren: dat zijn de dwarsgestreepte, die we zelf kunnen bewegen, door een beslissing, een wille-keur, in tegenstelling tot de gladde, de onwillekeurige, die ‘vanzelf’ bewegen, die we niet kunnen bevelen met onze wil(lekeur).
Een synoniem is: arbitrair, zoals een beslissing van een arbiter, etymologisch iemand die zich naar iets begeeft (ad-baeto), vandaar een toeschouwer en dan een kritische toeschouwer, een getuige en vandaar dan een scheidsrechter: hij beslist of het ‘penantie’ is of niet, zelfs als iedereen ziet dat het een schwalbe was. Het liberum arbitrium is het vrij oordeel waartoe de mens in staat is. Ook dat is geen willekeur in de betekenis van: zo maar, zonder reden, want het is in het vrije oordeel dat de mens optimaal gebruik maakt van zijn vermogens.
Uit het Engels kennen we de uitdrukking at random, in computertermen betekent dat eveneens willekeurig in de betekenis van zonder vaste regels. Maar wat is dat dan? Laat men de computer kiezen? Kiezen is een oordeel uitspreken. Heeft een computer dan liberum arbitrium? Duidelijk niet! De computer doet wat men hem zegt en wat men zegt is dit: ‘kies’ een waarde op een manier die op geen enkele manier als systematisch kan gekenmerkt worden. Als je één getal at random moet kiezen, dan is elk getal goed. Als je er twee moet kiezen, dan mag het eerste op geen enkele manier aanleiding geven tot het tweede: het mag er niet rechtstreeks op volgen of aan voorafgaan, het mag geen veelvoud zijn, de twee samen mogen geen reeks vormen etc. Hoe meer getallen je zo wil verzamelen, hoe moeilijker om aan al die voorwaarden te voldoen, maar anderzijds ook gemakkelijker, want dan kan je bijvoorbeeld wel een stukje ‘reeks’ invoegen, als je er daarna maar van afwijkt; hoe dan ook, je moet aan de computer zeggen wat je bedoelt met ‘at ramdom’ of ‘willekeurig’. Met een computer kan je wel gemakkelijker een echt willekeurige reeks maken dan zonder: de computer kan gemakkelijker verborgen verbanden ontdekken en dus vermijden; daarentegen is een willekeurige reeks door een mens gekozen precies dat: willekeurig, hij heeft ze gekozen, zoals je een voetbalpronostiek invult of een biljet van de lotto: je hebt mensen die jarenlang het zelfde nummer nemen, dat is dus willekeurig in de ene, oorspronkelijke betekenis, maar niet in de tweede, afgeleide: zonder enig systeem.
Random komt van dezelfde stam als ons ‘rennen’: oorspronkelijk betekende at random letterlijk: al lopend, vandaar: gehaast en nog later: zonder enig doel of bedoeling, zomaar. RAM-geheugen is random acces memory, een ‘toestel’ zoals een schijf of een chip waarop gegevens staan die je allemaal rechtstreeks kan aanspreken, niet in een of andere volgorde of via een omweg: je toegang is willekeurig, je moet niet via een bepaalde poort of weg. In het Frans heb je randonner en randonnée: snel of doelloos rondlopen, zoals een haas om aan de vos te ontsnappen.
Stochastisch betekent dat men te maken heeft met waarschijnlijkheid, probabiliteit, uitgedrukt in een getal, een stochast. In het Grieks slaat de stam op mikken, richten, maar ook raden, benaderend weergeven.
De wetenschap heeft als stelregel dat alles een oorzaak heeft en dat al die oorzaken behoren tot deze wereld, ook al kennen we ze niet allemaal en helemaal; de wetenschap weigert te geloven dat er iets is buiten deze wereld dat op deze wereld een invloed heeft, de wetenschap heeft daaraan geen behoefte om haar verklaringen te doen kloppen. Newton was nog niet zover: hij had de zwaartekracht wel ontdekt en ook te gronde wiskundig ‘bewezen’, maar hij vond dat hij nog een God nodig had om het universum draaiend te houden en te verhinderen dat de dingen zouden gaan botsen. Nu kennen we die wetten nog beter, we begrijpen waarom de sterren en de planeten bewegen zoals ze het doen, ook zonder tussenkomst van God.
De wetenschap en de moderne mens kunnen niet geloven in mirakels of de invloed van het gebed op de gebeurtenissen, in de ‘kracht’ van God; zij hebben geen enkele reële invulling voor dat drieletterwoord. Bodifée getuigt van zijn eigen geloof in God, van zijn eigen religieuze ingesteldheid, maar slaagt er niet in dat te doen rijmen met de overtuigende wetenschappelijke voorstellingen die hij van deze wereld maakt. Hij is zich daarvan enerzijds bewust, want hij wijst er voortdurend op dat die twee in tegenspraak zijn; anderzijds verhindert dat hem niet om steeds weer krampachtig te trachten de twee te verzoenen, een hopeloze opdracht, waarin hij dan ook flagrant faalt.
Er is me dunkt een werkelijke contradictio in terminis in deze discussie. Wie over God spreekt, verlaat het domein van de werkelijkheid en treedt binnen in een ander, irreëel domein, waar andere wetten en regels gelden, waar taal niet eenduidig is en communicatief, maar onbestemd en poëtisch, waar de mens vluchtend vertroosting zoekt eerder dan de bevrijdende waarheid; georganiseerde religie is vaak niets anders dan mensen die in de naam van God macht uitoefenen over anderen eerder dan solidair samen te wonen; in zo’n kerk heerst schuld en boete, eerder dan persoonlijke verantwoordelijkheid en mededogen.
