Boëthius' Vertroosting


Al tijdens mijn humaniorastudies dook met enige regelmaat de naam op van Boëthius en van een van zijn werken, de Vertroosting der Wijsbegeerte (De consolatione Philosophiae). Ook nadien kwam ik hem af en toe tnog egen, maar met zelden meer informatie dan dat: Boëthius heeft een boek geschreven over de vertroosting van de wijsbegeerte. En zo is dat blijven duren, tot vandaag. Want ik heb net het boek in kwestie gelezen, in de Nederlandse vertaling van Johan W. Schotman uit 1952, in de Klassieke Galerij, nr. 19. Ik vond dit exemplaar In ’t Profijtelijk Boeksken in Leuven en betaalde vijf euro; de prijs der dingen is soms omgekeerd evenredig met hun waarde.
Gedurende bijna vijftig jaar heb ik dus van het bestaan van dit werk afgeweten en altijd gedacht: dat moet ik ooit eens lezen. Maar dat zeggen we allemaal en het komt er niet van. Dat is dan een voordeel van op pensioen te zijn: je hebt de tijd en de gelegenheid en je hebt bovendien geen excuus meer want wat je niet meteen doet, doe je misschien nooit meer.
Toen ik dus een zoveelste verwijzing (her)las, in het voortreffelijke ‘De kalender’ (1998, hier besproken op 14.06.2006) van David Ewing Duncan, dacht ik: nu of nooit.
Het valt best mee, kan ik zeggen.
Het is al bij al een dun boekje, amper xxvi + 149 kleine bladzijden. De inleiding is persoonlijk en interessant, de vertaling duidelijk een labour of love, het levenswerk van een meer dan lichtjes geobsedeerde liefhebber. Het werk zelf is een afwisseling van proza en poëzie en de vertaler is erin geslaagd om de poëtische stukjes om te zetten in dezelfde metrische vorm als het origineel. Lees eventueel eens na wat ik over metrum en het vertalen van metrische gedichten te vertellen had: ritme, tempo, metrum in het lijstje hiernaast.
De geïnteresseerde lezer moet wel enig geduld opbrengen. Anicius Manlius Severinus (Torquatus, maar daarover later meer) Boëthius werd rond 480 in Rome geboren en stierf in Pavia, waarschijnlijk in 526. Het gaat hier dus om een (laat-)klassieke auteur en dat blijkt vanaf de eerste pagina. Hij schrijft in de stijl van zijn tijd en met de blik vast gericht op zijn grote voorbeelden, niet alleen de Romeinse, maar nog meer de Griekse, die hij ook in hun originele taal kende, vooral Plato en Aristoteles.
Nog iets over de vertaling. Ook met Johan W. Schotman moeten we wat geduld hebben. Hij was een Nederlands dichter en prozaschrijver (Hoogeveen 10.3.1892-Zwolle 14.3.1976), werkte als arts in China en werd daar getroffen door de oosterse poëzie, zoals blijkt uit eigen bundels: Van de wankele morgen (1919) en Cloisonné (1931). Ook in zijn proza speelt het verre oosten een belangrijke rol: Het vermolmde Boeddhabeeld (1927-1930) en Wind in bamboestengels (1941). Hij was ook psychiater en schreef enkele cultuurbeschouwingen zoals Naar open water (1936) en De macht tot vrijheid (1946), waarin hij afrekent met godsdienst. Hij heeft ook vertaald uit het Chinees.
