Pakistan

Pakistan is volop in het nieuws, wegens de overstromingen en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Wie ooit de sterk aangrijpende film ‘Gandhi’ gezien heeft, herinnert zich misschien vaag dat Pakistan een deel van India was, toen India nog tot het Brits Imperium behoorde. Na de Tweede Wereldoorlog werd India onafhankelijk en de moslims kozen voor een eigen staat: Pakistan, los van Hindoeïstisch India. Oorspronkelijk waren er twee delen, Oost- en West-Pakistan, rechts en links boven India. Maar de bevolking van Oost-Pakistan voelde zich benadeeld door het grotere West-Pakistan en werd na een burgeroorlog in 1971 het onafhankelijke maar doodarme Bangladesh.
Pakistan heeft een bevolking die geschat wordt op 170 miljoen inwoners en is daarmee het zesde grootste land qua bevolkingsaantal. Het is een Islamitische republiek, de Islam is de staatsgodsdienst; het is het tweede grootste moslimland ter wereld, na Indonesië. In de korte geschiedenis van het land hebben de militairen een uiterst belangrijke rol gespeeld: er was een militaire dictatuur van 1958–71, van 1977–88 en van 1999–2008. Het leger is het zevende grootste ter wereld, met 612.000 militairen in actieve dienst en 512.000 reservisten. Pakistan is het enige moslimland dat over atoomwapens beschikt.
Pakistan is een onverwachte maar belangrijke en trouwe bondgenoot van de Verenigde Staten van Amerika. Dat is nog duidelijker geworden na 9/11, in de strijd tegen Al-Qaida en de Taliban. Pakistan steunt, merkwaardig genoeg, als moslimland, volop de strijd van Amerika en zijn bondgenoten, onder wie voorlopig ook nog België en Nederland, tegen de moslimfundamentalisten in Afghanistan. Zij krijgen daarvoor jaarlijks miljarden dollars hulp van Amerika en andere Westerse landen, hulp die vooral ten goede komt aan het leger.
De overstromingen die Pakistan nu teisteren zijn het gevolg van de zomerse moessonregens; sommige jaren zijn die zeer hevig, andere jaren veel minder. Dat maakt dat er soms overstromingen zijn, soms periodes van grote droogte. Vooral de zuidelijke Punjab en Sindh provincies, gelegen langs de Indusrivier, worden het meest getroffen door overstromingen.
Dit jaar is de wateroverlast zo hevig, dat men spreekt van een van de grootste natuurrampen van de laatste vijftig jaar. De internationale gemeenschap probeert hulpprogramma’s op te zetten en geld in te zamelen, maar het enthousiasme is niet zeer groot.
De redenen daarvoor vind je in mijn inleidende beschrijving van het land. Als moslimland zou het moeten kunnen aankloppen bij de superrijke medebroeders zoals de Golf-oliestaten, maar die hebben slechts weinig sympathie voor Pakistans bondgenootschap met Amerika en het Westen en verwijten het land ook zijn houding tegenover Afghanistan en de Taliban. Amerika en het Westen op hun beurt hebben weinig echt vertrouwen in een moslimstaat, zeker een die over atoomwapens beschikt. De bevolking van het Westen kijkt meewarig naar een land dat als een harde militaire dictatuur bekend stond en dat meer belangstelling had voor de uitbouw van het leger en het kernwapenprogramma dan voor democratische instellingen.
Ik heb tot nu toe geen financiële bijdrage gestort voor Pakistan. Zeker, de nood is groot en het zijn de kleine man en vrouw en hun kinderen die de eerste slachtoffers zijn. Hun leed is schrijnend. Uit de reportages op TV leren we echter ook dat de inspanningen van de regering en van het leger niet bijzonder veel opbrengen. Men heeft een acuut gebrek aan helikopters om voedsel en medicijnen ter plaatse te brengen; waar zijn de talloze legerheli’s? Misschien ingezet in Afghanistan, zoals onze F16’s? De oorlogsmachine die daar aan het werk is zou zoveel nuttiger kunnen optreden op vliegafstand van de politieke brandhaarden…
We vernemen ook niets over pogingen van de Pakistaanse regering om het probleem van de overstromingen grondig aan te pakken, zoals in China wel gebeurt, waar men met enorme projecten de grote rivieren probeert onder controle te krijgen.
Pakistan kan maar op weinig sympathie rekenen. Het is een land met grote militaire, politieke en economische ambities, maar het komt ons voor dat het zijn prioriteiten niet op de juiste plaats legt, namelijk bij de eigen bevolking. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vele mensen hier ervoor passen om een land financieel bij te springen dat zijn eigen middelen en de uitvoerige vaste internationale hulp liever aanwendt voor militaire doeleinden en atoomwapens dan voor de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking.
