mene mene tekel fares

Het is een teken aan de wand…
Wij weten meteen wat er bedoeld is: een veeg teken, de auspiciën zijn niet gunstig, zouden de Romeinse auguren (nee, spellingcontrole, géén augurken!) gezegd hebben. In beide woorden zit au-, we vinden dat terug in het Latijnse auis of avis, vogel. In Rome was er een belangrijke klasse van priesters, de auguren of auspices (van aves spicere, vogels kijken, of vogelen, zoals ze in Holland zeggen). Men deed op hen een beroep om te weten of een bepaalde dag gunstig was om iets te ondernemen: een feest, een reis… Die vogelwichelaars haalden hun ‘wijsheid’ uit allerlei voortekenen, die oorspronkelijk voornamelijk met vogels te maken hadden: welke vogels, waar en wanneer en hoe ze vlogen, met hoeveel ze waren, welke geluiden ze maakten &c. Later hielden ze er zelf een collectie heilige vogels op na, die gevoed werden met offergaven; uit de manier waarop ze met dat voedsel omgingen, zag men dan weer voortekenen. Nog later kon om het even wat door de augur en de auspex uitgelegd worden: de ingewanden van geofferde heilige dieren, donder en bliksem, de wolken, de geboorte van misvormde of eigenaardig gekleurde dieren, wij zouden zeggen: koffiedik kijken.
Nog even terugkomen op die vogelwichelaars: wichelen is een iteratief van ‘wiggen’, dus herhaaldelijk ‘wiggen’ of (be)wegen, dus schudden, trillen, zwaaien, vooral in de zin van magische bewegingen, denk aan samenstellingen met wichel-, zoals wichelroede of –stok, wichelroedelopen, wichelaarster. Ook het esoterische wicca, (witte, mannelijke of vrouwelijke) heks zit in die buurt en ook het Engelse witch heeft dezelfde oorsprong.
Wij gebruiken nog steeds ‘auspiciën’ in de zin van voortekenen, maar ook in de uitdrukking: onder de auspiciën van, onder de hoge bescherming van bijvoorbeeld een hooggeplaatst persoon. Augur vinden we dan weer terug in inauguratie, inhuldiging, zoals de eedaflegging van de Amerikaanse president, die dan zijn inaugural speech houdt.
Voor de tekenen aan de wand moeten we nog verder teruggaan, meer bepaald naar de Bijbel, het Oude Testament, het boek of de profetieën van Daniël, die van de leeuwenkuil, juist. In het vijfde hoofdstuk staat het bekende verhaal van het feest van Belsjassar, de koning van Babylon. We weten ook uit andere literaire bronnen, zoals Xenofoon en Herodotos dat die heeft geregeerd van -553 tot -539. Er zijn ook kleitabletten en opschriften gevonden die aantonen dat we hier vaste grond onder de voeten hebben.
Zelfs de precieze datum van de val van Babylon ligt vast: 12 oktober -539, toen de Meden en de Perzen Babylon veroverden; dat gebeurde, zo wil de legende, met een list: de belegeraars hadden in het geheim een afleidingskanaal gegraven, een soort van bypass op de Eufraat, die de stad beveiligde; die nacht maakten ze een bres in de oever zodat het water langs het kanaal stroomde en voorbij de stad weer in zijn eigen bedding; daardoor kwam de Eufraat droog te staan en konden de Meden en de Perzen langs daar de niet-versterkte kant van de stad aanvallen en de feestvierende Babyloniërs overvallen.
De aanvoerder was volgens de Bijbel de Mediër Darius, maar er zijn geen andere bronnen voor een koning met die naam; Assyriologen en andere historici hebben geprobeerd Darius te vereenzelvigen met andere, bekende vorsten uit die periode, zoals Cyrus, de hoofdfiguur in Xenofoons boek, maar heel zeker weet men het niet.
Wij kennen de Meden en de Perzen van de uitdrukking: een wet van Meden en Perzen en dat is een letterlijk citaat uit ditzelfde boek Daniël, namelijk hoofdstuk 6, vers 9: Welnu, Koning, vaardig het verbod uit en schrijf het bevelschrift, opdat men het niet kan wijzigen, als een wet van Meden en Perzen, die nooit vergaat. Het is omdat Daniël dit verbod op vreemde godsdiensten overtreedt, dat hij in de leeuwenkuil belandt.
