Ongetwijfeld het meest bekende verhaal uit
het Oude Testament vinden we in Genesis: het verhaal van Eva en de appel.
Wellicht is het een poos geleden dat je het nog eens las, daarom vind je hieronder
de tekst nog eens. Ik heb de passages opgelicht die specifiek over de twee
bomen handelen, de levensboom die van de kennis van goed en kwaad. Na de
Bijbeltekst bespreek ik het boek uit 2007 van Paul Cliteur, Moreel Esperanto, dat hierbij aansluit.
Genesis 2,4-3,24
De tuin van Eden
In de
tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, 5 groeide er op de aarde nog geen
enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had
het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te
bewerken; 6 wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal
bevloeide. 7 Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit
aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.
8
God, de HEER, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij
de mens die hij had gemaakt. 9 Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten
die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de
kennis van goed en kwaad.
10 Er
ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in
vier grote stromen. 11 Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila
heen, het land waar goud gevonden wordt. 12 (Het goud van dat land is
uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13 De tweede rivier heet
Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14 De derde rivier heet Tigris; die
loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat.
15
God, de HEER, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en
erover te waken. 16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17 maar niet van de boom van de
kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk
sterven.’
18
God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper
voor hem maken die bij hem past. 19 Toen vormde hij uit aarde alle in het wild
levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke
namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het
heten. 20 De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde
dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21 Toen liet God, de HEER,
de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van
zijn ribben weg; hij vulde die plaats weer met vlees. 22 Uit de rib die hij bij
de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij
de mens. 23 Toen riep de mens uit:
‘Eindelijk
een gelijk aan mij,
mijn
eigen gebeente,
mijn
eigen vlees,
een die
zal heten: vrouw,
een
uit een man gebouwd.’
24 Zo
komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan
zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
25
Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor
elkaar.
3
1 Van
alle in het wild levende dieren die God, de HEER, gemaakt had, was de slang het
sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Is
het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen
eten?’ 2 ‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3
‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van
de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat
toch, dan zullen we sterven.’ 4 ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de
slang. 5 ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je
daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van
goed en kwaad.’
6 De
vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust
voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou
schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man,
die bij haar was, en ook hij at ervan. 7
Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom
regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.
8
Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de
tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar God,
de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10 Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de
tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11 ‘Wie heeft je
verteld dat je naakt bent? Heb je soms
gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’ 12 De mens
antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij
vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13 ‘Waarom heb je
dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang
heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
14
God, de HEER, zei tegen de slang:
‘Vervloekt
ben jij dat je dit hebt gedaan,
het
vee zal je voortaan mijden,
wilde
dieren wenden zich af;
op je
buik zul je kruipen
en
stof zul je eten,
je
hele leven lang.
15
Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,
tussen
jouw nageslacht en het hare,
zij
verbrijzelen je kop,
jij
bijt hen in de hiel.’
16
Tegen de vrouw zei hij:
‘Je
zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen
zul je als je baart.
Je
zult je man begeren,
en
hij zal over je heersen.’
17
Tegen de mens zei hij:
‘Je
hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten
van de boom die ik je had verboden.
Vervloekt
is de akker om wat jij hebt gedaan,
zwoegen
zul je om ervan te eten,
je
hele leven lang.
18
Dorens en distels zullen er groeien,
toch
moet je van zijn gewassen leven.
19
Zweten zul je voor je brood,
totdat
je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:
stof
ben je, tot stof keer je terug.’
20 De
mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. 21
God, de HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok
hun die aan.
22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons
gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat
hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij
eeuwig leven. 23 Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de
aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24 En nadat hij hem had
weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen
en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom
bewaken.
Dit is een van de meest fundamentele
teksten voor alle godsdiensten die zich op de Bijbel beroepen: het Jodendom,
het Christendom en de Islam. Hier stelt God op een manier die geen twijfel
mogelijk laat dat Hij, en niet de mens, weet en beslist wat goed en kwaad is.
