
Ik heb geen tijd
Dat zou wel eens kunnen kloppen, want er ís ook geen tijd, je kan er dus geen ‘hebben’.
Hoezo, er is geen tijd?
Het is een filosofische vraag, wat zoveel zeggen is als: een dwaze vraag.
Maar laten we toch maar eens proberen. Kan iemand me zeggen wat tijd is? Is de tijd iets tastbaars, iets reëels, iets stoffelijks? Kunnen we tijd maken, kunnen we hem rapper of trager doen lopen, kunnen we hem veranderen? Opstapelen? Kunnen we hem waarnemen?
Ha, daar hebben we iets: tijd kan je toch waarnemen op een klok, slimmeke! Ja… misschien.
Want wat doet een klok? Maakt die de tijd? Zit er tijd in een klok? Nee dus. Ze volgt de tijd, telt de tijd af, tik na tik. Elke tik die we horen is een moment, een nu, een ongrijpbaar vluchtig heden, een niets tussen het al voorbije verleden en dat wat nog komen moet, de toekomst. De klok geeft het nu aan.
Maar naast het tikken zijn er ook de wijzers, die het verloop van de tijd aangeven, de verstreken tijd en de tijd die er nog overblijft. Met een klok delen we de tijd in, we kappen hem in kleine gelijkmatige stukjes, zodat we na een ‘tijdje’ kunnen zeggen hoeveel van die stukjes verlopen zijn, want de klok houdt dat bij. Als ik nu kijk op de klok en straks weer, dan zie ik dat er ondertussen zeventien minuten verlopen zijn. Dat zijn zeventien minuten vol gebeurtenissen, belangrijk of niet, die tot het verleden zijn gaan behoren, onherroepelijk voorbij.
Er is dus een verleden en een toekomst. Aan het verleden kunnen we niets meer veranderen, de toekomst is nooit helemaal voorspelbaar. Wij leven op de grens van die twee, in het besef van onze onmacht om ook maar iets aan het verleden te wijzigen of iets met zekerheid te weten over wat komen gaat. Toch gebruiken we onze kennis van het verleden om ons voor te bereiden op de toekomst, om ze naar onze hand te zetten, om ze te slim af te zijn. Nadenken over het verleden doet ons op een bepaalde manier naar de toekomst kijken: met angst, hoopvolle vreugde, wantrouwen, onzekerheid of juist met volle overgave.
De klok maakt geen tijd, dat weet het kleinste kind: het is maar een instrument om te zien hoe laat het is, of hoe vroeg. Het laat ons toe de tijd tot de onze te maken, hem te beheersen. Als het nog te vroeg is om op te staan, kunnen we ons nog eens omdraaien en nog even doorslapen. Als het hoog tijd is om iets te doen, onze belastingsbrief indienen, dan moeten we ons haasten. En als het voor iets te laat is, dan kan het soms echt niet meer: de trein is vertrokken, je moet op de volgende wachten, je mist een aansluiting, je zal te laat zijn voor een afspraak, de anderen zullen al vertrokken zijn, alles loopt in het honderd.
Een ander aspect van de tijd is de gelijktijdigheid. Sommige dingen gebeuren samen met andere en dat valt ons op, dan herinneren we ons dat het ene gebeurde terwijl het andere bezig was, en dan krijgt dat belang, meer dan het feit dat het gebeurde in het verleden. Zo weten we nog heel goede bepaalde omstandigheden rond belangrijke gebeurtenissen, welk weer het was op je trouwdag of op de begrafenis van je vader. Of toevalligheden, eigenaardige samenlopen van omstandigheden: op een verre reis ontmoet je een oude vriend, die net dezelfde bestemming heeft uitgekozen en samen met jou voor de kathedraal van Vézelay staat.