We zijn een beetje afgedwaald van onze tekenen aan de wand, maar niet ver, gelukkig. Terug dus naar hoofdstuk vijf van Daniël.
Terwijl de Meden en de Perzen de stad belegeren, viert koning Belsjassar feest, met overvloedig eten en drinken voor de talrijke genodigden, onder wie ook zijn vrouwen en bijzitten. Onder invloed van de wijn beveelt Belsjassar dat men de gouden en zilveren ‘vaten’, zou halen, allerlei gewijde schalen en bekers die zijn vader, de bekende Nabuchodonosor, geroofd had bij de verwoesting van de tempel in Jeruzalem en die, zoals gebruikelijk was, ergens in een tempel opgeborgen waren. Dit was niet zomaar een dronkemansdaad, het was heiligschennis, zowel tegenover de Joden als binnen de eigen godsdienst, want ook de ontwijding van vreemde heilige voorwerpen was taboe in alle oosterse godsdiensten.
De rest van het verhaal is ons bekend uit de gewijde geschiedenis en uit de vele afbeeldingen die ervan gemaakt zijn, ondermeer het prachtige schilderij van Rembrandt (foto). Er verschijnt een mysterieuze hand die een al even mysterieuze tekst schrijft op de muur.
De koning en zijn disgenoten zijn verschrikt en men laat alle mogelijke wichelaars opdraven om de betekenis van de tekst te ontsluieren, maar geen die erin lukt, zelfs niet als de koning belooft dat wie erin slaagt, met hem op de troon zal zetelen! De koningin herinnert zich dan dat Nabuchodonosor ooit een van de Joodse bannelingen, Daniël had aangesteld als hoofd van alle waarzeggers; die werd er dan bij gehaald. En zie: hij weigert eerst alle geschenken, geeft de koning dan een serieuze zedenpreek en geeft vervolgens de uitleg: hij kan de tekenen aan de wand wél lezen!
In het Engels spreken we van the writing on the wall, een veel gebruikte uitdrukking en de titel van een aantal popsongs, onder meer van Johnny Cash en George Harrison, naast een oratorio van Haendel, een koorwerk van William Walton, een suite van Sibelius en andere klassieke muziekstukken; verder nog een gedicht van Robert Frost, een ode van Byron en een van Heine.
Nu weten we wel waar onze uitdrukking vandaan komt, maar wat waren die tekenen dan? Ook dat weten we en weten we niet. De tekst, zo zegt de Bijbel, is mene mene teqel ufarsin, ook mane, tekel, fares. Aha! Dat hebben we al meer gehoord… Zeker wel: we gebruiken het als een geleerd alternatief voor de tekenen aan de wand: als de nationale voetbalcoach niet mee op reis mag, zegt een schrandere journalist vermanend: mene mene… of mene tekel of nog een andere combinatie. ‘Het ziet er niet goed uit…’
Maar het was en blijft een mysterieuze tekst. Hij is ons overgeleverd in verscheidene versies en talen en in elk geval is hij wel vatbaar voor een of andere uitleg. Laten we beginnen met de Bijbeltekst zelf: ‘Dit is de verklaring ervan: mene: geteld heeft God uw koningschap en het overgegeven; tekel: gewogen zijt gij op de weegschaal en te licht bevonden; peres: gedeeld is uw koninkrijk en gegeven aan de Meden en de Perzen.’ Daarop kreeg Daniël toch de beloofde rijkdommen en ereposten, maar diezelfde nacht werd Belsjassar gedood en nam Darius Babylon in.
Waarom kon de koning, noch zijn genodigden, noch de hofwichelaars, de Chaldeeërs, die als de allerbeste astronomen: astrologen en geleerden bekend stonden, de tekst lezen en Daniël wel? In welke taal was die tekst geschreven? We weten het niet, vandaar dat de raadselachtige tekst in alle Bijbelvertalingen, tot op vandaag behouden is gebleven en dat wij nog altijd mene mene tekel oefarsin zeggen en (min of meer) begrijpen.