Het verhaaltje met de appel hebben we als
kind al gehoord. Nu we het als volwassenen lezen lijkt het een beetje
kinderachtig. Het lijkt wel ‘Jantje zag eens pruimen hangen’. God lijkt meer
bezorgd om zijn appels dan om de mensen die hij geschapen heeft. Hij wil ten
allen prijze vermijden dat de mens zelf het onderscheid maakt tussen goed en
kwaad. Hij wil ook niet dat de mens ook nog eet van de levensboom, want dan zou
hij onsterfelijk worden. Daarom moet hij op het einde van het verhaal uit Eden
weg.
Dit is het onderscheid tussen God en mens:
God bepaalt wat goed en kwaad is, God is onsterfelijk. De mens moet zich
schikken naar Gods wil en is sterfelijk; zijn leven is een strijd.
De drie godsdiensten van het Boek hebben
die fundamentele gedachte verder uitgewerkt. De mens kan weten wat goed en
kwaad is: hij hoeft maar te luisteren naar de stem van God. Die kan hij
rechtstreeks vernemen, zoals Abraham (klik hier voor meer: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=426499).
Het Woord van God zelf vinden we ook in de
Bijbel. We kunnen die zelf lezen en zo rechtstreeks vernemen wat ons te doen
staat. Maar die boodschap is niet altijd duidelijk, of soms al te duidelijk; er
zijn ook heel wat interne tegenspraken. Sommige bevelen of verboden van God
zijn dus niet zonder meer duidelijk of aanvaardbaar voor de mens. Daarom is het
belangrijk dat de bedienaars van de eredienst het Woord van God uitleggen. Dat
is zo voor joden, christenen en moslims. Voor die laatsten is er zelfs een
apart boek dat Mohammed heeft geschreven, eveneens onder rechtstreekse goddelijke
inspiratie. Maar ook als de godsdienst het Woord van God uitlegt, blijft het
nog zo dat God zelf, en niet zijn bedienaars, zegt waar het op staat. God bepaalt
hoe dan ook wat mag en wat niet mag. De mens hoeft maar te luisteren en te
gehoorzamen.
Socrates had een andere opvatting. Hij had
ook andere goden. Die hielden zich minder bezig met wat de mens moest doen, het
waren al bij al zelf erg menselijke wezens. Vandaar dat hij zich afvroeg of zij
wel goed wisten wat goed en kwaad was. Is iets goed omdat de goden het zeggen?
Of zeggen de goden van iets dat het goed is omdat het op zichzelf goed is?
Kunnen de goden met andere woorden om het even wat ‘goed’ of ‘slecht’ noemen?
In het Oude Testament lijkt het wel zo en
ook in het christendom. De joden moesten allerlei heel precieze voorschriften
naleven, onder meer betreffende hun dieet. Het verbod om varkensvlees te eten
is bekend. Eeuwen lang mochten de christenen geen vlees eten op vrijdag. Dat
zijn voorschriften die men niet onmiddellijk met goed en kwaad in verband
brengt. Soms is het zeer de vraag of we de goddelijke teksten echt letterlijk
moeten nemen. Als de staat Israel het Bijbels gebod om de vijanden van Israel
te vernietigen in de praktijk toepast, dan komt daartegen verzet, niet enkel
vanwege de maar al te reële vijanden van Israel, maar uit heel de wereld.
Wanneer de moslims de tekst van de Koran inroepen om zichzelf en onschuldige
omstanders op te blazen, dan veroordelen alle weldenkende mensen dat unaniem.
Als fundamentalistische christenen abortuscentra bombarderen en de dokters
vermoorden, op basis van de Bijbel of van uitspraken van hun godsdienst, dan
stuit ook dat terecht op afkeuring.