Die vier aspecten: eerder, nu, terwijl en later, behoren tot je persoonlijke tijdservaring, je hebt niet eens een klok nodig om het verschil te weten: jij leeft steeds op dat ongrijpbare nu-moment en kan de gebeurtenissen vanuit dat onafhankelijk standpunt beoordelen. Je kan zelfs een vrij goede benadering maken van hoeveel vroeger iets gebeurd is en hoeveel later je iets anders verwacht. Maar als het nauwkeuriger moet, vooral als er anderen aan te pas komen, als er afspraken moeten gemaakt worden, dan is dat niet voldoende. Want de persoonlijke tijd, die loopt niet met de regelmaat van een klok, de snelheid van zijn verloop wordt in tegendeel bepaald door je persoonlijk aanvoelen, door de omstandigheden. We kennen dat allemaal: wachten duurt lang, zelfs de drie en een halve minuut voor een nes eitje, maar als je je amuseert, vliegt de tijd voorbij! Dan kijk je op en je ziet hoe laat het al is, oei!
De primitieve mens, vroeger en ook nu nog de mens die ervoor kiest om op een eenvoudige manier te leven, heeft genoeg aan vage tijdsaanduidingen. De meest simpele, op korte termijn, is de afwisseling van dag en nacht, afgebakend door zonsopgang en zonsondergang. De maan maakt het mogelijk een ietwat langer tijdsverloop te zien, namelijk de tijd tussen twee vollemaanstanden, dat is 29 en een halve dag, maar wij zijn een beetje verleerd om daarnaar te kijken. Op middenlange termijn is het de afwisseling van de seizoenen, na elke winter komt er weer een lente en is er weer een jaar voorbij.
Al die tijdsindelingen kan je gemakkelijk bijhouden, bijvoorbeeld op een kerfstok, de simpelste van alle kalenders. Waarschijnlijk was dat een van de eerste toepassingen die de mens maakte van zijn vermogen om te tellen, een kundigheid die hij ontwikkeld had toen hij wou controleren of al zijn schapen er nog waren. Tellen deed hij op zijn vingers, vandaar dat vijf en tien en twintig vaste groepen waren, of met steentjes, één voor elk schaap en als er één steentje over was, dan moest hij op zoek naar het ontbrekende schaap. De tellende mens telde de dagen, en stelde vast dat er tussen twee vollemaanstanden altijd evenveel dagen waren en dat er evenveel dagen verliepen voor het weer volle zomer was, of toch ongeveer, of gemiddeld…
Heel lang was dat genoeg als tijdsindeling voor het werk dat de mens deed. Hij liet zich leiden door de stand van de zon, bijvoorbeeld als ze op het hoogst staat is het middag, en de lengte van zijn eigen schaduw en door zijn hongergevoel. Ook nu nog weten wij in de loop van de dag hoe laat het ongeveer is, ook zonder op een uurwerk te kijken.
Maar wat als je met iemand wil afspreken om samen op reis te gaan of een bepaald werk te doen? Dat moet dan ofwel bij zonsopgang of –ondergang of op de middag gebeuren, nauwkeuriger kan niet. De mens heeft een oplossing gezocht voor dat probleem. Hij heeft zich losgemaakt van de stand van de hemellichamen en heeft zich een meetinstrument gemaakt voor de tijd, zoals hij lengtematen heeft gemaakt om zijn grondgebied te omschrijven en inhoudsmaten en gewichten om handel te drijven. Aanvankelijk waren dat nog heel ruwe benaderingen die vooral moesten dienen als de zon en de maan niet schenen: kaarsen, olielampen, leeglopende vaten…
De dag werd ingedeeld in gelijke stukken, uren. In de zomer is de dag twee keer zo lang als in de winter en aanvankelijk was dat ook zo met de uren. Maar door de tijd te meten met een toestel dat gelijkmatig telt, zomer en winter, zoals met een waterklok, krijg je uren die altijd even lang zijn. Dat is de essentie van de klok, van elk uurwerk: het deelt de tijd in in gelijke delen, onvermurwbaar. Hoe beter de klok, hoe gelijker de delen, hoe betrouwbaarder de verlopen en nog resterende tijd kan afgelezen worden. In principe doet het er niet toe welke tijdseenheid men gebruikt, maar we moeten wel allemaal dezelfde gebruiken, want het gaat nu niet meer om onze persoonlijke tijd, maar om de publieke tijd, die voor iedereen dezelfde is.
Zoals ook de lengte van een voet, een duim of een el aanvankelijk lokaal afgesproken werden, zo kon dat ook met de klok en de uren en dat kwam goed van pas, want het is niet overal even laat: ‘enkele’ kilometers verderop is het vroeger middag of gaat de zon later onder. Tijd was dus lokale tijd.