Misschien was de tekst geschreven in het Babylonisch rebusschrift en dat zou al veel verklaren, want zoals het woord het zelf zegt: dat geschrift was een echte rebus, waarbij een ‘letter-teken’ kon verwijzen naar een letter, een lettergreep, of een heel woord, maar ook naar een afbeelding, zoals in onze rebussen, waar de afbeelding van een kan staat voor het woordje ‘kan’ in de betekenis van ‘kunnen’. Een moeilijke opgave, maar voor de priesters en geleerden van het hof zou dat geen probleem mogen geweest zijn: zij waren de uitvinders van dat ‘taaltje’!
Misschien was de tekst geschreven in het Hebreeuws, zoals op latere afbeeldingen steevast. Dat zou al verklaren waarom de anderen niet en Daniël het wel kon lezen. Maar dan nog: in het Hebreeuws schrijft men geen klinkers en als je uit woorden de klinkers weglaat, kan je soms nog begrijpen waarover het gaat, maar soms ook niet (ls j t wrdn d klnkrs wglt… of nog erger: lsjtwrdndklnkrswglt); om toch duidelijk te maken hoe je een Hebreeuwse tekst moet lezen, gebruikt men allerlei diakritische tekens, accenten, streepjes en puntjes en dergelijke, voor de vocalisatie, het aanduiden van de vocalen of klinkers. Maar die vocalisatie is later aangebracht en misschien niet op de goede manier. De Schriftgeleerden zijn het er dus niet over eens.
Beginnen we met mene. Heel wat versies hebben maar één keer mene, andere twee keer, waarbij sommige een andere betekenis geven aan de eerste dan aan de tweede. Mene of mena is in het Hebreeuws: hij heeft geteld, of uitbetaald, vandaar dat Daniël, verwijzend naar zijn donderpreek, aan de koning zegt: (onze Hebreeuwse) God, verbolgen om de heiligschennis, heeft de waarde van uw bewind in geld uitgedrukt en het als een losgeld uitbetaald aan een ander volk.
Maar mena of mina is ook een Babylonische monetaire of gewichtseenheid die later nog in allerlei andere talen opduikt. En tekel is ook shekel, ook vandaag nog een onderdeel van de Israëlische drachme, ook bekend als de ‘sikkel’, 1/60 van de mina; en men kent ook de pars, een gewicht half zo zwaar als een mina en afgebeeld door een leeuw. Vandaar dat men de hele spreuk ook zo kan lezen: mina, shekel, pars met als symbolische verklaring: na de mina, het glorierijke bestuur van Nabuchodonosor kwam de devaluatie tot de shekel, het rijk van de ondermaatse Belsjassar; en straks komt de pars, de halve mina: het rijk wordt in twee verdeeld onder de Meden en de Perzen. De spreuk is dus, ook in het Aramees dat aan het begin van onze tijdrekening in ‘Israel’ of ‘Palestina’ gesproken werd, een taalspelletje, een raadsel, een cryptogram, een pun.
Het eerste ‘mene’ vertaalt men dan als: er is geteld en de hele spreuk is dan: geteld: mina, shekel, halve mina’ of 1, 1/60, ½. Bovendien was ‘pars’ ook nog een woordspeling op Pers. Tekel betekent ook gewoon letterlijk: wegen of niet veel wegen licht zijn, vandaar: je bent te licht bevonden, amper 1/60 van een mina. En pars is in het Assyrisch: deel, gedeelte, vandaar: je rijk is verdeeld.
Generaties van Joodse Schriftgeleerden hebben zich verkneukeld in dergelijke verklaringen. Ze zijn er gewoon gek op als woorden een andere, verborgen betekenis krijgen door ze om te draaien, te coderen of er een betekenisvolle cijferwaarde aan te geven.
Zo, dat was het. Let dus op voor mene, tekel, oefarsin: de tekenen aan de wand, maak van je persoonlijke overtuigingen geen wetten van Meden en Perzen, hecht niet teveel geloof aan vogel- en andere wichelaars en blijf uit de leeuwenkuil. Allemaal raadgevingen die ook onze politici het best ter harte zouden nemen, vind je ook niet?




















