amer & quatertemper


In de buurt van Puurs vind je een wegwijzer naar ‘Eikse Amer’; in Aarschot heb je een Amerstraat, maar ook in Spijkenisse, Dordrecht en Terneuzen, Nederland; er zijn ook een aantal Amerwegen; genoeg om je af te vragen wat amer is… Was ik er maar niet aan begonnen!
Van Dale zegt het meteen duidelijk: amer is gewestelijk en verouderd voor houtskool. Daarmee was voor mij aanvankelijk de kous af. Maar onlangs kreeg ik een brochure in de bus van de plaatselijke natuurvereniging, met een lijstje van typische woorden en een daarvan was amer en de uitleg was: loskaai. Loskaai?
Wat zoeken op internet bracht me op de website van de Middelberg hier in Rotselaar (waarvan Werchter een deelgemeente is) en ik citeer wat ik daar vond, ik hoop dat ze het mij niet kwalijk nemen:
Een deel van het hout werd vooraf omgezet in houtskool door houtskoolbranders. Het transport van het hout en de houtskool gebeurde per trekschuit, het meest geschikte bulktransportmiddel uit die tijd. Voor de verkoop van het hout of de houtskool moesten de handelaars hun vracht laten meten en moesten zij stapelrecht betalen (het ‘amergeld’) op één van de drie de laad- en losplaatsen of ‘amers’ in de baronie Rotselaar (Wakkerzeel, Haacht en Ninde, onder Werchter). De houtuitvoer was belangrijk: tussen 1777 en 1794 werden in de baronie Rotselaar minimum 1.119.000 bundels hout gestapeld, of jaarlijks gemiddeld 62.166,6 bundels (ca. 1.934m⊃3;). De belangrijkste stapelplaats was de nieuwe amer van Ninde (1777): ruim 65% van alle hout uit de baronie Rotselaar werd daar gestapeld en verhandeld.
Daarmee weten we waar ze in de brochure de mosterd haalden. Of de mutsaard? Dat is inderdaad een takkenbos en Abraham had die nodig voor het brandoffer van zijn zoon Isaac. Toen we niet meer wisten wat een mutsaard was, hebben we er maar ‘mosterd’ van gemaakt.
Merkwaardig is dat het ook hier over houtskool gaat, maar de auteur vermeldt die betekenis niet, terwijl loskaai niet in Van Dale staat onder ‘amer’. Het zou kunnen dat onze dorpelingen op die losplaatsen ook hun houtskool produceerden, namelijk door halve verbranding of verhitting van hout, waarbij door afdekking van het hout de toevoer van zuurstof beperkt wordt; het water ontsnapt en er blijft alleen de verkoolde vaste stof over: houtskool. Misschien is de oude naam voor houtskool meteen ook maar gebruikt voor de plaats waar men amer maakte, stapelde, verkocht of verlaadde. Het lijkt onwaarschijnlijk dat ‘amer’ algemeen gebruikt werd voor loskaai, dus zonder dat er houtskool aan te pas kwam; ik vond in alle geval geen verwijzingen in die zin.
In de buurt van Maastricht heeft men het in het dialect over ‘aomeriezer’ en dat is een ouderwets strijkijzer dat binnenin een holte had waar je gloeiende houtskool kon in doen, dat bleef langer warm dan het model dat je op de kachel moest opwarmen.
Amer is dus echt wel houtskool. Eikse amer is dan houtskool van
eikenhout.
Van Dale is weer geestig met zijn etymologische uitleg: (1477) ~ Du. Ammern, Lat. urere (branden), Gr. heuein (zengen).
