Stefan Zweig & Richard Strauss


Ik las net een kort werk van de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942), Een schaak-novelle (Schachnovelle, 1941). Het is een ongemeen spannend en aangrijpend verhaal over een ontmoeting tussen een schaakgrootmeester en een Oostenrijks bankier die de Nazi-terreur ontvlucht is.
Stefan Zweig kwam eerder toevallig in contact met Richard Strauss.
Met Hugo von Hofmannsthal (hier links op de foto met Strauss) als librettist maakte Strauss de opera’s Elektra (1908), Der Rosenkavalier (1910), Ariadne auf Naxos (1916), Die Frau ohne Schatten (1917), Die Ägyptische Helena (1927) en Arabella (1932). Hofmannsthal stierf in 1929 aan een beroerte toen hij zich klaarmaakte om naar de begrafenis te gaan van zijn zoon Franz, die zich op 26-jarige leeftijd voor het hoofd had geschoten.
Terwijl hij de hand legde aan de laatste bladzijden van Arabella zocht Strauss al een nieuwe librettist en nam daartoe contact op met enkele bekende Duitse en Oostenrijkse dichters. In 1931 vroeg hij aan een bezoeker, Anton Kippenberg, de directeur van Insel Verlag, die op weg was naar Stefan Zweig in Salzburg, om Zweig te polsen over een mogelijke samenwerking voor een opera, zonder veel hoop op een positief antwoord. Hij was dan ook aangenaam verrast toen Pauline, zijn vrouw, hem drie dagen nadien een pakje bracht met een brief van Zweig en een cadeautje: een facsimile van een brief van Mozart uit de unieke collectie van autografen van Zweig. Ze ontmoetten elkaar op 20 november 1931 en Zweig was in de wolken over Strauss en sprak hem over zijn idee om het blijspel van Ben Jonson uit 1610, Epicene, or The Silent Woman om te werken tot een opera. (Lees hierover wat ik hier schreef op 20.10.2006 onder de titel: Oude bokken, groene blaadjes.)
Strauss ging akkoord en vroeg hem om eraan te beginnen. Zweig was vereerd, want Strauss was een wereldberoemd componist en zijn vorige librettist, Hofmannsthal, een wereldberoemd auteur die ook Zweig bewonderde, al wist hij dat Hofmannsthal zich ooit verzet had tegen de opvoering van enkele van zijn eigen theaterstukken. Op 14 september 1932 stuurde Zweig een uitgewerkt voorstel naar Strauss, die verrukt antwoordde: absoluut prachtig! Op 17 januari 1933 was het werk af en Strauss zette zich aan het componeren, tussen zijn ander werk door, onder meer de opvoering van Arabella, in de moeilijke omstandigheden na de aanstelling van Hitler als rijkskanselier. De haatcampagne tegen de joden en hun verwijdering uit alle belangrijke functies was in volle gang. Strauss beloofde een ongeruste Zweig dat hij voor hem zou tussenkomen bij niemand minder dan Alfred Rosenberg, de ideoloog van het Nazi-antisemitisme en op dat moment het hoofd van de studiedienst van de Nazi-partij; in 1946 zou hij worden opgehangen na het Neurenbergproces.
In november 1933 aanvaardde Strauss een aanstelling als voorzitter van de Reichsmusikkammer. Hij zag er een kans in voor zijn belangrijk werk ten voordele van de Duitse componisten, iets waarvoor hij zich zijn hele leven lang al ingezet had, onder meer voor de uitvoeringsrechten en eerlijke royalty’s. Hij meende ook dat hij een gunstige invloed kon uitoefenen op de Nazi’s in de vervolging van (joodse) componisten en muzikanten.
In 1933 emigreerde Zweig naar Londen. Zijn afschuw voor het Nazisme maakte het hem onmogelijk in Europa te blijven.
In januari 1934 schreef Strauss aan Zweig over het succes van Arabella en maakte zich vrolijk over wat hij, nauwelijks ernstig, ‘de kitsch van een grijsaard van 70’ noemde. Later dat jaar besprak Strauss zijn nieuwe opera, die Die Schweigsame Frau zou heten, met Goebbels, de voorzitter van de Reichskulturkammer. Zweig was immers een jood en hoewel hij in Salzburg woonde, in Oostenrijk dus, was Strauss toch verplicht om zijn samenwerking met een joods auteur te beëindigen. Goebbels verklaarde dat er geen politieke bezwaren waren; de Nazi’s waren zeer gelukkig met de ‘medewerking’ van de wereldberoemde Strauss en deden er alles aan om hem niet voor het hoofd te stoten, zeker niet in het vooruitzicht van de 70ste verjaardag van Strauss op 11 juni, een gelegenheid om voor het oog van de hele wereld een reeks festiviteiten op te zetten die het régime in een beter daglicht moesten brengen. Hitler en Goebbels waren de eregasten.