En dus ook Boëthius. Hij zegt in de inleiding dat hij dat vooral deed toen hij in het verre Oosten verbleef en zonder professioneel classicus te zijn. Zijn Nederlands is, hoe zal ik het zeggen: klassiek? Je leest er zo het Latijn door en toch heeft het een charme van een eerlijke, of misschien zelfs een onbeschaamde vermetelheid, zo van: kijk eens wat ik kan en durf, dit is echt Nederlands en het is een getrouwe vertaling van dit werk van 1500 jaar geleden. Vooral wat hij met de poëzie doet, grenst aan het buitensporige. Je denkt voortdurend: dit is allemaal bijzonder knap, maar het moet ook mogelijk zijn dit in modern Nederlands te zeggen. Misschien waag ik me nog wel eens aan een stukje…
De Vertroosting is ook nog in een andere betekenis een klassieker. Het boekje is een van de meest verspreide en meest geciteerde werken geweest gedurende de hele middeleeuwen en nog een hele tijd daarna, vandaar de vele verwijzingen die men ook nu nog tegenkomt. Ik vrees echter dat er meer verwijzingen geweest zijn dan echte lezers, want het is voorwaar geen stripverhaal.
Het boekje stelt het voor alsof de auteur, ten onrechte beschuldigd van hoogverraad, in de gevangenis zit te wachten op zijn proces. Hij was een zeer belangrijk man in zijn tijd, geboren in een voorname Romeinse familie en als vroege wees opgenomen in een andere even belangrijke, namelijk die van Quintus Symmachus, die zijn beschermheer, stiefvader en vervolgens ook schoonvader werd en die kort na hem eveneens en om dezelfde redenen zou terechtgesteld worden.
Wie al een tijdje aan het wachten was op de gebruikelijke veeg uit de pan voor Van Dale & Co, dan kan ik nu kordaat uit zijn of haar ongeduld verlossen: zij noemen Symmachus de schoonzóón van Boëthius. Jongens, toch! Waar blijven ze het halen? Was het misschien omdat Boëthius zijn twee zonen respectievelijk Boëthius (Jr.) en Symmachus noemde? Van Dale is meer en meer een commerciële onderneming geworden en steeds minder een ernstige wetenschappelijke met respect voor haar maatschappelijke verplichtingen.
Ik zal niet ingaan op de politieke gebeurtenissen in het leven van Boëthius’ leven en de omstandigheden rond zijn dood, al zijn die erg interessant. Ik beperk me (nu ja, beperken…) tot enkele persoonlijke bedenking bij het lezen.
Enkele auteurs, zo ook David Ewing Duncan, zegt dat Boëthius in de gevangenis dagelijks gemarteld werd en uiteindelijk traag gewurgd en dan met knuppels afgemaakt. Dat, samen met enkele van zijn andere geschriften van eerder theologische aard, was voldoende voor zijn latere heiligverklaring als martelaar, vandaar Torquatus, de gemartelde, al zijn er die zeggen dat dit gewoon een vergissing is, gesteund op een verwarring met een tijdgenoot met dezelfde naam, die bisschop was in Noord-Afrika…
Ik weet niet waarop dat ‘dagelijkse marteling’ steunt, het lijkt me een formulering die men overneemt en overneemt en die wellicht niet steunt op enig historisch gegeven maar op de commentaar van een christelijk bewonderaar of een overijverig verdediger in het proces van de heiligverklaring. Als je het zo leest, dan verwacht je dat de Vertroosting, geschreven in de gevangenis door een ten onrechte veroordeelde en constant aan de vreselijkste martelingen onderworpen staatsman en filosoof, een christelijke martelaar, uiteindelijk omgebracht door een heidense koning, de Ostrogotische Theodoric, een pakkend persoonlijk relaas zou zijn, zoiets als de memoires van Vietnam-veteranen of Goelag-overlevenden of de getuigenissen van mensen die de Holocaust hebben overleefd. Zoals ze in Antwerpen zeggen: taràra!
Het is een klassiek werk, zeiden we al. Ik vermoed dat het al zo min in gevangenschap gemaakt is als wat Galileo na zijn veroordeling schreef en dat zijn gevangenschap waarschijnlijk weinig dramatischer was dan een soort huisarrest voor een van de belangrijkste mensen van zijn tijd. Dit was geen Abu Ghraib. Hij moet ongetwijfeld de beschikking gehad hebben over zijn beroemde uitgebreide bibliotheek en van voldoende vrijheid genoten hebben, zowel materieel als intellectueel en emotioneel, om een klassiek werk als dit te schrijven, helemaal in de stijl van de Latijnse retoriek, met al de ingrediënten van een juridisch onderlegde apologia pro vita sua, een zelfverdediging tegenover onterechte beschuldigingen, een filosofisch traktaat in de dialogerende stijl van Plato, met gedichten in al de verschillende stijlen van de klassieke poëzie, telkens aangepast aan de voorgaande of volgende hoofdstukken. Geen sprake van tranen en martelingen en smart en afscheid en dreigende gewelddadige dood.