Maar dat kon niet blijven duren. Reizigers hadden behoefte aan duidelijker afspraken, zeker met de intrede van snelle publieke voertuigen zoals treinen en vliegtuigen. De lokale tijd zonnetijd moest zich aanpassen aan de astronomische tijd, die uiteindelijk dezelfde was voor de hele wereld, die overal even snel vooruitging en die een afgesproken afwijking had tegenover die op een andere plaats. De wereld werd ingedeeld in 24 tijdszones en binnen die zone is het voor iedereen even laat en in de volgende zone is het precies een uur later of een uur vroeger, zonder discussie.
Ondertussen was de tijd ook een handelswaar geworden. Al in de Bijbel krijgt een arbeider loon naar werken, hoewel in die vreemde parabel de arbeiders in de wijngaard evenveel kregen, of ze nu de hele dag gewerkt hadden of slechts enkele uren; maar uit het protest van diegenen die het langst gewerkt hadden, blijkt dat men iets anders verwachtte. De arbeider ging voor een baas werken en hij vertrouwde die baas voor geen haar: die liet een sirene loeien bij het begin en het einde van een shift, en als je geen uurwerk had, dan kon hij je ongemerkt langer laten werken en dat deden ze ook, de gluiperds. Tijd werd kostbaar, time is money. Men ging onderzoeken hoeveel tijd iets in beslag nam, de uitvoering van een werk bijvoorbeeld, en ondermeer op basis daarvan ging men een kostprijs bepalen. Een verkeerde berekening kon iemand te gronde richten. In de moderne wereld gebeurt alles op tijd. Tijd is nu tijd om te… en je kan genoeg tijd hebben of tijd tekort of geen tijd.
Tijd is duidelijk niet iets dat bestaat zoals water en steen en licht en radioactieve straling. Tijd is niets, tijd bestaat niet echt, het is een regelmaat die wij aan het steeds verder lopende heden kunstmatig opleggen, volgens afspraken die we gemaakt hebben. Die afspraken zijn gebaseerd op toevallige omstandigheden, de duur van één omwenteling van de aarde om haar as, of de omloop van de aarde om de zon, en daarvan dan een onderdeel als eenheid. Eens dat vastlag, zijn we machines gaan bouwen om het verloop van die tijdseenheden nauwkeurig tot in het kleinste detail bij te houden, zodat we altijd weten hoe laat het is.
Die machines imiteren dus de regelmaat van de beweging van de hemellichamen en proberen zelfs nauwkeuriger te zijn dan dat. Het enige dat ze moeten doen is inderdaad regelmatig zijn, tot op de kleinst mogelijke fractie van een seconde na. Als ze dat doen, dan kunnen we de kloksnelheid zo afstellen zodanig dat ze de eenheid volgen die we vrij afgesproken hebben: uren, minuten, seconden, nog verder. We bevestigen er een wijzer op, die mee ronddraait en het uur aangeeft, later nog een tweede wijzer voor de minuten, een derde voor de seconden. Maar we zouden ook kunnen afmeten hoe ver het gewicht gezakt is, of luisteren naar de bel of de klok of de sirene.
Als we over de tijd spreken is het dus belangrijk te beseffen dat er niet zoiets is als een algemene universele tijd die altijd en overal in het heelal aanwezig zou zijn, een fysische constante zoals de zwaartekracht en de snelheid van het licht, een empirisch waarneembaar verschijnsel, dat met de juiste instrumenten kan gemeten worden. De eenheid van tijd, de seconde, is een praktische afspraak, een conventie onder geleerden om hun wetenschappelijk werk mogelijk te maken. De seconde is gekozen als een zestigste van een uur en dat toont al aan hoe toevallig dat is: waarom een zestigste, en niet een tiende? En een uur is 1/24 van een dag en een nacht, de tijd die de aarde nodig heeft om om haar as te draaien, deze aarde, in dit zonnestelsel… De manier om die seconde te berekenen is overigens al verscheidene keren veranderd en er gebeuren nog steeds aanpassingen. Er is trouwens niet één tijd, er zijn er vele, die allemaal hun toepassing hebben, onder meer in de astronomie.