In augustus 1934, in Bayreuth, verklaarde Strauss aan Goebbels dat hij niet van plan was Hitler en Goebbels in verlegenheid te brengen met de uitvoering van de geplande opera, dat hij bereid was zijn werk helemaal terug te trekken en alle uitvoeringen in het Rijk of daarbuiten af te zeggen. Goebbels was ‘diep onder de indruk’ en ze kwamen overeen om de uiteindelijke beslissing aan Hitler zelf over te laten. Goebbels vertelde Strauss vertrouwelijk dat zijn spionnen Zweig in Londen volgden. Strauss schreef daarover naar Zweig en vroeg hem om zich ver te houden van alle openlijke kritiek op het Nazisme; hij stelde hem gerust over ‘hun’ opera: alles zou goed komen. Wat later had hij zelfs een ontmoeting met Zweig, die bij die gelegenheid een onderwerp voor een nieuwe opera voorstelde: Calderóns Vrede van Breda. Zweig schreef nog met nieuwe suggesties voor een opera, die later Friedenstag zou worden; hij voegde er echter aan toe dat hij er alle begrip zou voor hebben indien Strauss voor het libretto iemand anders zou nemen. Twee dagen later stuurde hij Strauss een postkaart met nog een suggestie voor wat later Strauss’ laatste opera Capriccio zou worden. Strauss antwoordde dat hij enkel Zweig als librettist wou, maar dat het misschien verstandig was om alle verdere samenwerking toch maar geheim te houden; indien hun plannen ooit werkelijkheid zouden worden, dan zou de wereld er misschien al helemaal anders uitzien…
Ondertussen begon het openlijk (georganiseerd) en algemeen verzet tegen de nieuwe opera van Strauss en Zweig, een jood. Strauss trok zich terug in Garmisch. Zweig voelde zich niet gelukkig met de druk op zijn persoon, zelfs in ballingschap en stelde aan Strauss voor dat hij in de toekomst met iemand anders zou samenwerken. Strauss antwoordde: Als je het niet erg vindt: ik hou het bij Stefan Zweig.
Strauss was klaar met het componeren van de opera eind oktober 1934.
In februari 1935 schreef Zweig naar Strauss over diens belangrijke plaats in het Duitse cultureel leven en in zelfs in de muziekgeschiedenis. Hij verwierp ook het voorstel van Strauss om in het geheim met hem verder te werken, zelfs met de even geheime goedkeuring van Goebbels. In april stelde Zweig zelf zijn opvolger voor, de cultuurhistoricus Joseph Gregor.
Ondertussen waren de repetities voor Die Schweigsame Frau begonnen in Dresden. Hitler had klaarblijkelijk geen bezwaren, ook niet tegen het ‘joodse’ libretto: hij maakte zelfs zijn voornemen bekend om de eerste opvoering bij te wonen. Maar er was groeiend verzet, ook bij de Nazi’s in Dresden. In de pers verschenen berichten over de schoondochter van Strauss, die joods bloed had, 25%, om precies te zijn. Ook Rosenberg schreef een verraderlijk stuk en toen was duidelijk dat het moeilijk zou worden. Maar Strauss zag het niet of wilde het niet zien. Hij schreef enthousiaste brieven aan Pauline: het zou een triomf worden!
