Ursula & Cordula


Ursula en Cordula, twee namen die vroeger heel vaak voorkwamen, niet alleen in Vlaanderen, maar in de hele (christelijke) wereld. Vandaag weet amper nog iemand dat die namen bestaan hebben. Geen van beide oorspronkelijke heiligen, naar wie al de volgende Ursula's en Cordula's genoemd waren, wordt nog officieel gevierd in de katholieke kerk sinds de hervormingen van 1969 (!). Nochtans waren ze allebei heel populair, vrijwel tot op het moment dat ze uit de lijsten verdwenen zijn. Talloze kunstenaars, en niet van de minste, bijvoorbeeld Memling, hebben hun verhaal uitgebeeld, bezongen en verteld. Wij kennen hier bij ons de vrouwelijke congregatie van de Ursulinen, gesticht door Angela de Merici in 1535, die zich vooral met de opvoeding van jonge meisjes bezighield; er is een belangrijke secundaire school in Sint-Katelijne-Waver.
Wat weten wij over die twee heiligen? In een woord: niets. Dat is ook de reden waarom men ze bij de herziening van de heiligenkalender in 1969 stillekens weggelaten heeft. Er is geen enkel historisch document dat hun naam vermeldt, al de legenden rond hun leven of dood, zijn gedurende 1600 jaar verzonnen, aangedikt, vermengd met andere verhalen en aangepast aan plaatselijke of tijdelijke omstandigheden.
De eerste vermelding van maagdelijke martelaressen verschijnt in een inscriptie van rond 400 op de huidige kerk van Sankt Ursula in Keulen. Het is een vage tekst over de oprichting van een basiliek op de plaats waar ‘naar verluidt' maagden hun leven zouden gegeven hebben voor het geloof. Dat is alles, meer is er niet, geen namen, geen data, geen aantallen. Enkele honderden jaren later spreekt men al van ettelijke duizenden maagden, van wie de voornaamste Pinnosa zou geweest zijn. Daarna zijn de aantallen zeer uiteenlopend: twee, elf (Ursula, Sencia, Gregoria, Pinnosa, Martha, Saula, Britula, Saturnina, Rabacia, Saturia, and Palladia), tweeduizend, elf honderd, tot elf duizend vanaf het jaar 900. Waar komt die 11, 1100 of 11.000 vandaan? Ook dat weten we niet. Heeft iemand een onduidelijke aanduiding op de inscriptie in Keulen verkeerd gelezen als XI? Heeft men er later XI MV van gemaakt, elf Vrouwelijke Martelaren (undecim martyres virgines), en is dat dan weer verkeerd gelezen als undecim milia virgines (er werd veel afgekort in inscripties en manuscripten)? Was een van de maagden Undecimilla, letterlijk Elfje? Het was in de Romeinse tijd inderdaad gebruikelijk om vooral slaven geen naam maar een volgnummer te geven; Primus, Secundus, Tertius, Quartus, Quintus, Sextus &c. Heeft men die Undecimilla dan gelezen als undecim millia, elf duizend? In de kerk in Keulen liggen duizenden beenderen, waarschijnlijk de overblijfselen van een begraafplaats die men rond 1100 (!) heeft ontdekt; toen een dokter in de 19de eeuw vaststelde dat er ook dierlijke beenderen bij waren, moest hij de stad verlaten onder druk van de kerk en de publieke opinie...
De elementen die we het vaakst terug vinden in de legende zijn deze. Een Britse prinses werd uitgehuwelijkt aan een heidense koning, maar stelde als voorwaarde dat hij zich zou bekeren en drie jaar zou wachten met de voltrekking van het huwelijk. Van die adempauze maakte ze gebruik om de vlucht te nemen naar het vasteland. Toen ze met elf gezellinnen en 1000 dienaressen voor elk van hen, de oversteek maakte, brak er een storm los die het schip ergens in Gallië deed stranden. Van daar begonnen ze aan een lange pelgrimstocht die hen tot in Rome bracht. Daar nam de paus ontslag en reisde met hen mee. Zo kwamen ze in Keulen terecht, dat door de Hunnen belegerd werd. Ze werden verraden en uitgeleverd en alle 11.000 vermoord door de Hunnen, Ursula door Julius, de aanvoerder zelf, met een pijl. Dat is het verhaal van Sint-Ursula en de 11.000 maagden, en het heeft alle twijfels, bedenkingen en ernstig wetenschappelijk onderzoek overleefd tot in 1969. Er zijn talloze versies van, die honderden stichtelijke bladzijden vullen.
Cordula verschijnt ook in een van die legenden. Ze was een van de gezellinnen en had zich verborgen tijdens de slachting, maar de volgende dag kreeg ze spijt en onderging vrijwillig het zelfde lot.
Dat laatste element heeft een vreemde echo in een verhaal uit de Franse Revolutie, dat we voor het eerst vermeld vinden in de memoires van Mère Marie, van het Karmelietessenklooster van Compiègne, die de Terreur overleefde. Toen de vermoorde nonnen later door de kerk zalig verklaard werden, vond de jonge Duitse katholieke schrijfster Gertrude von le Fort in hun verhaal inspiratie voor haar roman: Die letzte am Schafott (1931). Dat is later bewerkt tot een toneelstuk, dat veel succes kende in katholieke middens; ik herinner me opvoeringen door een amateurgezelschap in mijn geboortestad Eeklo, met mijn al te vroeg overleden zus in de rol van Blanche de la Force ( cf. von le Fort). Georges Bernanos werd aangezocht voor een filmscript en breidde het verhaal uit met personages en gebeurtenissen. Francis Poulenc (1899-1963) maakte er een opera van: Dialogue des Carmelites, gecomponeerd in 1953, première in La Scala in 1957. Vooral de scène met het akelige geluid van de guillotine is vermaard. De jonge zuster Blanche onttrekt zich aanvankelijk aan het lot van de andere zusters, maar komt dan in een uiterst dramatische scène opdagen om als laatste op het schavot haar plaats in te nemen bij haar medezusters, als een nieuwe Cordula.
De etymologie van ‘schavot' vind je terug in mijn bijdrage over de Olympische gekte, klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=78609.
Zelfs als we enig begrip opbrengen voor de wellicht vermeende goedgelovigheid van de gelovigen gedurende meer dan 1600 jaar, kunnen we vandaag niet anders dan ons vragen stellen over een kerkelijke overheid die dit en andere verhalen niet alleen heeft toegelaten maar ook nog bekrachtigd op de meest formele wijze: heiligverklaring, met een officiële feestdag op 21 oktober (voor Ursula en de 11.000 maagden, of toch 10.999, want Cordula werd op 22 oktober gevierd, natuurlijk). Al heel vroeg hebben historici en zelfs theologen gewezen op de uiterst zwakke gronden voor de verering van deze schijn-heiligen, maar tevergeefs. Hoe wijd verspreid het verhaal was moge onder meer blijken uit de naam van de Virgin Islands, de Maagdeneilanden in de Caribische zee, zo genoemd door Columbus zelf: Santa Ursula y las Once Mil Vírgenes. Op het wapenschild verschijnt zogezegd Sint-Ursula, alleen, met een olielamp in haar hand en nog 11 (!) olielampen daar rond. Die olielampen lijken me echter veeleer een verwijzing naar de parabel van de wijze en de dwaze maagden (Matheus 25, 1-13). Je kan het allemaal aandoenlijk vinden of ook gewoon onzin. Het toont nog maar eens aan dat de menselijke verbeelding geen grenzen kent, vooral inzake religie.



















