oude bokken, groene blaadjes
Het is niet omdat ik zestig geworden ben, of omdat mijn blog op het Seniorennet verschijnt, dat ik plots belangstelling zou gekregen hebben voor de spreekwoordelijke oude bok of liever: voor het groene blaadje. Het is een thematiek die zeer actueel is: elke dag krijgen we wel een nieuwsbericht over een geval van pedofilie of van een oudere man die een veel jongere vrouw huwt. Die problematiek is ook van alle tijden, zoals ook zal blijken uit de rest van mijn verhaal. Het moet dus zijn dat oude bokken altijd al groene blaadjes gelust hebben, en dat de goegemeente dat steeds als afwijkend gedrag heeft beschouwd, waarover zij nu eens verontwaardigd deed, maar zich er dan weer eindeloos vrolijk over maakte.
In de literatuur is het thema alomtegenwoordig. Lolita en nymphet zijn door Nabokov in het algemene taalgebruik gebracht, maar bijvoorbeeld ook Dostojevski voerde in ‘De idioot’ het schrijnende verhaal op van een oude rijkaard die een jong meisje rooft en jarenlang in afzondering houdt.
Ook in het theater en in de opera is die thematiek sterk aanwezig. Plautus († -184) heeft met het blijspel Casina wellicht de basis gelegd voor een eindeloze reeks navolgingen rond het thema van de rijke oude vrek die zijn zinnen gezet heeft op een jonge vrouw, maar die door iedereen uit zijn omgeving bedrogen wordt en uiteindelijk zowel de vrouw als zijn geld verliest.
Een interessante lijn kan van Plautus’ Casina getrokken worden, wellicht via enkele omwegen, naar Ben Jonson (1572-1637) en zijn Epicoene (1609). De oude man in kwestie, Morosus, is bovendien ook zeer op rust en stilte gesteld. Hij dreigt ermee zijn neef te onterven door zelf met een heel stil meisje te trouwen. Hij beseft niet dat het meisje de geliefde is van de neef, die het plan van zijn oom doorheeft en met deze list probeert zijn erfenis veilig te stellen. Het brave meisje ontpopt zich eens getrouwd immers tot een luidruchtige helleveeg die het geld door ramen en deuren gooit. Morosus is uiteindelijk blij dat neeflief haar van hem overneemt, samen met de erfenis, natuurlijk.
In Engeland vind je The Silent Woman of ook wel The Quiet Woman vaak terug als naam van pubs en inns, met op het uithangbord steevast een afbeelding van een vrouw... zonder hoofd, blijkbaar de enige zwijgende vrouw die de tooghangers zich konden voorstellen.
Van dat blijspel van Ben Jonson maakte Stefan Zweig een vrij getrouwe bewerking als libretto voor Richard Strauss’ Die Schweigsame Frau (1935). De ondertitel van Jonsons Epicoene was inderdaad The Silent Woman. Epikoinè is denkelijk Grieks is voor ‘babbelwijf’; naar verluidt was Pauline, de echtgenote van Strauss en een notoire dragonder, niet erg opgezet met de keuze van haar man voor dit onderwerp.
Dat blijspel van Jonson moet ten minste onrechtstreeks aan de basis gelegen hebben van het libretto van Gaetano Donizetti’s nog steeds zeer populaire opera Don Pasquale (1843). Over de toch wel opvallende gelijkenissen in het verhaal van deze beide opera’s las ik nog nergens iets, zodat ik het hier maar even vermeld. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat Strauss zich hiervan niet bewust was, hij was namelijk jarenlang dirigent aan de beste operahuizen ter wereld.
Een andere, niet minder boeiende rode draad voert ons van Plautus naar Beaumarchais (1732-1799), de auteur van twee bij het verschijnen immens populaire, maar door de censuur lang verboden blijspelen: Le barbier de Séville (1775) en Le mariage de Figaro (1784). De sympathieke barbier, een functie die zowel het scheren en knippen als de elementaire geneeskundige verzorging inhield, werd muzikaal eerst vereeuwigd in de opera van Rossini, Figaro in die van Mozart. In beide opera’s is onze oude bok prominent aanwezig en krijgt uiteindelijk zijn bekomst, zoals dat gaat. In Figaro is hij niet zozeer oud als wel de adellijke meester van Figaro, die zijn bediende zijn jonge aanstaande bruid wil ontfutselen, desnoods op basis van het oude ius primae noctis, het recht van de feodale heer op de eerste huwelijksnacht van zijn ondergeschikten. Terloops: we moeten dat recht niet al te letterlijk opvatten, zeggen de meeste historici; hoewel dat hier en daar en af en toe wel zal gebeurd zijn, was dat recht eerder iets dat de geliefden of hun ouders moesten afkopen van de heer, een soort belasting op het huwelijk dus. Dat maakt het niet minder verwerpelijk, maar toch iets minder scabreus.
Met Figaro dienen nieuwe tijden zich aan, de Franse revolutie is niet meer veraf: Mozarts Le nozze di Figaro kende zijn eerste opvoering in Wenen in 1786. Het is nog steeds een van de meest gespeelde opera’s, net zoals Il barbiere di Siviglia en ook Don Pasquale. Strauss’ Schweigsame Frau is niet echt van het repertoire verdwenen, maar is toch duidelijk minder populair bij het grote publiek.
Een postscriptum nog over die Beaumarchais. Hij begon zijn leven onder de naam Caron en als zoon van een horlogemaker. Toen hij 19 was ontwikkelde hij een nieuw soort van échappement dat ook nu nog gebruikt wordt in uurwerken en mechanische polshorloges. Hij heeft het later ver gebracht, onder meer door zich te laten opmerken bij het koninklijk hof. Hij trouwde een jonge weduwe, die prompt stierf en hem naast veel geld ook zijn nieuwe naam de Beaumarchais naliet. Hij werd nog veel rijker door zijn associatie met al dan niet duistere financiële transacties en kon zich een adellijke titel kopen in 1760. Hij werkte als geheim agent voor de Franse koning, maar raakte herhaaldelijk in onmin en ongenade door allerlei juridische problemen, die hij echter steeds in zijn voordeel kon laten beslechten, niet in het minst door zijn briljante pamfletten tegen zijn tegenstanders, die hem de steun van het publiek opleverden. Hij overleefde ook nog de Franse revolutie, was zelfs actief in de aankoop van geweren voor het revolutionaire leger, en speelde een belangrijke rol in de ondersteuning van de Amerikaanse revolutie door Frankrijk, waarbij hij zelf ook een deel van zijn fortuin verloor.
Een kleurrijke figuur, voorwaar.


