In zijn brieven bleef Zweig hameren op de noodzaak van een opvolger, met name Joseph Gregor. Strauss wou er niet van weten. Uiteindelijk moet Zweig in een niet bewaarde brief zijn diepere redenen hebben blootgegeven voor zijn vraag om een einde te maken aan de samenwerking: hij kon het niet meer opbrengen om te blijven doen alsof er niets aan de hand was, alsof Strauss’ samenwerking met de Nazi’s niet belangrijk was en hem niet deerde. Op de 17de reageerde Strauss geïrriteerd:
Uw brief van 15 juni maakt me krankjorum! Dat ellendige Joodse egoïsme! Het is genoeg om van een mens een antisemiet te maken! Die raciale trots, dat gevoel van solidariteit! Denk je werkelijk dat ik ooit, in om het even wat ik deed, mij heb laten leiden door het feit dat ik een Germaan ben? Geloof je werkelijk dat Mozart bewust componeerde als een Ariër? Ik erken maar twee soorten mensen: getalenteerde en niet getalenteerde. Voor mij bestaat het volk slechts van op het moment dat het een publiek wordt en of het nu Chinezen zijn, Beiers, Nieuw Zeelanders of Berlijners maakt geen verschil uit voor mij, zolang ze maar hun toegangsbewijs volledig betaald hebben. Wie heeft je trouwens verteld dat ik zo diep betrokken ben geraakt in de politiek? Is het misschien omdat ik een concert heb gedirigeerd in de plaats van die smerige Bruno Walter? Dat heb ik enkel gedaan omwille van het orkest! Omdat ik die andere niet-ariër Toscanini heb vervangen? Dat deed ik voor Bayreuth! Dat heeft niets te maken met politiek. Wat de rioolpers daarover schrijft interesseert me niet en het zou ook jou niet mogen storen. Is het omdat ik poseer als voorzitter van de Reichsmusikkammer? Dat doe ik voor het goede doel en om erger te voorkomen. Ik weet waar mijn artistieke plicht ligt en daarom zou ik die vervelende eretitel onder gelijk welk regime op mij genomen hebben. Dus, wil alstublieft zo goed zijn om Herr Moses en de andere apostelen te vergeten voor een paar weken en werk rustig verder aan onze twee eenakters.
Strauss wist niet dat de Gestapo hem in het oog hield. Hij postte de brief in zijn hotel. De Gestapo onderschepte hem en stuurde een kopie naar Berlijn. Het regime kwam in actie. De opera, met zijn joodse connecties: de librettoschrijver, de uitgever en de kopiist, werd publiekelijk veroordeeld. Goebbels schreef in zijn dagboek: De brief is impertinent en bovendien een ongelooflijke stommiteit. Nu moet ook Strauss maar gaan: hij doet maar alsof en schrijft dat nog aan een Jood ook! Vervloekt!
Strauss wist van niets. Op de 22ste kreeg hij in Dresden de affiche te zien, waarop de naam van Zweig verwijderd was. Hij verklaarde dat, tenzij de affiche herdrukt werd met de naam van Zweig in even grote letters als die van Hofmannsthal voor Der Rosenkavalier, hij Dresden zou verlaten nog voor de opening. De intendant van het operahuis in Dresden durfde hem niet weerstaan, maar Berlijn werd wel op de hoogte gebracht. Hitler zat klem: noch hijzelf, noch Goebbels konden of wilden Strauss openlijk dwarsbomen. Met tegenzin liet Hitler meedelen dat hij niet aanwezig zou zijn bij de opening. Goebbels was al bijna in Dresden toen het nieuws hem bereikte in zijn vliegtuig; hij liet zijn piloot rechtsomkeer maken. Ondanks de afwezigheid van deze twee heren was de eerste opvoering een enorm succes; ze werd op de radio uitgezonden en was in heel Duitsland te horen. Het publiek was begeesterd. Maar meer dan vier uitvoeringen kwamen er toen niet. Hitler had ondertussen een kopie gekregen van de brief van Strauss aan Zweig en beval Goebbels om Strauss af te zetten als voorzitter van de Reichsmusikkammer. Op 6 juli in Berchtesgaden werd hij verzocht af te treden om gezondheidsredenen. Hij deed het onmiddellijk, maar het nieuws werd pas de 13de bekendgemaakt, zodat men een opvolger kon vinden, Peter Raabe, de muziekdirecteur in Aachen, en ook een opvolger voor Raabe in Aachen: de vrijwel onbekende Herbert von Karajan.
Strauss schreef Hitler een lange brief waarin hij alles ‘in het juiste perspectief’ plaatste. Het is een merkwaardig werkstuk, waarin Strauss zich nochtans niet vernedert.
In 1935 schreef Strauss nog aan Zweig over de manier waarop hij de joden in zijn opera Salome had voorgesteld: Ik probeerde om de arme Jochanaan (Johannes de Doper) min of meer als een clown te componeren; een prediker in de woestijn en dan nog een die zich voedt met sprinkhanen lijkt me eindeloos grappig. Maar ik heb de Vijf Joden al karikaturaal voorgesteld en ook al Vader Herodes belachelijk gemaakt, dus voelde ik me verplicht om als contrast voor Jochanaan een pedant-filistijns motief te maken.
