Claudio Monteverdi


Vreemd: blijkbaar heb ik hier tot nog toe niets over Claudio Monteverdi geschreven. Nochtans behoort hij tot mijn favoriete operacomponisten en dat sinds vele jaren. Ik denk dat mijn eerste kennismaking met zijn muziek moet gebeurd zijn in de jaren ’70 van de vorige eeuw natuurlijk, toen het Festival van Vlaanderen in Brugge zeer actief was met uitvoeringen van oude muziek, een goede traditie die vandaag zelfs internationaal erkend is. De uitvoerders waren meestal Engelse artiesten, zoals Emma Kirkby en Nigel Rogers, de kwaliteit was onvoorstelbaar goed. In Antwerpen woonde ik lang geleden een heerlijke voorstelling bij van Orfeo, ik vermoed onder René Jacobs, of was het Sigiswald Kuyken?
Sinds die vroege dagen is de muziek van Monteverdi gemeengoed geworden, er zijn talrijke opvoeringen op de grote festivals en zelfs in het gewone repertoire. Op de radio gaat er bijna geen dag voorbij zonder een fragment, op tv geen maand zonder een integrale uitvoering van een van zijn werken. En dat allemaal voor muziek die driehonderd vijftig jaar oud is… Als de tijd een goede arbiter is, dan moet het wel om uitstekende muziek gaan, want zoveel meesterwerken zijn er niet overgebleven uit de eerste helft van de 17de eeuw.
Claudio Monteverdi werd geboren op 15 mei 1567 in Cremona en stierf op 29 november 1643 in Venetië, over enkele dagen dus precies 364 jaar geleden. Hij kreeg zijn opleiding in zijn geboortestad, maar vanaf 1590 was hij in Mantua aan het hertogelijk hof van de Gonzaga’s en in 1610 kreeg hij daar de leiding van de hofkapel. Het was ook daar dat hij in 1607 zijn eerste meesterwerk liet opvoeren, Orfeo. Hij bouwde daarin voort op wat vooral in Firenze enkele jaren tevoren begonnen was als een nieuw genre waarin toneel en muziek verenigd werden, maar drukte er een geheel eigen stempel op. Bij elke opvoering of beluistering valt op hoe zelfzeker de componist was, alsof hij zijn hele leven niet anders had gedaan dan opera’s schrijven, alsof opera de meest gewone zaak ter wereld was, terwijl zijn Orfeo nog steeds doorgaat als de eerste (integraal bewaarde) opera die nog steeds uitgevoerd wordt.
Tribulaties aan het hof en moeilijkheden in zijn persoonlijk leven, zoals het overlijden van zijn eerste echtgenote en van zijn meest geliefde leerlinge, zetten hem aan om uit te kijken naar andere mogelijkheden. In 1613 vinden we hem terug als muziekdirecteur, zoals we dat nu zeggen, aan de beroemde basiliek van Venetië, toen een van de meest gezochte posities voor een Europees muzikant. Zijn vroegere meesters bleven hem lastigvallen met opdrachten voor hun hof, maar Monteverdi ging daarop nauwelijks in. Hij had immers zijn handen vol met composities en uitvoeringen voor zijn nieuwe opdrachtgevers, de Venetiaanse Republiek. Dat waren, gezien zijn functie in de basiliek, vaak religieuze werken. Maar hij had anderzijds blijkbaar ook genoeg van het soort vertoningen dat de adel vroeg voor hun hoftheaters: voorstellingen met mythologische figuren, allegorische verhalen en bovennatuurlijke figuren die het onbenullige verhaal moesten redden als Deus ex machina. Hij wilde helden van vlees en bloed, met menselijke gevoelens bij menselijke tragedies. Vanaf 1637 was er in Venetië een nieuw theater, een echt publiek operahuis, waar hij met zijn nieuwe opvattingen terecht kon. Het is in die laatste jaren van zijn leven dat hij een tweede revolutionaire bijdrage leverde tot de vernieuwing van het operagenre, met opera’s waarvan er slechts twee bewaard zijn: Il Ritorno d’Ulisse in Patria en L’Incorononazione di Poppea, maar dat is meer dan genoeg om hem voor eeuwig geliefd en beroemd te maken.