Dat klinkt nogal cru, maar het is wel een realiteit. Het is een van die morele dilemma’s, waarbij je niet weet of je wel goed doet door te helpen. Velen onder ons hebben grote vragen bij de uiteindelijke bestemming van de financiële hulp: komt die wel bij de meest getroffenen en de minst bemiddelden terecht? Werkt men aan oplossingen op lange termijn?
Solidariteit bij natuurrampen zou niet mogen afhankelijk zijn van liefdadigheid en goedbedoelde emotionele inzamelacties. Denk aan onze ziekteverzekering, de mutualiteit: men vraagt aan iedereen een beperkte bijdrage en garandeert zo een optimale zorg voor hen die het nodig hebben. Dat is het grondprincipe van elke verzekering, van elke samenleving, van elke beschaving: iedereen draagt bij voor het algemeen belang, samen zijn we sterk, l’union fait la force.
Maar die berekende solidariteit heeft haar grenzen, letterlijk en figuurlijk. De ziekteverzekering is per land geregeld, ook in de Europese Unie. Onze gezondheidszorg hier in België en Nederland kan je onmogelijk vergelijken met die in de laatst aangesloten landen. Men kan van alle Europeanen niet verwachten dat ze bijdragen om aan iedereen in de hele Unie dezelfde rechten te geven, precies omdat niet iedereen dezelfde plichten heeft: de Bulgaren zijn niet in staat dezelfde bijdrage te leveren als de Fransen, om maar iets te zeggen. De solidariteit is dus geregeld per land, of per regio: een groep van mensen die verbonden zijn door sterke banden, een taal, een geschiedenis, een nationale identiteit, een economie… Toen Duitsland enkele jaren geleden door zware overstromingen geteisterd werd, weigerden zij alle internationale hulp: zij zorgden zelf voor het nodige en vergoedden de slachtoffers. Zo gaat het ook hier bij ons.
Men zou kunnen denken aan een internationaal solidariteitsfonds, bijvoorbeeld onder het gezag van de Verenigde Naties, waarin iedereen bijdraagt naar eigen vermogen, een percentage op het BNP, bijvoorbeeld. Landen als Pakistan zouden daarin dan (veel) minder betalen dan zeg maar Amerika, maar (veel) meer dan Bangladesh. Op die manier zouden ze gedwongen worden om geld opzij te zetten voor natuurrampen, ook in eigen land, in plaats van het te spenderen aan militaire suprematie in de regio.
Landen die getroffen worden door een natuurramp zouden dan een beroep kunnen doen op het internationale noodfonds, maar onder strikte controle van de VN, die erop zou toezien dat het geld goed besteed wordt, dat men aan lange termijnoplossingen werkt en dat de armsten het eerst geholpen worden.
Ik ben geen principiële tegenstander van liefdadigheid, maar ik geef de voorkeur aan structurele maatregelen. Geld naar Afrika sturen, individueel of als ontwikkelingssteun van land tot land, is om vele redenen geen goed idee, meen ik, op basis van bijna tweehonderd jaar ervaring met ‘ontwikkelingssamenwerking’. Eerlijke handel moet de oplossing zijn, niet alleen kleinschalig, zoals nu, met de nuttige Fair Trade projecten, maar vooral op het vlak van de zware economie en de energie.
Op conferenties van donorlanden worden keer op keer astronomische bedragen verzameld voor nooddruftige landen en streken, maar het resultaat op termijn is zeer bedenkelijk. In feite geven we aan die landen slechts een klein gedeelte terug van de winsten die we maken in onze handel met hen. We moeten op termijn naar een wereldeconomie waarbij iedereen beter wordt van de eigen inspanningen, in plaats van de huidige uitbuiting van de armen door de rijken, van de ene regio door de andere. De sterke economische ontwikkeling van de vroegere communistische landen, de vroegere Sovjet-Unie en China en van andere gebieden in Azië, zoals India, en in Latijns-Amerika, is een spectaculaire stap in de goede richting, die aan de oude industrieën nieuwe uitdagingen stelt.
Afrika blijft ook op dat punt een probleemgebied, om vele, duistere redenen. Het mooiste en rijkste gebied op aarde, de wieg van de mensheid, wordt nog steeds verscheurd door het meest primitieve menselijk gedrag, zowel door de Afrikanen zelf als door de buitenlanders, die zich onveranderlijk als racisten en kolonialen gedragen. Wat een aards paradijs zou moeten zijn, is op vele plaatsen een ware hel en er is geen vooruitzicht op spoedige beterschap. Voor mij is dat werkelijk volkomen onbegrijpelijk, een knagend moreel tekort voor mezelf en voor iedereen.




