Met mechanische klokken kan je maar zo ver gaan, er zijn grenzen aan de materie en bovendien zijn nauwkeurige mechanische klokken peperduur. Elektrische klokken werken op de frequentie van het wisselen van de polen, kwartsuurwerken op de trillingen van een kwartskristal en je hebt al een uitstekend exemplaar voor nauwelijks enkele euro. Een atoomklok werkt op de eigenschappen van een cesiumatoom en zo zijn er maar enkele op de wereld, maar ze sturen hun signaal wel gratis naar iedereen door, kijk maar op de klok onderaan je computer.
Telkens gaat het om afspraken over de duur van één seconde, oorspronkelijk 1/60 van 1/60 van 1/24 van een etmaal, maar nu vastgelegd op een manier die voor iedereen dezelfde resultaten geeft en tot nu toe is het een atoomklok die het meest regelmatig loopt. Maar het blijft een arbitraire afspraak, want denk maar niet dat dat cesiumatoom met zijn wisselende kenmerken precies één seconde aangeeft! Dit is de definitie van de seconde zoals ze nu afgesproken is: de duur van 9.192.631.770 perioden van de straling die correspondeert met de overgang tussen de twee hyperfijne energieniveaus van de grondtoestand van een cesium-133 atoom in rust bij een temperatuur van 0° Kelvin.
Tijd is niet ‘iets’, als wij de tijd benoemen is dat maar een manier van spreken, een afspraak onder mensen om het sociaal en vooral ook het economisch leven te regelen en om wetenschappelijke proeven mogelijk te maken. Klokken zijn kunstmatige meetinstrumenten, niet van de tijd, want die is ongrijpbaar, maar van het verloop van de tijd, van de overgang tussen heden en verleden. Maar zoals wij wel afstanden op zee kunnen bepalen en de diepte van de oceanen meten, maar geen greep kunnen krijgen op elke molecule van de enorme watermassa op onze aarde, zo kunnen we wel een willekeurig verzonnen tijdsrooster vastleggen waarin we de gebeurtenissen vatten, maar de tijd zelf zal altijd aan elke menselijke inmenging ontsnappen.
Onvermijdelijk zal de vraag naar wat de tijd is altijd een filosofische en dwaze vraag blijven. Talloze filosofen hebben er zich mee bezig gehouden, zonder dat daaruit spectaculaire of zelfs maar bruikbare conclusies konden getrokken worden. Zo lijkt me de oude twistvraag, of tijd een begrip is dat wij aantreffen in de werkelijkheid dan wel een manier van denken, dus een eigenschap van ons verstand, naast de kwestie. Het is zonder meer duidelijk dat de wereld een tijdsdimensie heeft, dat er een verloop van tijd is, dat de wereld aan voortdurende en onweerstaanbare verandering onderhevig is. Die verandering is essentieel een aftakeling, een degeneratie, zeker wat het anorganische betreft: ijzer roest, gesteente verpulvert. Het organische, het leven, is dan weer gevangen in een cyclus van individueel leven en dood.
Alle menselijke activiteit, in haar geheel bezien, kan ons voorkomen als een ordening, maar ook die ordening vergt energie, we spreken nu al van komende energietekorten. Energieverbruik is ze doen verdwijnen en we weten allemaal dat als je iets wil bereiken, er veel energie nodig is. Als je een puzzel van 10.000.000 stukjes wil leggen, dan is daar een enorme hoeveelheid energie voor nodig en wat is het resultaat? Dat je een aantal stukjes karton, die eerst heel ordelijk waren (bij het vervaardigen) en dan dooreen geschud werden, nu weer in dezelfde orde hebt gelegd: het kost veel energie om orde te scheppen!
