Iris Murdoch

Iris Murdoch, een naam die ons vertrouwd in de oren klinkt. Toch moet ik bekennen dat ik nog geen enkele van haar talrijke romans gelezen heb. Ik herinner me wel de pakkende film, Iris, die over haar leven gemaakt is in 2001, met Kate Winslet en Judy Dench in de eponieme rol, naar de memoires van haar man, John Bayley, zelf ook auteur, professor Engelse literatuur en literair criticus.
Jean Iris Murdoch werd geboren in Ierland in 1919, maar ze verhuisde met haar ouders al op zeer jonge leeftijd naar London. Ze bezocht er de beste scholen en deed nadien klassieke en filosofische studies Oxford en Cambridge. In 1938 werd ze lid van de Britse communistische partij, zoals wel meer intellectuelen van haar generatie. In 1942 verliet ze de partij officieel, om een functie te kunnen opnemen in de Britse Treasury. Na de oorlog was ze actief in de UNRRA, de afdeling van de Verenigde Naties die zich bezighield met herstelprogramma’s, onder meer in België en in Oostenrijk. In 1948 keerde ze terug naar Oxford, waar ze Fellow werd aan St. Anne’s College. In 1956 trouwde ze met John Bayley.
Haar eerste roman verscheen in 1954, Under the Net. Ze schreef daarna nog 25 andere werken, meestal romans, maar ook twee gedichtenbundels, enkele toneelstukken en vijf filosofische werken, aansluitend bij haar leeropdracht in Oxford. Ze werd meermaals bekroond met belangrijke literaire prijzen, onder meer de Booker Prize voor The Sea, the Sea (1978). In 1976 werd ze gelauwerd met een CBE, in 1987 werd dat zelfs een DBE, Dame Commander of the British Empire, zodat ze zich Dame Iris mocht (laten) noemen.
Vanaf 1995 werd haar werk gehinderd door de eerste verschijnselen van wat de ziekte van Alzheimer zou blijken te zijn. Ze stierf in 1999, 79 jaar oud.
Ik weet niet meer waar en wanneer, maar onlangs pikte ik tweedehands een boek van haar op: Metaphysics as a Guide to Morals (1992), in de Penguin paperback uitgave, 1993, 520 pp. kleine druk. Het is de bewerking van de Gifford Lectures die ze in Edinburgh gaf in 1982. Klik hier voor meer over die beroemde reeks van lezingen die nog steeds jaarlijks plaatsvindt: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=697991.
Het is duidelijk dat ze nog jaren gewerkt heeft aan de oorspronkelijke tekst van die lezingen en zeer veel heeft toegevoegd, ook omwille van de veranderende omstandigheden, zoals de val van de Berlijnse Muur en van de Sovjet-Unie in 1989. Toch blijven er op vele bladzijden talrijke levendige sporen over van de lezingen zelf.
Verwacht van mij geen samenvatting van deze kanjer, dat is een onmogelijke opdracht. Ik ben met de lectuur ervan begonnen op 24 augustus en ben er dagelijks diep in verzonken geweest tot 12 september 2010, dat is volle drie weken, tijdens dewelke ik niets anders gelezen heb en nauwelijks iets geschreven. Dat geeft je een idee van de intensiteit van deze ervaring en ook van de intellectuele uitdaging. Het is voorwaar geen gemakkelijk boek. Niet dat de auteur het moeilijk maakt, integendeel. Het is zeer vlot en boeiend geschreven, in een uiterst levendige stijl, je hoort haar als het ware de tekst debiteren voor een aandachtig luisterend publiek van universiteitsstudenten, professoren en andere belangstellenden die zijn opgedaagd om een beroemde romanschrijfster de Gifford Lectures te horen houden.
De materie, zoals de titel aangeeft, is de oorzaak van de hoge moeilijkheidsgraad: metafysica en moraal, dat zijn de grote levensvragen. Wat is er, wat bestaat er? Hoe kunnen we het kennen? Is er een God? Wat is religie, godsdienst? Hoe moeten we leven? Wat is goed en kwaad?
Iris Murdoch is altijd bezig geweest met Plato en ze heeft over zijn filosofie opvattingen die min of meer afwijken van wat vele andere filosofen over hem denken en schrijven. Ik ben geneigd om haar daarin een heel eind te volgen. Het is immers ook altijd mijn ervaring geweest bij het lezen van Plato dat hij wel voortdurend over de Ideeën en het Absolute en het Volmaakte spreekt, maar daaraan nooit echt een echt bestaan toekent, een vorm van zijn die hoger zou zijn dan die van ons, mensen, op deze wereld. De allegorie van de grot verklaart men meestal als zouden wij hier op aarde slechts vage schaduwen zien van de werkelijkheid. Ik heb dat nooit zo begrepen. Die allegorie gaat over het kennen, niet over het zijn. Plato leert ons dat we verder moeten kijken, dat we het algemene moeten zien achter het singuliere, het volmaakte achter het onvolkomene, maar steeds met de bedoeling om de werkelijkheid hier op aarde, de enige die er is, beter te kunnen begrijpen. Hij vraagt aandacht voor de hogere vermogens van de mens, ons verstand, onze emoties, ons moreel aanvoelen, ons artistiek gevoel. Op die thematiek komt Murdoch voortdurend terug, wijzend op relevante teksten van Plato zelf en op afwijkende meningen van andere auteurs.
