das Gesetz in mir


"Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en steeds toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het nadenken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij."
"Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmender Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: der bestirnte Himmel über mir, und das moralische Gesetz in mir."
Immanuel Kant, Duits filosoof (1724-1804), Kritiek van de praktische rede (1788).
Dit is ongetwijfeld een van de meest bekende citaten van Kant, misschien zelfs de meest geciteerde uitspraak van een filosoof überhaupt. En toch heb ik er bedenkingen bij.
Niet zozeer bij de sterrenhemel. Zeker: in Kants tijd was die hemel heel wat indrukwekkender in zijn majestueuze stralende pracht dan vandaag, nu de intense en alomtegenwoordige straatverlichting en andere lichtvervuiling de aanblik van de sterren danig heeft verbleekt. Aan de andere kant is onze kennis van die sterren ondertussen op een gigantische manier toegenomen. Met aardse en satelliettelescopen zijn we veel dieper doorgedrongen in het heelal dan het blote oog van de filosoof. Ons ontzag voor de oneindige schoonheid van de sterrenstelsels is er alleen maar groter door geworden. Ga eens kijken op de website van de herstelde Hubble-telescoop, klik hier: http://hubblesite.org/gallery/ en neus eens wat rond, verbazingwekkend!
De aanblik van de ruimte, het moeilijk te verwerken besef van de gigantische afstanden en afmetingen, de verbijsterende wetenschap dat wat we nu zien in feite miljarden jaren geleden is, omdat het licht ervan ons pas nu bereikt… het doet ons de nietigheid inzien van onze aarde en van het leven hier op aarde, zowel in tijd als in ruimte. En wat is dan één mens, wat ben ik in dat geheel, in de quasi oneindige geschiedenis van de kosmos en in de niet in mensentaal te vatten uitgestrektheid van het universum? Nee, Kant, misschien de strafste filosoof aller tijden had het bij het rechte eind. Als wij onze blik even afwenden van ons dagelijks leven en van onze kleinmenselijke beslommeringen en vol ontzag omhoog kijken op een wolkenloze nacht, wanneer de ijzingwekkende ruimte zich voor onze ogen opent, dan verandert ons perspectief en gaan we plots een andere realiteit zien. Dan meten we met andere maten, in lichtjaren en parsecs, woorden die we gebruiken maar die we ons niet kunnen voorstellen.
De tijd, die we nu seconde na seconde zien wegtikken op onze radiogestuurde klokken of op ons computerscherm, wordt opengetrokken in een oorverdovende geluidloze schreeuw. Onze aarde is 4,5 miljard jaar oud, het universum 13,5 miljard jaar: 13.500.000.000 jaar. Onze menselijke geschiedenis is, ruim bemeten, ongeveer 13.500 jaar oud, dat is slechts één miljoenste van de geschiedenis van de kosmos. En hoe lang zal de mens nog leven? Onze zon, die de bron is van alle leven op aarde, ontstond ongeveer vijf miljard jaar geleden en is nu halverwege haar levensduur, ze zal definitief uitdoven over vijf miljard jaar.
En wat met het universum? Ik zei al dat het ‘ontstaan’ is 13,5 miljard jaar geleden, maar wat betekent dat, ontstaan, als we het hebben over ‘alles’? De vraag of er iets was vóór de Big Bang, voor er iets was, is zinloos, wat Stephen Hawking erover schrijft klinkt als poëzie. Dat uitdijende universum, een gedachte die evenmin begrijpelijk is voor ons alledaagse mensenverstand: een onvoorstelbare ruimtelijke steeds groeiende grootheid, die op elk moment reeds alles omvat, grenzeloos is en toch steeds verder reikt; zal daaraan ooit een einde komen, het omgekeerde van de machtige explosieve expansie van de Big Bang: een Big Crunch, waarbij alles in een Zwart Gat verdwijnt, om er misschien langs de andere kant (?) weer uit te komen in een nieuwe, gans andere kosmische geboorte?
Laten we die verbijsterende ondenkbare gedachten even voor wat ze zijn en verlaten we de perplexiteit van het eschatologisch denken om even stil te staan bij het tweede luik in Kants beroemde citaat: das moralische Gesetz in mir.
Het feit dat Kant die twee elementen in juxtapositie plaatst, een geleerd woord dat niet meer zegt dan dat ze naast elkaar staan, een paar of koppel vormen, zou ons kunnen doen denken dat ze op een of andere manier gelijkwaardig gelijksoortig en evenwaardig zijn, eeneiige tweelingen; dat de morele wet in mij even eeuwig, grenzeloos en onwrikbaar zou zijn als het mateloos machtige universum dat zich in kil licht voor onze ontzette ogen ontvouwt in de donkere diepten van de vriesnacht. Ik waag me niet aan een interpretatie van wat Kant daar zelf over dacht, maar de juxtapositie is wel erg suggestief, natuurlijk.