Alle gebeuren heeft een enkele richting, rechtdoor, zonder bochten, omwegen en zeker zonder terugkeer, er is geen cyclische beweging, er is geen tweede kans, geen eeuwige terugkeer, geen wedergeboorte, er zijn geen tijdreizen. Het geheel der wetenschappen, ook de meest recente verworvenheden van de kosmogonie of de leer over het ontstaan van de wereld en die van de kernfysica, berust op dat voortschrijden van de tijd, er is nergens enige noodzaak om een ander tijdsbegrip in te roepen. Akkoord, Einstein heeft aangetoond dat de tijd niet constant is, maar dat is alleen maar belangrijk bij snelheden die die van het licht benaderen en in extreme omstandigheden van dichtheid van de materie zoals in zwarte gaten, en in de praktijk zijn we daaraan nog lang niet toe. Maar ook in de relativiteitstheorie en in meer recente benaderingen, zoals die van Hawking, wordt niet getwijfeld aan de onomkeerbare richting van de tijd.
Het heeft ook weinig zin om ons af te vragen of er ook tijd is als er geen bewustzijn van tijd is: als het universum onbewoond zou zijn, is er dan ook nog tijd? Er is dan in alle geval geen bewustzijn van tijd, omdat er niemand is die zich bewust kan zijn, maar dat doet niets af aan het voortbestaan van de wereld: ook zonder bewoners gaat de wereld gewoon verder, onze aarde is kleiner dan een atoom in vergelijking met de omvang van het bekende universum, misschien is het heelal wel oneindig en wat zou de aan- of afwezigheid van mensen op ergens een planeet veranderen aan dat heelal? Ons bewustzijn van de tijd vernadert niets aan de wereld, het is alleen maar onze manier om met de wereld om te gaan, iets dat het organisch leven geleerd heeft gedurende zijn miljarden jaren durende evolutie en voor de mens is het een dimensie van zijn aanwezigheid in de wereld. Hij is doordrongen van de onafwendbaarheid van de tijd, maar heeft geleerd om zich daaraan aan te passen. De tijd is niet zijn vijand, maar zijn bondgenoot, niet een belemmering maar een openheid op kansen tot zelfontplooiing.
In die optiek is natuurlijk geen plaats voor individuele onsterfelijkheid voor enig organisch wezen, inclusief de mens. Elke godsdienst, leer of ideologie die het tegenovergestelde beweert, plaatst zich buiten de wetenschap en daardoor in het domein van de ideologie of de mythologie, van een voorstelling van zaken die misschien wel troostend kan zijn, maar die elke vaste grond onder de voeten mist. Men kan geloven in het eeuwig leven en vanuit dat geloof (beter) leven, maar daarmee heeft men nog het eeuwig leven niet. Het geloof kan bergen verzetten, maar niet de klok. De mens kan niet als enige ontsnappen aan het verval dat is ingezet met de Big Bang en dat zal eindigen wanneer ooit al de materie van het universum weer tot rust zal gekomen zijn, wanneer al de energie opgebruikt zal zijn. Maar dat is nog niet voor morgen…
Het meten van de tijd ligt wellicht mede aan de oorsprong van alle bewustzijn en zeker aan de basis van alle wetenschap. Zonder een besef van de tijd en zijn karakteristieken, zonder inzicht in de onverbiddelijke kracht van de tijd, loopt elk inzicht in de werkelijkheid het gevaar te steunen op onverifieerbare principes en moet onvermijdelijk tot verkeerde conclusies komen. Dit is overduidelijk gebleken in de standpunten die in het Westen de Kerk heeft ingenomen in verband met het ontstaan van de wereld, de samenstelling van ons zonnestelsel en de afkomst van de mens.
Tijd is altijd en overal onomkeerbaar, als dat niet zo was, dan was het universum onbewoonbaar voor wezens zoals wij, want wij kunnen alleen overleven als wij zeker zijn van die unieke stabiele dimensie, van het eenrichtingsverkeer van de tijd. Als het mogelijk zou zijn dat er plots uit het niets, uit een andere onbekende dimensie een nieuwe zon verschijnt, vlak bij de aarde, dan is leven op deze planeet onmogelijk. Het feit dat wij bestaan zoals we bestaan, dat er leven is op aarde zoals het is, is het intrinsieke bewijs dat het universum onderworpen is aan een bindend principe, dat van de onverstoorbare tijd. Tijd is onze zekerheid dat er geen vreemde dingen gebeuren in de wereld, dat de zon morgen opstaat, dat melk helaas zuur wordt, dat de kat jongen krijgt, dat je benzinetank straks weeral leeg is, dat we oud worden en dood gaan.
Tijd is niets.
Tijd is. Alles.