Er rijzen dus wel wat problemen als men de
moraal gaat afstemmen op God, de Bijbel, de Koran, de godsdienst. Dat is wat
Socrates zo scherp stelde: de mens verzet zich tegen bepaalde voorschriften van
de goden, omdat ze niet stroken met wat wij zelf aanvoelen als juist en
verkeerd. Er is dus iets in de mens dat hem aandrijft en in staat stelt om zelf
te oordelen over goed en kwaad. Iets is niet zomaar goed omdat God het zegt,
wij willen ook de goddelijke geboden en verboden ook zelf beoordelen.
De vraag is dan natuurlijk: waarop steunen
wij mensen ons om een onderscheid te maken? Kunnen wij dat wel?
Volgens Genesis is dat niet duidelijk.
Enerzijds mochten we niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad, die
kennis was immers Gods privilege. Wat is er precies gebeurd toen Eva en dan ook
Adam in de appel gebeten had? Hadden zij die kennis verworven? Waren ze aan God
gelijk? Het ziet er niet naar uit, zeer integendeel. Niet alleen blijven ze van
dat inzicht verstoken, ze verliezen ook de onschuld die hen vroeger zo intens
en onverdeeld gelukkig maakte. Ze schamen zich nu om hun voorheen glorieuze
naaktheid. En dan is er nog de straf van God: verbannen uit de idyllische tuin
van Eden; de last van de zwangerschap voor de vrouw, die van de arbeid voor de
man.
Het is moeilijk voor ons om dit verhaal zinvol
te verwerken. Wat is dat voor God die zijn geliefde schepsels op de proef stelt
met een erg formeel, weinig zinvol voorschrift? Wie of wat is dat serpent, dat
zo handig Eva verleidt? Die boom was trouwens helemaal niet wat God had gezegd:
ze zouden sterven als ze ervan aten. Maar dat is toch die andere boom, die van
het eeuwige leven? Om te vermijden dat ze daarvan zouden eten, worden de eerste
mensen uit het Paradijs verjaagd. De appelen van de andere boom gaven helemaal
niet de kennis die God én het serpent eraan toeschreven, maar leidden wel een
verschrikkelijke straf, voor de eerste mensen en bovendien voor al hun
nakomelingen. Onbegrijpelijk dat een liefhebbende God zijn schepsels omwille
van één overtreding, en dan nog een totaal onbelangrijke, een soort van
laboratoriumtest, zo straft: ze worden hun onsterfelijkheid afgenomen en gaan
een hard leven tegemoet, tot het einde der tijden.
De boodschap van de tekst is anderzijds wel
klaar en duidelijk: je kan maar beter de bevelen van God navolgen, want de
straffen zijn niet mals. En toch zijn er altijd mensen geweest die deze bevelen
in de wind sloegen, die de goddelijke verboden overtraden. Dat kon zijn omdat
men iets dat slecht was toch wou doen: Kaïn doodt zijn broer Abel (klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=442).
Maar het is ook mogelijk dat men het niet eens is met God, dat men denkt het
beter te weten. Als God in het Oude Testament de Joden beveelt om de mannen en
jongens van andere stammen uit te moorden en de vrouwen tot slaven te maken,
dan kunnen wij dat niet meer goed praten. Als God aankondigt dat hij de steden
Sodom en Gomorra wil vernietigen, vraagt Abraham aan God om zijn plannen te
wijzigen, al was het maar om tien onschuldigen te sparen (Gen. 18).
Wij vinden dat niet alles kan, ook al staat
het in de Bijbel. Evenzo voor sommige voorschriften van de godsdienst. Als de
katholieke kerk zegt dat abortus altijd en overal verboden is, dat euthanasie
niet mag, dat voorbehoedsmiddelen uit den boze zijn, dat echtscheiding en
hertrouwen niet aanvaardbaar is, dan haken gelovige mensen massaal af. Zij zijn
het niet eens met Gods Woord, zoals het verkondigd is door de kerk. Waarom?