Dit is filosofie, de gevangenschap is een format, een inkleding, een literair genre dat hem vaak was voorgedaan, denk maar aan Ovidius’ Tristia. Lees het dus maar niet als je sensatie verwacht of de diepmenselijke en overweldigend sterke emoties van een vertwijfeld man aan de rand van de mentale en fysieke afgrond.
De recuperatie van Boëthius door het christendom is merkwaardig, maar wel in de lijn van de traditie, die immers ook Plato, Aristoteles, Vergilius en vele anderen tot anima naturaliter christiana bombardeerde, ook al waren ze helaas (enkele honderden) jaren te vroeg geboren om het Christendom mee te maken. Je zal in de Vertroosting geen woord over de christelijke God lezen, zoals onze uiteindelijk vrijzinnig geëindigde vertaler herhaaldelijk aangeeft. Het moeten dus vooral de commentaren geweest zijn, de verhalen rond zijn martelaarschap en misschien zelfs gewoon de titel van dit al bij al weinig origineel werk: de vertroosting die een mens in zijn hoogste nood vindt in de filosofie, die hem boven het lijden kan verheffen. De Philosophia in kwestie is hier echter een prosopopoeia, een ten tonele voeren van een begrip of een afwezige of overleden persoon als een levend wezen, zoals de vader van Hamlet of die van donna Anna in het don Juan-verhaal of de meest beroemde van allemaal: de prosopopee van de wet in Socrates' Apologie, een van de aanwijsbare inspiratiebronnen van dit werk.
Philosophia verschijnt als een waardige dame en onderhoudt zich met Boëthius, eerst op een vermanende, later op een ontwapenende, aandoenlijke Socratische manier, zoals we die kennen uit de (veel betere!) dialogen van Plato. Het is dus weer een literaire conventie: de personificatie, een stijlmiddel dat nu niemand nog zou durven te gebruiken (op Anthony Burgess na, misschien, in een van zijn Enderby-romans) en dat ook niet bepaald van aard is om de zaak op te vrolijken of indringender of moderner te maken. Maar goed, dat was toen en nu is nu, for better or for worse.
Je moet dus geduld hebben. Maar: geduld wordt beloond!
Het is wel degelijk de moeite waard om het boekje te lezen. Het is een genoegen om de spitse redeneringen te volgen, al storen sommige al te evidente sofismen wel vaak: de auteur laat zich soms verleiden tot pure taal- en logicaspelletjes, die nog net vermakelijk genoeg zijn voor een vrijblijvend literair werk, maar die ons niet dichter bij de beoogde filosofische waarheid brengen en integendeel de aandacht afwenden van andere pistes die duidelijk niet passen in de filosofie van de verstroosting.
Je vindt er ook aanzetten in voor bekende en minder bekende uitspraken van meer recente auteurs (e.g. du choc des idées jaillit la vérité), naast talloze klassieke verwijzingen, natuurlijk, vooral in de poëzie, die daardoor dan weer wat minder leesbaar wordt voor de niet-klassiek geschoolde lezer.
Het laatste hoofdstuk is, in tegenstelling met de verwachtingen (zal het nu eindelijk eens gaan over zijn lijden en dood?) vrijwel geheel gewijd aan de klassieke filosofisch-theologische twistvraag over vrije wil en predestinatie, over de alwetendheid van God en de vrije wilsbeschikking van de mens. Weer wemelt het van sofismen, dat zijn redeneringen die in het beste geval alleen maar vormelijk juist zijn, Socrates had er al geen goed woord voor over. Maar toch vind je er ook aanzetten voor vragen die wij ons nu nog altijd stellen.