Bij Monteverdi valt me steeds op hoe modern zijn muziek is en hoe zijn drama’s, hoewel geïnspireerd op de klassieke oudheid, ook vandaag nog zonder enige moeite het publiek aanspreken. Op muzikaal gebied heeft hij, zoals andere geniale vernieuwers zoals Bach, Haendel, Haydn, Mozart en Beethoven, het beste gepuurd uit zijn zeer diepgaande kennis van de muziek van zijn voorgangers en uit die van zijn vooruitstrevende tijdgenoten om zo te komen tot een uitzonderlijk frisse nieuwe synthese die meteen de grenzen van kunde en goede smaak met reuzenschreden verlegde.
Ulisse vertelt het verhaal van Odysseus’ terugkeer naar zijn vaderland, Ithaka, zoals we dat kennen uit Homeros’ Odyssee. Uit de vele uitstekende opnames vermeld ik die van Nikolaus Harnoncourt in Zürich (2002, zondag laatst nog op Mezzo), met vooral Vesselina Kasarova die Penelope tot leven brengt met haar volle, maar ingehouden, donkere stem. Daarnaast is ook de versie van William Christie uit hetzelfde jaar echt een belevenis, met een muzikaal even briljante en dramatisch zelfs nog meer overtuigende Marijana Mijanovic, terwijl Les Arts Florissants geen krans behoeven.
Het verhaal van Orfeus en Eurydice is ons eveneens vertrouwd, naast en na Monteverdi hebben tientallen componisten maar al te graag gebruik gemaakt van de zo symbolische fabel van de zanger die met zijn muziek zelfs de goden van de onderwereld ontroert en zo zijn overleden geliefde (bijna…) bevrijdt uit de dood. Een beperkt lijstje van de meest bekende: Caccini, Locke, Lully, Campra, Teleman, Rameau, Wagenseil, Graun, Gluck, Benda, Dittersdorf, Haydn, Offenbach, Krenek, Henze, Glass… In onze studententijd waren wij weg van de Braziliaanse film Orfeo Negro (1959), de zwarte Orfeus, met subtiele muziek van Jobim, onvergetelijk…
Van deze opera heb ik nog maar één opvoering na het eerste bedrijf de rug toegekeerd, ik laat de details achterwege maar de regie was zo ongelooflijk dwaas frivool dat al de kracht van het drama weggedanst en stukgeflirt werd. Geef mij dan maar Jordi Savall en Le Concert des Nations, ook al uit 2002, met, wie anders! dan Montserrat Figueras en haar dochter Arianna, Sara Mingardo en Furio Zanasi als de belangrijkste zangers, in een alles, ook het gekostumeerde orkest en de dirigent, omvattende regie van ‘onze’ Gilbert Deflo in het Liceu in Barcelona (foto).
Een van de meest ontroerende van álle muziekstukken is voor mij het slot van Poppea, het duet tussen Nero en Poppea: Pur ti miro, pur ti godo, dat ijskoude rillingen langs je rug jaagt. Bij die muziek wil ik graag mijn laatste adem uitblazen.
Monteverdi schreef natuurlijk ook andere muziek dan opera’s, bijvoorbeeld de madrigalencollectie Madrigali Erotici e Spirituali, die bij Brillant op dvd te koop is voor een habbekrats, een uitvoering met Emma Kirkby en haar man Anthony Rooley op luit en ook nog de tenor Andrew King. Van zijn religieuze muziek kunnen we de Vespro della Beata Vergine niet onvermeld laten, een echt spektakelstuk, zeker in de versie van Gardiner en zijn Monteverdi Choir in de San Marco in Venetië, de basiliek waarvoor het geschreven is. Life is beter, maar op de dvd uit 1989 is het ook al goed genoeg voor mij. Beluister het (nog) eens en verbaas je erover hoeveel stukken je kan meeneuriën.
Claudio Monteverdi is van alle tijden, hij is ongetwijfeld een van onze grootste componisten, zijn muziek een monumentum aere perennius waarvan we steeds weer mogen genieten in de talrijke uitvoeringen die er vandaag zijn. Mocht je om een of andere duistere reden Monteverdi tot nog toe verwaarloosd hebben, dan is het hoog tijd om daaraan iets te doen. Met welk werk je ook begint, welke uitvoering ook: het wordt een indrukwekkende ervaring. Veel plezier ermee!




















