Saint-Saëns Samson et Dalida


Op 24 september 2006 schreef ik hier een stukje over Saint-Denis, wat in het Engels Sydney werd, maar oorspronkelijk de heilige Sidonius was, of Saint Sidoine, een Ierse slaaf die werd vrijgekocht door de monniken van de abdij van Saint-Ouen in Normandië en die later een eigen abdij mocht stichten in de buurt, de abdij van Saint-Saëns, die later door de Noormannen zou vernield worden.
Saëns of Saenz is een vorm van Sancho en gaat terug op sanctus, heilig, zoveel Latijn kennen wij oudjes allemaal nog. Het was blijkbaar een naam die men gaf aan bekeerde of althans toch gedoopte Joden. Sidonius betekent letterlijk: afkomstig van Sidon, de stad in Libanon; was onze ‘Ierse’ slaaf oorspronkelijk ook een Jood uit Sidon, na zijn bekering in Ierland ‘Saëns’ genoemd en daarom zo gastvrij opgenomen in de Normandische abdij? Moeilijk om achterhalen: men spreekt van Sidonius van Saëns, niet andersom; hoewel de abdij van Saëns al heel vroeg verwoest werd en nooit meer heropgebouwd, is er wel nog altijd een stadje in de buurt van Rouen dat Saint-Saëns heet. Misschien werd onze Saens die later Sidonius werd en de abdij stichtte die zijn naam droeg, nog later genoemd naar zijn abdij, dus Sidonius van Saëns, want die abdij kende men, de vreemde voornaam Saens niet.
Wij kennen Saint-Saëns evenwel vooral van de componist met die naam, die de voornaam Camille draagt en wiens voorouders wellicht uit Normandië kwamen. Hij werd geboren in Parijs in 1835 en stierf op gezegende leeftijd in Algiers in 1921. Zijn buitengewone intelligentie werd al heel vroeg opgemerkt, evenals zijn muzikale begaafdheid en beide werden gevoed door zijn moeder en groottante. Hij gaf al pianoconcerten als knaap en deed dat 75 jaar later nog altijd! Hij werd toegelaten tot het Conservatorium in Parijs op zijn dertiende, zijn eerste symfonie werd opgevoerd in 1853, hij was dan 18. Berlioz en Liszt en vooral Gounod bewonderden hem en moedigden hem aan verder te componeren. In 1857 werd hij titularis van de Madeleine, de meest begeerde positie voor een organist in Frankrijk en zelfs in de hele wereld. Zijn composities werden overal gespeeld, niet in het minst in Duitsland, dat anders niet bepaald gek was op Franse muziek. Hij werd ook een publieke figuur, leidinggevend in de muziekwereld van Parijs, een bewonderaar van Mozart, die hij hielp bekendmaken in Frankrijk, beroemd ook in Engeland, waar hij ontvangen werd door de Queen.
In Parijs was je maar beroemd als je slaagde als operacomponist. Dat is Saint-Saëns nooit echt gelukt. Zijn meest bekende opera, Samson et Dalila, kende haar eerste successen in het buitenland, in Parijs was men niet zo gebrand op een religieus en dan nog Bijbels of zelfs Joods onderwerp… Wij kennen van hem vooral de Danse macabre (zie ook mijn etymologische verkenning van ‘macaber’ op 14 december 2006) en van het grappige Carnaval des animaux. Ik ben ook een grote bewonderaar van zijn spectaculaire derde symfonie, bekend als de orgelsymfonie; als je eens alleen thuis bent, zet die eens op en draai de geluidsknop van je stereo zo ver als je luidsprekers en je oren toelaten…
Gisteren was er op Mezzo opera, zoals elke zaterdag, met jawel, Samson et Dalila van Saint-Saëns, overigens de aanleiding voor dit stukje. Het was echter op de meest punten een tegenvaller. Laat ik beginnen met het goede. Muzikaal was alles aanwezig om er een groot succes van te maken: koor en orkest van de Scala, Gary Bertini als ervaren dirigent met een perfect aanvoelen van tempi en van de zangers; Placido Domingo en Olga Borodina als protagonisten in groten doen; het supermoderne Teatro degli Arcimboldi in Milaan; maar… een onbegrijpelijke regie, met bijvoorbeeld een openingsscène met het koor van de gevangen Joden die (gelukkig vruchteloos) een soort bondageseks proberen met allerlei auto-onderdelen: uitlaatpijpen, deuren, handschoenkastjes… hoe is het toch in hemelsnaam mogelijk. Lut suggereerde dat het misschien een verwijzing was naar de autobommenplaag: kan zijn, kan zijn.
En dan de opera zelf. Het verhaaltje is bekend: Samson, de legendarische Superman van de Joden, laat zich inpakken door een Filistijnse, Dalila, sindsdien een soortnaam voor onbetrouwbare vrouwelijke schonen; door zijn lange manen te laten knippen verliest hij zijn wonderbare kracht (voor alle zekerheid steken ze ook nog eens zijn ogen uit). Maar als hij opgevoerd wordt op het overwinningsfeest schudt hij de steunpilaren van het paleis en sterft zo samen met deze vijanden van de Joden. Het was niet het laatste conflict tussen de Joden en de Fili- ofte Palestijnen, zoals wij ze nu noemen. Flinterdun gegeven dus en naar mijn aanvoelen niet erg subtiel of overtuigend verwerkt door Saint-Saëns, die geen grote vernieuwer was maar wel uiterst getalenteerd als vakman. De koren zijn stereotiep en gekenmerkt door zowat de slechtste verhouding tussen tekst en muziek uit de hele operageschiedenis en dat wil wat zeggen, want operalibretti zijn, daarover is iedereen het wel eens, legendarische draken. De grote scènes tussen de hoofdrollen krijgen geen echt memorabele muziek, met uitzondering van Dalila, tot tweemaal toe en dat zijn dan ook de enige hoogtepunten van de hele avond, samen met enkele bekende instrumentale intermezzi, die in Parijs in de mode én verplicht waren maar die helaas het theatraal verloop en de eenheid van het verhaal danig verstoren, terwijl de idiote pseudo-erotische balletten van deze uitvoering eerder een parodie lijken van derderangse Moulin-rouge-cabaretten voor giechelende Japanse toeristen.
De opera lijkt wel een vehikel voor een grote mezzo en dat had Pauline Viardot moeten zijn, de zus van la Malibran, maar eer Parijs aan deze opera toe was, waaraan Saint-Saens al aan het werk was van in 1868, was het al 1890 en dan was Viardot 70… Olga Borodina redt hier de show, want Domingo moet het doen met wat Saint-Saëns hem biedt en dat is, op enkele gekwelde hoge noten na, niet veel soeps.
Laten we het dus maar bij de prachtige aria Printemps qui commence houden, die elke operaliefhebber kan meeneuriën en het even terecht bekende Mon coeur s’ouvre à ta voix dat zo verwant is met Printemps… dat ik een hele tijd dacht dat het een reprise was; twee aria’s die elke mezzo moet gezongen hebben en die je dus op elke recital- of verzamel-cd terugvindt. Die passages steken zo ver boven al de rest uit, dat je je afvraagt of ze wel van dezelfde componist zijn.
Gemengde gevoelens, dus. Misschien zijn dat de enige juiste?




