Als studente heeft Iris Murdoch nog les gekregen van Wittgenstein en dat is ook goed te merken in dit boek. Vele bladzijden zijn aan zijn denken gewijd, ook al volgt ze hem zeker niet overal. Aangespoord door wat ik bij haar over hem las, heb ik een tweedehands exemplaar van de Tractatus Logico-Philosophicus gekocht, tweetalig Duits-Engels. Ik ben benieuwd hoeveel ik zal begrijpen van dit notoir onleesbaar werk, waaruit iedereen de laatste regel kent: Wovon man nicht sprechen kan, darüber muss man schweigen.
Een andere filosoof die Murdoch blijkbaar fascineerde was Schopenhauer, ondanks zijn kwalijke faam als misogyne denker. Zij schrijft heel welwillend over hem en meteen ook verhelderend, je krijgt meteen zin om hem te gaan lezen, maar ik herinner me dat mijn laatste poging om dat te doen, enkele jaren geleden, mij er niet toe aangezet heeft om daar lang mee bezig te zijn. Dat is het interessante en aangename aan een boek als dit: het haalt het beste uit de gedachten van grote namen naar voren, zonder dat je je eigenhandig door de duizenden duistere bladzijden moet worstelen van de auteurs zelf. Filosofieonderricht aan de hand van een professionele filosofe én eminente schrijfster als Iris Murdoch is een plezier. Ik heb in drie weken meer geleerd dan in twee jaar aan de universiteit…
Zij heeft ook veel gedaan voor de bekendmaking van Sartre en het Franse existentialisme in het Engelse taalgebied. Ze schreef al over hem in 1953! Ook hij passeert meermaals de revue in dit werk, maar kan duidelijk op minder instemming rekenen dan Schopenhauer of Wittgenstein of zelfs Derrida, de ‘vader van het structuralisme’. Van deze laatste neemt ze afstand als het gaat om zijn esoterische teksten, maar ze volgt hem heel ver waar hij de taal als de basis van het denken ziet.
De minst bevredigende passages zijn die over het bestaan van God. Wellicht voelde de auteur zich enigszins moreel verplicht door de gelegenheid, de Gifford Lectures, die toch (zouden moeten) handelen over theodicee, het bewijzen van het bestaan van God op basis van de wereld die wij kennen, om dat bestaan van God niet al te expliciet af te wijzen. Toch is het zeer duidelijk dat zij niet gelooft in de persoonlijke God van het christendom. Haar terloopse pogingen om daarvoor een afgezwakte versie aan te reiken, zijn niet overtuigend, alsof ze lip service doet zonder veel overtuiging.
De lange tekst over het Ontologisch godsbewijs van Anselmus van Canterbury is interessant, maar mist het vernieuwend karakter en de originaliteit van haar andere benaderingen. Het lijkt een min of meer kunstmatige poging om te redden wat er te redden valt, maar zoals Kant al aantoonde is dat niet bijster veel: elk filosofisch Godsbewijs is een tautologie, het bewijs zit al vervat in de uitgangspunten en is dus niet meer dan een handig maar faliekant taalspelletje, zonder existentiële waarde. Geen enkele ongelovige is ooit overtuigd door een filosofisch godsargument, geen enkele gelovige heeft daaraan ook maar enigszins behoefte.
Haar verwijzingen naar de mystiek en naar Buber tonen andere mogelijke benaderingen van het Absolute, maar het is vooral in een vrijwel continue confrontatie en dialoog met Kant dat zij op zoek gaat naar de vaste grond voor morele principes. Zij kan slechts ten dele vrede nemen met Kants ‘plicht’, ook al interpreteert ze terecht dit begrip zo ruim mogelijk: geen domme, onnadenkende regels die van buitenaf opgelegd zijn en blindelings moeten uitgevoerd worden met Pruisische discipline, maar een overtuiging dat het nodig is om steeds en overal het goede te doen.
Haar eigen opvatting, die ze nergens expliciet uiteenzet, maar die overduidelijk blijkt uit haar gesprek met de hele geschiedenis van de theologie en de filosofie, is complex. Zij weigert terecht een onderscheid te maken tussen kennen en handelen: het is niet omdat men weet wat juist is, dat men het ook doet. Daarom probeert zij het koude rationele kennen dat Kant voorstaat en dat geen enkele mogelijkheid laat voor morele principes, te combineren met een humaniserende benadering van de wereld. Wanneer wij naar de wereld kijken, maken wij meteen ook een oordeel, een moreel oordeel; onze blik is niet abstract, maar geëngageerd. Wij spreken ons steeds uit over wat we zien, beoordelen het als goed of slecht, aangenaam of pijnlijk, vriendelijk of bedreigend.