Religie en religieus zijn woorden en begrippen die de mens sinds zijn bewustwording hebben bezig gehouden en die in verschillende tijden verschillende invullingen hebben gekregen. Wanneer wij ze vandaag gebruiken, moeten we ons enerzijds bewust zijn van de historische betekenissen die ze hebben gehad, als eventuele voedingsbodem voor nieuwe interpretaties, maar ook om ons af te zetten tegen oude, voorbijgestreefde betekenissen. Het valt me op hoe moeilijk het is voor mensen om uit te spreken dat zij echt helemaal en zonder enige twijfel niet geloven in een God, zelfs als zij nadrukkelijk beweren geen rekening te houden met de mogelijkheid van een persoonlijk voortbestaan na de dood; hoe zij vasthouden aan een geloof in iets dat de mens overstijgt. Misschien is het dat wat Bodifée bedoelt met ‘Ontzag, eerbied, huiver, onrust en liefde’?
Laten we elkaar goed verstaan, de contradictie ligt misschien énkel in de termen, in de woorden die we gebruiken, misschien verschillen we veel minder in onze opvattingen dan onze discussies lijken aan te geven. Ik ben een vitter, een taalpurist, een betweter, een muggenzifter, een haarklover. Ik houd me graag bezig met wat we écht bedoelen als we iets zeggen. Soms doe ik dat nogal confronterend en stoot ik anderen af, geef ik ze geen kans om op hun verhaal te komen of sluit ik mijn oren voor hun relaas. Ik kan totaal verrast zijn als iemand met een andere mening voor de dag komt dan de mijne en een waarheid, een inzicht onthult dat ik zelf niet onderkend had.
Spreken over God is het verkennen van onze grenzen, van onze zintuiglijke waarneming en onze verstandelijke vermogens. Het is het aanvoelen van menselijke beperktheid, een knagend onbehagen in een afwezigheid, het ‘hunkeren’ naar een onuitsprekelijke aanwezigheid. Wij kennen onze mogelijkheden niet volledig, we beseffen niet waartoe de mens in staat is. Sommigen besluiten daaruit dat het goed is om ruimte te laten voor het onuitspreekbare, voor het nog niet gekende, voor ingevingen, impulsen, zwemen, allusies, metaforen en beelden, intuïtief aangevoelde houdingen tegenover de medemens en de wijde wereld.
Die houding is ook mij niet vreemd, maar ik heb de neiging, en meer dan een neiging, om daarop in te gaan, om verdere vragen te stellen: waar komen die intuïties vandaan? Waar leiden ze naartoe? Zijn ze betrouwbaar, zijn ze authentiek, zijn ze openbarend, verruimend of in tegendeel verduisterend, destructief, inperkend, kleinerend? Ik ben nu eenmaal ‘gezegend’ met een kritische geest en een (on-?)gezond wantrouwen in fabeltjes, voor sommigen wellicht een bijna ziekelijk rationalisme, dat me verhindert om sommige ervaringen nog onbevangen tegemoet te treden: kan ik nog wel verliefd worden? Ben ik nog ontvankelijk voor poëzie en voor schoonheid en kunst, overgave, vertrouwen, onbaatzuchtigheid, zo-maar-heid?
Ik hou niet van theater, ik vind het onecht, ik kan me niet zweifellos verplaatsen naar de wereld die het oproept, het is een poppenkast, ik kijk da handpoppen en zie hoe de hand de pop beweegt, ik zie wel de poesjenellen maar ik merk de draadjes en stok die hen doen bewegen, de mens achter de pop, de auteur achter de schermen, de mens onder de acteur. Dat kan me inderdaad blind maken voor onderliggende waarheden, voor verhulde schoonheid en verborgen waarheden die slechts in het spel van de poppen te voorschijn komen. De illusie is rijker dan de werkelijkheid, poëzie en fictie veelzeggender dan analytische filosofie en rationele benadering. Niet naar de middelen moet de blik gaan, maar naar het doel… In de schilderkunst heb je het impressionisme, dat met onregelmatige kleurvlekken vaak beter de werkelijkheid weergeeft dan een hyperrealistische benadering zoals de Vlaamse Primitieven of sommige hedendaagse meesters.
Ik geef toe, ik heb het er moeilijk mee als men dat beeld doortrekt naar spreken over de mens, over God en over religie. Kan men met parabelen en poëtische beelden, met religieuze beeldspraak of met dogmatische theologie of filosofie verhelderend spreken over de mens, de wereld en over de ultieme realiteit? Wat mij betreft en nog wel enkele anderen met mij, dat bewijst de leegloop van de kerken en het failliet van nationalisme, communisme, socialisme en extreem kapitalisme, is dit nog niet gelukt, de grote verhalen zijn niet geloofwaardig gebleken, de poppenkast was enkel dat: volkvermaak en volkverlakkerij, achter het decor zaten handige manipulators die enkel hun eigenbelang voor ogen hadden en die cynisch parasiteerden op de goedgelovigheid van de toeschouwer en die hoonlachten om de dood van miljoenen en het lijden van generaties.
Die tijd is voorbij, wij geloven nog enkel in komedie, in ‘doen alsof’ als het gaat om amusement of als we onder de invloed zijn, van drank of drugs of de ambiance of van hersenspoeling door media of politiek of religie of onze verliefdheid. We laten ons nog enkel in het ootje nemen als we dat zelf toelaten. We maken gebruik van het liberum arbitrium, het vrije oordeel en ook al is onze vrijheid beperkt, het is geen feodale willekeur in eigen voordeel en ook geen at random beslissing zonder zin of reden, geen noodlot of toeval, geen blind vertrouwen of overgave aan een hogere macht, maar een bewuste keuze als vrije mensen. Dat is waartoe we geroepen zijn, dat is mijn diepste overtuiging.