Kant heeft het manifest over ons geweten. Hoewel ‘weten’ de stam is van dit wazige woord, ‘weten’ we niet echt wat het is, probeer het maar eens voor uzelf te verwoorden.
Dit is wat Van Dale erover schrijft:
- geweten: geweten, het; -s; (1588) <Du. Gewissen; van ge- + weten, lett. samen weten, vertalende ontlening aan Lat. conscientia
1 innerlijk besef van goed en kwaad, de gezamenlijke al of niet bewuste voorstellingen en begrippen, waarnaar de mens de zedelijke waarde van eigen handelen beoordeelt, het bewustzijn van plicht, in zoverre het zich zelfs tegenover natuurlijke wensen en begeerten stelt
synoniem: consciëntie
Dat is een mondvol en veel wijzer worden we er niet van, vrees ik. Verre van mij om te betwisten dat wij het verschil zouden weten, min of meer, af en toe, tussen goed en kwaad, ook al betekent dat niet meteen dat we ook altijd voor het goede zouden kiezen, klik hier en lees nog eens na wat ik daarover schreef in mei van dit jaar: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=340299.
Maar we moeten ons onvermijdelijk toch de vraag stellen: waar komt dat besef, dat ge-weten, dan wel vandaan? Wat betekent, naast onze bewuste kennis, het minder of zelfs niet bewuste? Hoe kan iets on-be-wust toch ge-weten en geweten zijn? Waar komt dat plichtsbewustzijn vandaan, dat in ons innerlijk overleg zelfs stelling inneemt tegen (welke?) natuurlijke wensen en begeerten? Wat is het verschil tussen een natuurlijke wens en de roepende plicht?
Het kan toch niet anders of dat concrete geweten van een mens is het resultaat van vele factoren.
De mens is als zoogdier langzaam geëvolueerd uit vroegere soorten zo’n 2,5 miljoen jaar geleden. Zowel uit zijn biologische voorgeschiedenis als uit de verdere evolutie sindsdien, heeft de mens zonder enige twijfel diepe sporen overgehouden, die mede beslissend zijn voor wat hij is, omdat ze dwingend opgeslagen zijn in zijn genetisch materiaal. Spinoza spreekt van de conatus, de drang die in ieder levend wezen aanwezig is om te trachten (Lat. conari) in leven te blijven en dat leven te bevorderen en verder te zetten. Darwin leende van Spencer en Malthus de uitdrukkingen struggle for life en survival of the fittest.
Typisch voor onze soort is de ontwikkeling van de beschaving, vooral sinds de spectaculaire toename van het aantal mensen na -1000, waarbij wij erin geslaagd zijn om onze kennis en onze materiële verworvenheden blijvend vaste vorm te geven en zo door te geven aan onze nakomelingen. Daarbij is taal van essentieel belang. De bovenmatige ontwikkeling van de omvang van onze hersenen, in vergelijking met anders soorten, heeft die evolutie gevoed, maar is er op haar beurt ook een resultaat van.
De regels en normen die in ons geweten aanwezig zijn, moeten we dus voor een gedeelte toeschrijven aan genetische factoren, deels aan beschavingselementen, waarbij de beschaving ook een krachtige invloed uitoefent op het genetisch bepaalde. Het Gesetz van Kant verwijst mijns inziens naar wat in vrijwel alle mensen aanwezig was en is, omdat het opgeslagen is in de bouwstenen van onze biologie. De overlevingsdrang behoort daartoe, ook de voortplantingsdrift en de seksuele geaardheid, het zoeken naar voedsel, beschutting en rust, het besef dat men moet werken om te overleven en de overtuiging dat wij dat alles het best doen in gemeenschap met anderen. Die ‘wetten’ zijn ingebakken in ons erfelijk materiaal, wij kunnen er niet om heen. Enkel wanneer er genetische defecten optreden, of wanneer beschavingsfactoren zo sterk worden dat zij het genetische overrulen, kan een mens zich onttrekken aan wat hem als soort kenmerkt.
Mensen zijn ook kinderen van hun omgeving, de directe en de ruimere. Wij zijn mede gedefinieerd door de beschaving waarvan we deel uitmaken. De gegevens die we daaraan ontlenen zijn, zoals de beschaving zelf, gebonden aan ruimte en tijd: wij leven hier en nu, niet in het Japan van de veertiende eeuw, noch in Afrika twee miljoen jaar geleden en dat is eraan te zien. Het Gesetz is dus ook in niet onbelangrijke mate verschillend voor iedere mens. Het is geëvolueerd in onze geschiedenis en wel op verschillende plaatsen op de wereld. Veel vroeger kon dat zelfs gelijktijdig gebeuren op een totaal onafhankelijke manier, bijvoorbeeld vóór de ontdekking van Amerika; de Midden- en Zuid-Amerikaanse culturen konden nog samen en toch autonoom bestaan met de Europese en de Aziatische. Vandaag is dat vrijwel uitgesloten.
