Hey, big spender!


Hoe rijk onze Vlaamse taal is, bleek gisteren nog maar eens tijdens een familiebezoek met de vier broers van Lut. Toen ze gezamenlijk en op basis van hun herinneringen een grondplan trachten te reproduceren van het eerste ouderlijk huis in St.-Gillis-Waas, duidden ze een bepaalde ruimte aan met de naam: spender. Ook andere familieleden uit de streek, het land van Waas, bleken dat woord nog te kennen, hoewel ze het niet meer gebruikten. Voor mij was het een aangename verrassing: een woord dat ik niet kende, heerlijk!
Geen van de woordenboeken om mij heen bracht evenwel soelaas (van het Latijnse solacium, troost; denk aan Boëthius’ consolatio, vertroosting).
Mijn geloof in de lexicografie, de tak van de taalwetenschap die zich bezighoudt met het verzamelen en beschrijven van woorden, wat dan resulteert in een lexicon of woordenboek, is evenwel net zo fervent als mijn vertrouwen in het internet. Dus ging mijn zoektocht verder.
Vanzelfsprekend kom je dan, in die door het Engels gedomineerde virtuele wereld, bij Hey, big spender!, de song uit de musical Sweet Charity, die lang gelden door Shirley Bassey in de charts werd gezongen. Het is de uitdagende oproep van een betaalde danseres aan haar aarzelende klanten om eens wat geld aan haar uit te geven. Blijkbaar lieten jonge dames van ietwat lichtere zeden (en/of beurs) zich betalen per dans, je kon in balzalen daarvoor tickets kopen. De musical is een bewerking van de Fellini-film uit 1957 Le Notti di Cabiria, met Giulietta Masina, zijn vrouw, in de hoofdrol als een Italiaans hoertje.
Maar om die big spender of potverteerder ging het niet, daar in het Waasland. Of misschien toch?
Want de oorsprong van het Engelse to spend ligt bij het Latijn: pendere, een woord met vele samenstellingen en betekenissen, waarvan de oorspronkelijke, ‘hangen’ ons bekend is van woorden als pendel, pendentief, pendule, allemaal hangende kwesties. Een andere betekenis is die van ‘wegen’ en dat is niet moeilijk, want hoe ging dat wegen in de oudheid? Met een waag of een weegschaal in haar eenvoudigste vorm, een stok in het midden opgehangen aan een touw en met aan de uiteinden enerzijds een gewicht en aan de andere kant het voorwerp dat men wou wegen. Ophangen is dus ook wegen.
Door iets te wegen verdeelt men het: een zak graan kan men op die manier in porties opdelen.
Vandaar is het maar een kleine stap naar dispendere en dat is uit- of ronddelen, vooral gezegd van geld, brood of andere weldaden, een betekenis die ook het grondwoord pendere al heeft in zijn figuurlijke betekenis. Een verwant werkwoord is dispensare met vrijwel dezelfde oorspronkelijke betekenis, namelijk verdelen of uitdelen per gewicht; een dispensator was dan iemand die aangesteld was om die bedeling te doen, om erop toe te zien dat het eerlijk gebeurde, dus de manager, de toezichter. In een dispensarium slaat men allerlei zaken op om die uit te delen, het is een verouderd woord in het Nederlands voor een vroege soort polikliniek.
Maar we zijn nog niet helemaal bij onze Nederlandse spender.
In de Middeleeuwen was een van de verplichtingen van de gegoede klassen het geven van aalmoezen (via het Latijn van het Griekse eleemosynè, medelijden, denk aan Kyrie eleison, Heer heb medelijden). Dat gebeurde vooral in kastelen, kerken en kloosters zelfs tot op onze dagen in een vrij georganiseerde vorm. Het is nu grotendeels overgenomen door allerlei vrijwilligersorganisaties, voedselbanken &c. Toen heette dat nog naastenliefde, een mooi Nederlands woord voor het Latijnse caritas, in het Frans charité en in het Engels charity, al dan niet sweet.
Ook toen al werd op vaste tijdstippen voedsel, vooral brood en soep, uitgedeeld aan de armen, de bedelaars (van bede, vraag, zoals in gebed en bidden). Dat was dus een soort voedseldispensarium, waar men dispendia kon krijgen, uitgedeeld voedsel. Maar een zo geleerd woord is aan bedelaars niet besteed en al gauw is het afgekort tot spenda. Op dezelfde manier heeft dispendere zijn di- verloren om te komen tot ons ‘spenderen’, uitgeven; Van Dale heeft zelfs een (in het klassiek Latijn onbestaand) werkwoord opgediept om een krampachtige etymologie te verzinnen, namelijk spendere.
Van Dale kent echter wel ‘spinde’: het is gewestelijk voor ‘provisiekast, broodkast, bewaarkelder voor eetwaren’. De Waaslandse ‘spender’ uit het ouderlijk huis is wel degelijk die koele berging, die zich bevond onder de trap, in een ondiepe kelder. Hoe we van spinde naar spender gegaan zijn of omgekeerd, ligt voor de hand; enerzijds geeft ‘dispend’ aanleiding tot ‘spind’ en anderzijds geeft ‘spinde’ onder invloed van kelder - een spinde is immers een soort kelder - allicht ‘spender’.
De allereerste Van Dale uit 1864, die je gratis bij de elektronische 14de editie bij krijgt, legt het verband met die beroerde vroegere tijden:
Spinde, v. (-n), spijskamer, -kast. ↑ *-N, bw. gel. (ik spindde, heb gespind), uitdeelen. *-BROOD, o. (-en), *-SOEP, v. (-en), *-STUK, o. (-ken), brood -, soep -, vleesch bestemd om aan de armen uitgedeeld te worden.
Twee persoonlijke anekdotes om te eindigen. Ooit was ik uitgenodigd in een eerbiedwaardig seminarie voor missionarissen in de buurt van London, ter gelegenheid van de uitreiking van de einddiploma’s. De studenten voerden een spetterende show op, met daarin onder meer Hey, big spender! gebracht door seminaristen in bijzonder overtuigende playback travestierollen, compleet met ruime blikken op de welgevormde dijen van die toekomstige dienaars Gods… (niet op de foto...). Engeland heeft een bijzonder sterke en voor ons heel gewaagde traditie met travestie en hoewel ik dus wat verrast was die ook in een katholiek seminarie aan te treffen, waren de Dean of Studies en de andere professoren wild enthousiast over die ongewone kijk op de… talenten van hun studenten.
Bij een andere gelegenheid mocht ik aanwezig zijn bij de dagelijkse bedeling aan een haveloze groep plaatselijke verschoppelingen, van ruime hoeveelheden netjes gesneden en gevulde sandwiches, boterhammen zonder korst met beleg, en soep, aan de deur van het bisschoppelijk paleis in Edinburgh, Schotland, door enkele mij bevriende jonge priesters, ook een vorm van sweet charity.
Aan de week die ik ginds doorbracht, behoud ik enkele van de meest indringende beelden van wat het katholieke christendom kan zijn, from the sublime to the ridiculous.




















