Orgelpijpen


Zoals zoveel van mijn leeftijdsgenoten vond ik mijn eerste muzikale indrukken in de kerk. Al heel vroeg zaten we dagelijks in de kerk voor de vroegmis, in mijn geval was dat steeds een gezongen mis, met de koster als zanger en begeleider op het orgel. Hij was een Hongaarse vluchteling, Nandor Neichel, als ik het goed heb, met een heldere, zuivere hoge tenorstem. De Sint-Vincentiuskerk in Eeklo is een kolossaal neogotiek bakstenen gebouw in het midden van de stad, met een toren van bij de honderd meter hoog, een arrogante uiting van de ambities van de triomfantelijke kerk. Aan de binnenkant was ze wat menselijker door de zachte tinten van de muurschilderingen, waaraan naar verluidde in familiekring mijn ‘nonkel’ Alfons Oosterlinck heeft meegewerkt; hij was de man van de halfzuster van mijn grootmoeder; hij was huisschilder maar ook een zeer begaafde kopiist van de grote meesters. Daarnaast leverde hij om den brode ook talloze simpele maar best aantrekkelijke natuurtafereeltjes af, bestemd voor de welgestelde boeren die zo hun erf vereeuwigd zagen en hun rijkdom bevestigd.
Het orgel van de decanale kerk in Eeklo was indrukwekkend van afmetingen en van geluid. Ik was er al meteen door gefascineerd. Met verbaasde verrukking zat ik te genieten van de soepele, subtiele begeleiding van het Gregoriaans en van het eigene van de dag, maar het meest nog van de geïmproviseerde stukken: de inleiding nog voor de mis begon, dan een stukje na het offertorium, nog een na het sanctus naar de consecratie toe, heel zacht en mysterieus, dan weer tijdens de communie tot aan de zegen en ten slotte een triomfantelijke fanfare, op naar een slotfortissimo op alle registers. Vooral in de aanloop naar de plechtige communie zat ik alle dagen tien minuten voor tijd al in de kerk en bleef zitten tot de laatste echo’s een na een waren weggestorven in die enorme ruimte. We waren nooit met meer dan tien mensen in die missen, enkele schoolkinderen zoals ik, een kwezeltje achter een pilaar, een ongetrouwde jonge vrouw in bontjas op de ‘eigen’ met pluche gestoffeerde stoel. De andere misgangers waren al lang weg toen ik nog naar de koster zat te luisteren. Speelde hij voor die ene knaap die achtergebleven was, of voor zichzelf? Ik zal het nooit weten. Maar hij heeft een wereld voor mij doen opengaan, ik ben hem voor altijd dankbaar. Het bedroeft me dat ik hem dat nooit heb gezegd.
Nu lees ik toevallig een nieuwsberichtje: in Oostenrijk zijn dieven aan de haal gegaan met een deel van de orgelpijpen van een kerk, namelijk de tinnen exemplaren. Een orgel is een vreemd en vrij ingewikkeld instrument. Het principe is eenvoudig genoeg, denk aan een blokfluit en dan weet je hoe een orgelpijp werkt. Maar op zo’n orgelpijp zijn er geen gaten voor de vingers, natuurlijk; je hebt dus per toon: do re mi fa sol la si do en weer opnieuw, een afzonderlijke pijp nodig. De meest eenvoudige instrumenten zijn de draaiorgeltjes, die hebben vaak niet meer dan één rij van die pijpjes, twee octaven of zo, genoeg voor eenvoudige melodietjes. Vergis u echter niet: zo’n instrument kost nu stukken van mensen. Als je dus een groter bereik wil, bijvoorbeeld zoals op een piano, dan stijgt meteen het aantal pijpen dat je nodig hebt. Wil je dan ook nog wat verscheidenheid in de klankkleur, zoals in een orkest, dan heb je pijpen nodig van allerlei vorm, ook weer één per toon. In de grote orgels zitten er achter de voorste trots uitgestalde rijen wel tienduizend pijpen en pijpjes. Ze zijn gemaakt van hout, of metaal: blik, tin, zink, lood, koper…
Orgels zijn ware meesterwerken van kunst en techniek, ze behoren tot het werelderfgoed van de mensheid. Helaas zijn het dure, kwetsbare instrumenten, moeilijk te onderhouden. In vele kerken zijn de prachtige instrumenten in verval geraakt en grotendeels onbespeelbaar geworden en dan ook vaak vervangen door kleinere en/of elektronische exemplaren voor de eredienst. Anderzijds heeft men met bijzondere financiële inspanningen van de overheid en het mecenaat een aantal bijzondere orgels tot in de puntjes gerestaureerd. Ik woonde op de laatste open-monumentendag in de recentelijk gerestaureerde Sint-Martinuskerk van Rijmenam een gratis orgelconcertje bij op het eveneens in al zijn glorie herstelde Smetsorgel uit 1777. Het was een gelukzalige verademing in deze haastige hoogtechnologische prestatiemaatschappij.