Laten we daarop even dieper ingaan. Ons ‘amer’ zou dus afgeleid zijn, rond 1477, van een Duits woord Ammern. Ik heb maar een bescheiden Kramers’ Duits woordenboek hier bij mij, maar ook online Duitse woordenboeken is dat Ammern niet te vinden, althans niet in de betekenis van houtskool of branden, wel als de naam voor een soort vogels: de gorzen. Na heel lang zoeken vond ik een verwijzing naar een geleerd artikel, waarin de etymologie van het Duitse Ammern wordt uitgelegd; de details voeg ik hierbij in voetnoot; het gaat enerzijds om ‘aim’ en dat betekent rook en anderzijds ‘uzjon’, vuur; samen geeft dat blijkbaar ‘eimuria, eimere, amere’. In ‘eimuria’ ziet men een verwantschap met het Latijnse urere, branden en het Grieks daarvoor: heuein. Het lijkt wel of dit artikel de bron is geweest
voor Van Dale.
Ook in het Duits is het een verouderd woord, dat je bijvoorbeeld bij Luther nog kan aantreffen.
In het Engels zien we onze amer en het Duitse Ammern terug in ember, meestal in het meervoud embers: gloeiende asse in een haard of kachel.
Even terzijde: in het Engels heb je ook de uitdrukking ember days en dat is, verrassend genoeg, wat wij vroeger in ons katholieke Vlaanderen ‘quatertemperdagen’ noemden, het is misschien wel vijftig jaar geleden dat ik dat woord nog eens gebruikt heb! Het was in mijn kindertijd een synoniem voor vastendagen, waarop geen vlees of vleesnat mocht ‘genuttigd’ worden en waarop de volwassenen eigenlijk moesten vasten, dus helemaal niet eten. De meest bekende vastendag was Aswoensdag, bij het begin van de Vasten, de periode van veertig dagen voor Pasen: wij mochten dan niet snoepen en kregen ook geen suiker in de koffie! Maar er waren in elk jaargetijde dergelijke vastendagen en daarvan komt ook die rare naam, quatertemper: quatuor tempora is in het Latijn ‘vier tijden’ of vier jaargetijden. Ik dacht altijd aan ‘kwade temperdagen’: kwaad omdat je niet mocht snoepen en maar amper te eten kreeg en temperen is matigen, weer zo’n leuke kinderetymologie.
Voor die Engelse ember days is er nog een andere uitleg, maar die bespaar ik je, want de echo van onze quatertemper is te mooi om niet waar te zijn.
Zo, dat was het. We hebben weer eens rondgereisd in het oude Europa, met tussenstoppen in Puurs, Rotselaar, Dordrecht, Spijkenisse en Aarschot, een citytrip naar Engeland, een reisje in de tijd naar Luthers Duitsland en nog verder terug naar Athene en Rome en van die allerkatholiekste stad met de zegen Urbi et orbi weer naar onze Vlaamse vastendagen.
Als je nog eens amer tegenkomt, dan weet je het nu: houtskool!
1AMMER f.
ahd. eimuria, mhd. eimere, mnd. âmer(e), êmere, ae. ǣmyrge, ǣmerge, ne. ember, an. eimyrja wird gedeutet als kompositum aus germ.*aima- (vgl. an. eimr rauch) und germ.*uzjōn f. (vgl. an. ysja feuer, mit l-suffix ahd. usil-, ae. ysel, an. usli glühende asche, funken, mnd. osele funkenasche). das zweite kompositionsglied stellt sich zu idg.*eus- brennen, wozu auch lat. urere brennen, grch. εὕειν absengen, ai. ósati brennt, alb. ethe fieber gehören (vgl. Kluge in: zs.f.vgl.sprachforsch. 26,84; Pokorny et. wb. 1,347f.). meist im pl., glühende asche, funkenasche:
E8.jh. busta.. eimuria ahd. gl. 1,58,10 S./S. 15.jh. unde sette in de ameren unde lat braden mnd. kochb. (braunschw. jb. 37) 46. 1533 wird man die ammern widder auff scharren und viel dreyn blasen Luther w. 38,85 W. 1639 unter der glüenden ahmer Micraelius Pommer-land 4/6,160. (1774) als (er) .. sich eines winterabends, über den ammern eines ausgebrannten feuers wärmte Bode Schandi (1776)4,143. 1807 die ammern oder ämmern Campe wb. 1,118a.



