‘Zelfs’ mensen zoals ik, die ervan overtuigd zijn dat de wereld noodzakelijkerwijze is zoals hij is, dat hij niet anders kon zijn omdat alles een oorzaak heeft; die meent dat er niets is buiten het waarneembare, ook voor ons ‘materialisten’ en ‘godloochenaars’ is er menselijke vrije wil. Het is niet omdat de evolutie ons gebracht heeft waar we zijn, dat die evolutie ook van bij de aanvang al vastlag, zeker niet, we hadden er namelijk even goed niet kunnen zijn, de wereld had net zo goed niet kunnen bewoonbaar zijn en levenskrachtig, of bepaalde diersoorten en zelfs de mens had er evengoed anders kunnen uitzien, maar het toeval heeft er nu eenmaal zo over beschikt.
Het is niet mijn ambitie hier in enkele woorden een oplossing te bieden voor een probleem dat zou oud is als de mensheid, of om het met Boëthius te zeggen: perennium, zoniet aeternum. Toch nog even dieper graven. Stel dat ik, ongetwijfeld onder invloed van allerlei informatie over de opwarming van de aarde, overweeg om een zonneboiler te plaatsen. Ik kan altijd ja of nee zeggen, nadat ik alle argumenten goed heb afgewogen. In beide gevallen kan je dan nog altijd zeggen dat ik beïnvloed ben door argumenten, dus nog altijd niet helemaal vrij. Stel dan dat ik toch beslis om de aankoop te doen. Nog altijd onvrij, kan je zeggen. En even later me bedenk en toch nee zeg. Nog altijd onvrij? En zo maar door.
Uiteindelijk kan je zeggen dat je bij dergelijke en zeker voor nog meer belangrijke beslissingen, zoals de partnerkeuze, of je kinderen wil en hoeveel, bijvoorbeeld, zeker beïnvloed bent door externe factoren; maar het zijn niet zomaar omstandigheden zoals de buitentemperatuur of de windsnelheid of de jaarlijkse hoeveelheid regen die je beslissing zullen bepalen, het is je eigen persoonlijke verwerking van velerlei informatie gedurende je hele voorgaande leven die uiteindelijk in een of andere richting de doorslag zal geven. Je bent dan niet het willoos werktuig van het lot in de vorm van externe factoren. Je bent in feite hoofdzakelijk afhankelijk van je eigen geschiedenis, van jezelf en dat is hetzelfde als vrijheid, want wie niet rechtstreeks afhankelijk is van wat buiten hem- of haarzelf ligt, is die niet vrij te noemen? Ik begin verdorie al te redeneren (en te schrijven) zoals Boëthius…
Ik ben blij dat ik weer een intellectuele ereschuld heb ingelost, dat een zo lang geoormerkt boek nu van het te-lezen-lijstje is verdwenen en dat die zelfgekozen morele plicht, ooit de Consolatio Philosophiae te lezen, nu eindelijk vervuld is. Dat het iets helemaal anders is gebleken dan verwacht, wijst er nogmaals op dat je niet mag voortgaan op wat je dénkt te weten. Zu den Sachen Selbst! Laat je niets wijsmaken, zoek het zelf uit, dan weet je het eens en voor altijd en kan niemand je nog iets wijsmaken.
Een kleine voetnoot over het boek van David Ewing Duncan. In zijn bespreking van Dionysius Exiguus (500-560), een jongere tijdgenoot dus van Boëthius, vermeldt hij de kwestie van de 532 jaren die volgens Dionysius toen verlopen waren sinds Christus geboren was. Alhoewel de auteur er met zijn neus op zat, heeft hij niet ingezien waarom dat precies 532 moest zijn. Lees eventueel (nog) eens na wat ik hier schreef over het geboortejaar van Christus, onder die titel in het lijstje hiernaast, dan weet je het ook.




