En dan gaan een paar vandalen aan de haal met enkele tientallen kilo’s tin, samen niet meer waard dan 700 euro, maar met een schade die al gauw een miljoen euro kan kosten. Kijk, dan besef je de betekenis van ‘toegevoegde waarde’. Een stuk marmer is duur, maar Michelangelo’s beeldhouwwerken zijn niet alleen onbetaalbaar, ze zijn ook onvervangbaar. Een orgel is niet meer dan wat gewone materialen, maar wat men ervan maakt is iets uitzonderlijks en de mensen die in staat zijn om zoiets te maken of te herstellen zijn zeldzame ambachtslui en zelfs belangrijke kunstenaars.
Een meesterwerk van menselijke kunde en kunst zomaar vernielen, gewoon voor een stomme diefstal van het materiaal, dat is barbaars. Je kan andere kerkroven nog begrijpen: schilderijen, beelden, retabels, zelfs biechtstoelen: dan heeft men tenminste nog respect voor de kunstwaarde, anders zou men ze niet stelen. Maar het tin uit een orgel halen, dat is erger dan zinloze vernieling. Ik was geschokt door dat bericht en het blijft maar spoken in mijn kop. Je kan zeggen: och wat, het is maar ergens een orgel, er zijn er zoveel die staan weg te kwijnen en er zit toch geen mens meer in de kerk. Maar daarom gaat het niet. Het is de tegenstelling tussen het zorgzaam omgaan met materialen, het omvormen van de materie tot werktuig, tot muziekinstrument, tot kunstwerk, en de vernieling ervan, voor enkele euro’s, nauwelijks genoeg voor een dag drugs, vermoed ik.
Beschaving is kwetsbaar. Ik kocht weer eens een Kundo-klok in de brocanterie, een mooi exemplaar met zes jewels. Maar de batterij is leeg, een vreemdsoortig model van lang geleden, niet meer te vinden en op een moderne batterij reageert het mechaniekje niet… Hoeveel mensen zijn er nog die dat kunnen herstellen? Moeilijk kan het niet zijn, maar wie heeft die kennis? Ik kreeg ooit een mailtje van een Kundo-verzamelaar uit Sint-Truiden die er honderden had hersteld, maar zijn adres ging verloren bij de opeenvolgende computercrashes en ik vind hem niet terug op internet. Nu staat de klok daar, onbekwaam om haar taak te vervullen, een trieste aanblik, maar niets vergeleken bij dat gevandaliseerde orgel in Oostenrijk, bij de vele orgels in de wereld die wachten tot iemand inziet dat ze een toegevoegde waarde hebben die veel groter is dan het doodeerlijke materiaal waaruit ze ooit vervaardigd werden. Het is niet alleen domme hebzucht en barbarij die onze beschaving bedreigen. Onverschilligheid is even efficiënt.



