De kerk zegt dat de mens dan zondigt, dat
hij zijn eigen genot stelt boven de wet van God. Is dat wel zo? Ik denk niet
dat er iemand is die voor zijn of haar plezier een abortus laat uitvoeren. Uit
de echt scheiden doe je niet voor je plezier, dat kan ik je verzekeren.
Euthanasie doet men enkel om onnodig lijden te beëindigen, uit mededogen.
Voorbehoedsmiddelen zijn een hulpmiddel in een relatie, gericht op verantwoord
ouderschap. Niets van dat alles voelt als zondig aan, gelukkig maar. De
‘goddelijke’ voorschriften zijn dus fout. Wij beslissen als mens dat we het
beter weten.
Nogmaals: waarop steunen we ons daarbij?
Niet op wat iemand anders zegt, maar op wat
wij zelf denken. Dat is het verschil. Wij beslissen autonoom, zelfstandig.
Zeker, we zijn daarbij beïnvloed door allerlei overwegingen, door
omstandigheden, door de maatschappij waarin we leven. Maar de uiteindelijke
afweging maken we zelf, spontaan, impulsief of na rijp beraad en veel
aarzeling. Wij steunen ons op ons gezond verstand, op ons eigen inzicht, op ons
aanvoelen, op onze emoties, op alles wat ons mens maakt.
Filosofen hebben sinds het begin der tijden
onderzocht hoe dat in zijn werk gaat: hoe kan je tot autonome menselijke morele
voorschriften of afspraken komen, dus zonder God of godsdienst? Klik hier voor
meer: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=489735.
Zo komen we bij het boek van Paul Cliteur,
Moreel Esperanto. Naar een autonome ethiek, 428 blz., Arbeiderspers, 2007, €
22,50 paperback.
De auteur is hoogleraar in Leiden en
publiceert ook in kranten en tijdschriften; hij schuwt het publieke debat niet.
Dat blijkt ook uit dit boek. Daarin confronteert hij de twee opvattingen over
moraal die ik hierboven beschreven heb. Hij illustreert uitvoerig in een eerste
deel de problemen die naar voren komen wanneer men een goddelijke moraal
aanhangt. Met vele voorbeelden uit de geschiedenis en de gebeurtenissen van
vandaag toont hij aan dat daaraan steeds grote risico’s verbonden zijn. Wie zich
op Gods woord beroept, hoeft zich niet te verantwoorden. Daarbij veronderstelt
men dan dat men Gods Woord steeds goed begrepen heeft, dat men de Schrift of de
Koran goed gelezen heeft, dat men goed geluisterd heeft naar de uitleg die de
kerk eraan geeft. Men verlaat zich met andere woorden steeds op anderen, men
stelt zich niet de vraag of iets goed of slecht is, men neemt het aan op het
Woord of het woord van iemand anders.
Het valt de auteur helaas niet zwaar om
zeer overtuigende voorbeelden te geven van hoe erg het dan verkeerd kan gaan.
Zelfmoordterroristen, 9/11, Salman Rushdie en de fatwa, de moord op Oranje, de
moord op Theo van Gogh…
Bij het lezen van het betoog in dat eerste
deel rees bij mij stilaan een verontrustende gedachte. De auteur gaat er steeds
vanuit dat de daders van deze misdaden overtuigde gelovigen zijn, die in dat
geloof hun motivatie vinden voor hun ontstellende daden. Dat zal wel zo zijn,
maar hij staat er geen ogenblik bij stil hoe het zo ver is kunnen komen.
Wij worden namelijk niet godsdienstig
geboren, met kennis van de Bijbel en de Koran ingebouwd. Wij verwerven onze
overtuigingen in onze opvoeding, in het contact met onze omgeving.