Ik voel dus veel minder dan Kant de evenwaardigheid aan van de twee elementen uit zijn stelling. Het Gesetz in mir vervult mij in feite helemaal niet met ver- of bewondering of ontzag. Hoe meer ik erover lees, ook bij Kant, en zelf onverdroten daarover nadenk, hoe evidenter het me voorkomt. De basisgedachten van Darwin en de verwerking ervan in de evolutionaire psychologie of de sociobiologie vormen een steeds nauwer sluitend geheel van verklaringen, ook al is een exhaustieve beschrijving nog veraf en kan die zeker nooit een accuraat alomvattend en definitief voorspellend karakter krijgen.
Spinoza stelde al onomwonden dat moraal enkel is wat mensen met elkaar afspreken als goed en kwaad. Zeker, daarbinnen zijn vaste waarden, ook dat is niet moeilijk om in te zien, mensen spreken niet zomaar dingen af, maar steunen zich daarbij zowel op hun genetisch bepaalde als op hun maatschappelijk verworven inzichten en drijfveren. Maar er is geen absolute uniformiteit in die afspraken, ze verschillen in de loop van de geschiedenis en van plaats tot plaats, ze zijn zeer aan de omstandigheden gebonden. Er is dus niet één Gesetz, maar een ruime verscheidenheid van waarden en belevingen.
Dat komt omdat mensen zelf de afspraken maken en ze niet onderworpen zijn aan bovennatuurlijke ingrepen. De Mozaïsche Wet, de Tien Geboden, is, als we de evidente mythische elementen achterwege laten, niets anders dan een vrij goede weergave van het gezond verstand. (Afbeelding: Rembrandt, Mozes slaat de stenen tafelen stuk.) Dat geldt ook voor andere dergelijke formuleringen, religieuze of filosofische, waar en wanneer ook ter wereld: de mens zoekt te overleven en probeert (conari) dat op de best mogelijke manier te doen. En als bepaalde regels, normen of systemen niet blijken te werken, dan past men die aan, geleidelijk of gewelddadig brutaal: het feodalisme, het communisme, het kapitalisme, het nationaalsocialisme, het kolonialisme, ooit waren ze ergens op aarde stuk voor stuk onbetwiste waarden, een echt Gesetz (Du. wet) tot ze ten onder gingen aan hun interne tegenstellingen en onrechtvaardigheden en men tot onvermijdelijk nieuwe normen kwam.
Een dergelijke verklaring is veel waarschijnlijker dan het aanvaarden van het bestaan van een onveranderlijke Wet, verordend, opgelegd, uitgevaardigd, medegedeeld, in stand gehouden én gesanctioneerd, onmiddellijk of op termijn, door een mysterieuze Hogere Instantie, een buitenwereldlijke God of Oppermacht.
Ook het beroemde citaat van (echt) de slimste mens ter wereld (Immanuel Kant, klik hier https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=379904) blijkt dus evenzeer een tijdsgebonden uitspraak te zijn: achterhaald door de wetenschap en nieuwe maatschappelijke, filosofische en wetenschappelijke inzichten wat betreft het eerste luik, namelijk het geweten, en nog onnoemelijk versterkt en uitgediept door dezelfde wetenschap voor het tweede luik: het gesternte, de kosmos.
Wij zijn meer mens geworden. We hebben leren inzien dat wij geen absolute wezens hoeven uit te vinden die ons met banbliksems verplichten om volgens hun starre wetten te leven. Wij weten nu dat wij zelf onze wetten maken, in onderling overleg, op grond van al onze inzichten en kennis. Zeker, we hebben fouten gemaakt en we zullen er nog veel maken. Maar ook de zogenaamde natuurwetten of goddelijke verordeningen waren niets anders dan onvolkomen, tijdsgebonden menselijke inzichten, dat heeft de geschiedenis ten overvloede bewezen. Het verschil is, nu weten wij ten minste dat we er zelf moeten voor zorgen, er is geen fictieve stok achter de deur, geen infantiele hel of vagevuur dat ons wacht… behalve de maar al te reële hel die wij hier zelf kunnen maken, voor onszelf en voor alle anderen, nu en voor altijd. Amen.


