Bij het lezen heb ik, vanuit mijn eigen lectuur, scherp het gemis aangevoeld van elk spoor van evolutionair denken. Darwin komt niet voor in het boek, zijn naam staat niet in de Index, noch is er enige verwijzing naar Richard Dawkins, terwijl zijn drie fundamentele werken al verschenen waren toen Murdoch deze lezingen in 1982 hield of dit boek publiceerde (1992): The Selfish Gene (1976), The Extended Phenotype (1982), The Blind Watchmaker (1986). Daardoor blijft de auteur op zoek naar vaste grond, zowel voor haar epistemologische opvattingen, de vraag naar wat wij kunnen kennen, als voor haar moraal, de vraag naar wat wij moeten doen.
Het is immers vanuit onze situatie als mens op deze wereld dat beide principes moeten gesteund zijn. Als wij willen weten wat wij hier komen doen, dan moeten we dat afleiden uit onze concrete situatie en hoe die in de loop van de geschiedenis, niet alleen van homo sapiens en zijn beschaving, maar ook die van het ontstaan van het leven op aarde, tot uiting komt. Er is slechts één enkele grond voor de moraal en die ligt in het feit dat wij mens zijn samen met andere mensen, dat wij deel uitmaken van alle leven op aarde en dat wij slechts kunnen overleven door met de andere mensen samen te werken, in respect voor alle levensvormen en rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen van onze natuurlijke omgeving.
Iris Murdoch vindt nergens in de filosofie of de theologie of de godsdienst (christelijk, joods of moslim) een antwoord op haar vragen naar de grond van de moraal en daarin heeft ze gelijk. Haar eigen conclusies overstijgen deze penurie, deze geestelijke armoede; de humane morele principes die ze naar voren brengt, zijn hoogstaand, maar ze berusten niet op expliciet geformuleerde inzichten in wat de mens is: een levensvorm die na een lange evolutie ontstaan is uit het aller-primitiefste begin en die sinds amper 50.000 jaar aan een spectaculaire opgang begonnen is, die in de laatste drieduizend jaar, maar vooral de laatste driehonderd jaar, en zelfs in de laatste dertig jaar, tot een explosieve expansie heeft geleid, niet alleen van het aantal mensen, maar ook van hun impact op de wereld en op de beschaving.
Die ontwikkelingen van de menselijke aanwezigheid op aarde is enkel mogelijk geweest doordat onze hersenen zich hebben ontwikkeld tot het zelfbewustzijn dat nodig is voor alle hogere functies en het zijn die hogere functies die ons, als een overigens niet zo spectaculair handige diersoort, toch de absolute suprematie over de aarde hebben bezorgd.
Dit boek van Iris Murdoch is een uitstekend filosofisch leerboek, vol wijze levenslessen, en bovendien een zeer aangenaam werk om te lezen, ook voor wie niet filosofisch geschoold is. Maar het behoort onmiskenbaar tot de wereld en de traditie waarin zij is opgegroeid: de eerste helft van de twintigste eeuw. Het redeneert helder maar steeds terugblikkend op de klassieke oudheid en de middeleeuwen, meer dan op de Renaissance en de Verlichting, meer op de 19de eeuw dan op de wonderbaarlijke wereld die zo explosief voor haar eigen ogen ontstond op het puin van de Tweede Wereldoorlog, met de wetenschappen die de oude grenzen definitief verlegden tot ver in de ruimte en diep in de kern van de materie, met een technologie die het dagelijks leven en overleven razendsnel tot op ongekende hoogten bracht, met een wereldbevolking die meer’ dan verdubbelde tijdens haar leven en met de totale ineenstorting van het wankele gebouw van de traditionele wereldopvattingen. Iris Murdoch keek in 1982 en in 1992 (zij was toen respectievelijk 63 en 73 jaar oud) terug, niet vooruit. Zij zocht naar vaste grond in het verleden, niet in het heden. Haar terugblik getuigt van haar grondig inzicht in de grote levensvragen en hoe die in de loop der tijden gesteld en beantwoord werden. Uit haar eigen commentaar op die geschiedenis blijkt ook haar diepmenselijke overtuiging en haar fundamentele intellectuele eerlijkheid. Wellicht was zij door haar opvoeding en de omgeving waarin zij haar leven doorbracht niet voorbereid om, op rijpere leeftijd, nog de kwantumsprong te maken naar de toekomst die zij nochtans zag gloren aan de kim van haar besloten wereld.
Ik heb geen Nederlandse vertaling gevonden van dit boek. Tweedehandse exemplaren vind je al voor 1 Amerikaanse dollarcent op Amazon. Ik vermoed dat heel wat mensen het boek hebben gekocht omwille van de naam en faam van Iris Murdoch, maar na enkele bladzijden afgeschrikt zijn door de filosofische inhoud. Jammer. Ze weten niet wat ze gemist hebben.




