Bij de voorstellingen van Salome onder het Nazisme werd dat karikaturale nog serieus aangedikt in de regie en ook in recente voorstellingen gebeurt dat nog. Het is evenwel ook mogelijk om met het zelfde muzikale materiaal een minder beledigende voorstelling van de vijf joodse rabbi’s te brengen. Er zijn wel meer karikaturen in Strauss’ opera’s en in zijn instrumentale muziek en meestal brengt men die ‘tongue in cheek’: met binnenpretjes eerder dan billenkletsend.
Zweig schreef later over Strauss en anderen: Zij bleven in Duitsland uit loyauteit of uit geestelijke traagheid, lafheid of trots. Ze gaven er de voorkeur aan om in hun vaderland vernederd te worden, liever dan zich te vernederen als bedelaars in het buitenland.
In juli 1940 verscheen er een interview met Zweig in The New York Times Book Review. Daarin drukte hij zijn ongeloof en verbazing uit over het feit dat zoveel Duitsers in staat bleken te zijn om gewoon verder te schrijven en te componeren en wetenschap bedrijven terwijl hun land ten oorlog trok tegen de rest van de wereld. Wat Archimedes nog kon veroorloofd worden, namelijk verder werken aan zijn wiskundige problemen terwijl de stad belegerd werd, lijkt me bijna onmenselijk voor een dichter, een artiest, die niet met abstracte gegevens bezig is, maar wiens taak het is om met de grootste intensiteit het lot en het leed aan te voelen van zijn medemens.
Op 10 februari 1942 schreeuwde Goebbels in zijn kantoor een verbijsterde Strauss in aanwezigheid van verscheidene collega’s toe: Zwijg! Je weet niet wie je bent en wie ik ben. Hou op met je gezwets over ernstige muziek, eens en voor altijd! Het zal je niet helpen! De kunst van morgen is anders dan die van gisteren! Jij, meneer Strauss, behoort tot het verleden! Eruit!
Tien dagen later, de 22ste februari 1942. Stefan Zweig, die uiteindelijk naar Brazilië geëmigreerd was met zijn tweede echtgenote (zijn eerste huwelijk was door de Nazi’s ontbonden op grond van de rassenwetten) nam samen met haar vergif in en stierf. Hij liet deze brief na:
Ik verlaat dit leven uit vrije wil en met een klare geest. Elke dag ben ik dit land liever gaan zien en nergens zou ik liever een nieuw leven begonnen zijn dan hier, nu dat de wereld van mijn geestelijke thuis zich aan het vernietigen is. Maar er zouden speciale krachten nodig zijn om helemaal opnieuw te beginnen als je je zestigste voorbij bent. Mijn leven is uitgeput door de jaren van rondzwerven zonder een thuis. Daarom lijkt het me beter om een eind aan te maken, op het gepaste ogenblik en zonder vernederd te zijn, aan een leven waarin intellectuele arbeid altijd een onverdeeld geluk is geweest en persoonlijke vrijheid het meest waardevolle bezit op aarde. Ik groet al mijn vrienden! Mogen ze leven tot ze de dageraad zien wanneer de lange nacht voorbij zal zijn. Ik, al te ongeduldig, ga alleen verder.
Het nieuws werd triomfantelijk bekendgemaakt op de Duitse radio. Er is geen reactie bekend van Strauss.
Op 8 september 1947 sloot Richard Strauss voorgoed de ogen die Zweig ooit beschreef als de meest wijd-open ogen van de hele wereld. Hij had in zijn leven het hoogste bereikt dat een mens kan verlangen, de grootste artistieke voldoening en erkenning, materiële welstand in de moeilijkste omstandigheden, de hoogste roem. Op het einde van zijn leven was hij de speelbal van gebeurtenissen die de hele wereld tot het einde der tijden veranderd hebben. Hij heeft alles verloren wat hij had. Alleen zijn kunst is ongeschonden overgebleven. Hij heeft altijd geweten dat dat het geval zou zijn en dat verklaart vele van zijn betwistbare beslissingen.
Stefan Zweig en Richard Strauss. Twee uiterst begaafde kunstenaars, twee hoogst uitzonderlijke mensen; twee manieren om met het kwaad om te gaan: de ene door te vluchten, het hoofd te buigen en afscheid te nemen, de andere door te overleven.



