Zelfmoordterroristen handelen niet in het ijle, er zit een hele organisatie
achter, met veel overtuigingskracht, met ruime financiële middelen. God spreekt
maar heel zelden rechtstreeks tot iemand en als dat gebeurt, hebben wij nogal
de neiging om daar zeer argwanend tegenover te staan. Wie stemmen hoort, hoort
thuis in een psychiatrische instelling, denken wij, zeker als die stemmen
iemand aanzetten tot moord en doodslag. Het is veeleer de godsdienst die mensen
oproept en aanzet tot allerlei daden, ook misdaden.
Als we ons even buiten het gelovig
perspectief plaatsen, dan moeten we zeggen dat het zogenaamde Woord van God altijd
tot ons komt via andere mensen, behalve misschien in de mystiek en in de
waanzin. Dat betekent dat het altijd mensen zijn die anderen aanzetten om
bepaalde dingen te doen of te laten. Ze beroepen zich daarbij wel op God, maar
dat is gemakkelijk en doorzichtig, tenzij je gelooft. Het loont mijns inziens de
moeite om na te gaan waarom die mensen, bijvoorbeeld de geestelijke leiders van
een godsdienst, bepaalde opdrachten geven, zoals het vermoorden van een
schrijver of een cartoonist. De aandacht gaat dan niet meer exclusief naar de
concrete mensen die hun leven geven in een zelfmoordaanslag, maar naar degenen
die hen daartoe hebben aangezet, de opdracht hebben gegeven, de middelen hebben
verstrekt, die de aanslag hebben mogelijk gemaakt.
De daders worden dan de eerste slachtoffers
van hun eigen daad, maar ook van hun opdrachtgevers. Dat zijn dan de echte
daders, de echte verantwoordelijken. De concrete terroristen zijn slechts de
misleide, gebrainwashte uitvoerders.
Dat is een aspect waaraan de auteur
volledig voorbijgaat. Ik meen echter dat wij ons niet mogen blindstaren op de
religieuze motivering van de daders, hoe evident en schokkend die ook is.
Zonder de aanstokers, zonder het systeem erachter zouden dergelijke daden
uiterst zeldzaam zijn en alleen voorkomen bij geestelijk gestoorden. Wat wij nu
zien, namelijk dat goed opgeleide, verstandige mensen zichzelf en onschuldige
anderen vernietigen in een paroxisme van zinloos geweld, dat is enkel mogelijk
binnen de context van een goed georganiseerd en zwaar gefinancierd systeem van
religieuze staatsdictatuur. Toen Khomeini zijn beruchte fatwa uitsprak
tegenover Rushdie, waren er onmiddellijk organisaties die grote sommen
uitloofden (en een auto…) voor degene die het vonnis voltrok. Dat geeft te denken over de strikt religieuze inspiratie van de daders en de motiveringsgronden van de religieuze leiders.
Wat was dan de motivering van Khomeini
zelf? Wat is de motivering van de godsdienstige leiders? Wat is de motivering
van godsdienst? Dat zijn belangrijke vragen waarop de auteur niet ingaat. Ik
meen dat het antwoord erop niets met God of godsdienst te maken heeft, maar
alles met macht en machtswellust. Als de auteur er volkomen terecht voor pleit
om de moraal toch maar niet af te stemmen op godsdienst, ten einde godsdienstig
terrorisme te vermijden, dan doet hij ten minste ten dele aan symptoombehandeling.
De terroristen zelf zijn immers slechts de uitvoerders van de beslissingen van
het systeem dat erachter schuilt. Wil men die aanslagen en dat terrorisme
vermijden en bestrijden, dan zal men zich moeten richten op de grond van het
kwaad en dat is de godsdienst zelf, in de persoon van zijn geestelijke leiders.
Godsdienst is een persoonlijke
aangelegenheid, maar het is ook en vooral een maatschappelijke macht.
Godsdienst zonder wereldse macht is op grote schaal en in het algemeen veeleer ongevaarlijk.
Godsdienst is slechts een middel waarmee de leiders ervan wereldse macht beogen
en verwerven. De aanslag van 9/11 is in hoofde van de daders niets meer dan een
afschuwelijke en onbegrijpelijke misdaad gepleegd in een vlaag van religieuze
verdwazing; wat hebben de daders eraan dat zij de Twin Towers vernielen en
zoveel mensen doden? Niets. Wat is het voor hun opdrachtgevers? Een succesvolle
aanslag op een wereldmacht.
Doordat de auteur zich uitsluitend richt op
de daders en hen beoordeelt als individuele religieus geïnspireerde
fanatiekelingen, mist hij naar mijn aanvoelen de essentie van de dreiging en
het concrete gevaar dat uitgaat van de ‘religieuze’ mensen die achter de
aanslagen zitten.
Het tweede deel is gewijd aan het
alternatief voor een religieus geïnspireerde moraal. Hier gaat de auteur te
rade bij de klassieke bronnen: Socrates (via Plato), Spinoza, het utilitarisme,
Kant… Maar hij doet dat zonder heel diep te graven, hij illustreert het algemeen
principe maar komt zelden aan de concrete vormen toe die een autonome,
menselijke moraal zou kunnen aannemen. Daarmee stelt hij zich bloot aan de
kritiek van religieuze kant, die stelt dat er geen enkele reden is waarom een
menselijke moraal beter zou zijn dan een goddelijke: als men gelooft, dan is
men ervan overtuigd dat Gods Woord onbeschrijflijk veel belangrijker is dan dat
van welke mens dan ook; gelooft men niet, dan nog kan men zeggen dat een wereldwijd
georganiseerde godsdienst, gesteund op duizenden jaren menselijke ervaring en
inzicht, ongetwijfeld een betere basis is voor een moreel oordeel dan het
individueel inzicht van een of andere mens. Het is niet omdat God of de Bijbel
of de Kerk iets voorhoudt dat het ook goed is, maar het is evenmin daarom dat
het meteen slecht en verwerpelijk is.
Tegenover de godsdienstige inspiratie stelt
de auteur de rede, de rationaliteit. Maar ook dat is geen exacte wetenschap.
Men kan morele voorschriften niet bouwen op formele logica. Redelijkheid is
niet objectief meetbaar en is niet bij iedereen in dezelfde mate aanwezig. De
disputen en meningsverschillen tussen de filosofen, ook en vooral over morele
principes en concrete kwesties, zijn ten minste zo hevig en diepgaand als die
tussen de theologen.
Uiteindelijk is moraal niets anders dan de
tijdelijke en tentatieve afspraken die wij als mensen maken om hier en nu samen
te leven. Wij vinden ze terug in onze concrete wetgeving en in de universele
wetten die wij hebben aangenomen. Deze inzichten zijn tijdsgebonden en
onderhevig aan verandering. De theoretische toepassing ervan op concrete
gevallen is verre van eenvoudig en kan verschillend geïnterpreteerd worden door
verschillende personen die zich allen eerlijk beroepen op dezelfde principes.
De praktische uitvoering ervan is een vrijwel onmogelijke zaak, denken we maar
aan de strijd tegen Al Qaida of de vervolging van misdaden tegen de
mens(elijk)heid.
Het boek van Paul Cliteur is heel aangenaam
om lezen. De vele gedetailleerde verwijzingen naar Nederlandse situaties zullen
voor Nederlandse lezers een bijkomende aantrekkingskracht hebben, voor Vlaamse
zijn ze minder evident en af en toe zelfs bevreemdend. In Vlaanderen betekent ‘vrijzinnig’
bijvoorbeeld steeds en uitsluitend ‘niet-gelovig’; in Nederland verwijst het
naar een liberale manier van denken die ook bij gelovigen voorkomt, zoals in
het vrijzinnig protestantisme. Vrijzinnig katholicisme is in Vlaanderen een
contradictio in terminis.