Het opgeheven vingertje

Ik ben nog aan het afkicken van mijn levenslange verslaving aan de Vlaamse staatsomroep, maar wat ik nu al niet meer mis, is het opgeheven vingertje van de VRT.
Een leven lang institutioneel leven heeft me verslaafd
gemaakt aan morele regels. Dat begon al heel vroeg, met ouders die de
leefregels van het katholieke instituut dat Vlaanderen was na de Tweede
Wereldoorlog klakkeloos overnamen in het huisgezin als een onaantastbare vanzelfsprekendheid.
Elke afwijking van de norm werd met diepe morele verontwaardiging afgewezen en
bestraft. De dag dat je naar school ging, de eerste kleuterklas, werd het nog
erger. Daar was de warme lichamelijke liefde van het gezin, die de gestrengheid
enigszins temperde op gezegende momenten, totaal afwezig en vervangen door een soms
wel erg onpersoonlijke autoriteit. In plaats van vrouwen die in hun eigen gezin
allicht liefdevolle moeders en echtgenotes waren, kregen we nu vooral verplicht
celibataire feeksen en trutten, al dan niet als nonnetjes verkleed, die
zichzelf emotioneel volledig wegcijferden voor het instituut: de school, het
gezag, de kerk, de staat, de moraal.
Het is niet meer veranderd. In de lagere school werd het alleen maar erger en in de middelbare school, waar je toch verwacht dat het er humanior aan toe zou gaan, waren de niet-autoritaire leraren zeldzaam en stonden ze in de pikorde duidelijk achter de feldwebels die het gezag op zich genomen hadden: de directeur, de superior, de prefect, de subregenten, de studiemeesters… Zij stonden in voor onze ‘opvoeding’ tot deugdelijke katholieken, niet voor onze wetenschappelijke vorming. Zelfs aan de (katholieke) universiteit was dat nog zo: het gezag was er in handen van priesters en het woog als lood op het universitaire leven, zelfs in 1968. Toen ben ik zelf tot het instituut toegetreden, in mijn geval die zelfde Katholieke Universiteit Leuven, uitgerekend de Faculteit der Godgeleerdheid, waar het aantal lekenprofessoren omzeggens nihil was. Mijn hele ‘actieve’ leven heb ik aan die universiteit doorgebracht als slachtoffer en op mijn beurt als dader van het (morele) gezag.
Videant consules ne quid res publica detrimenti
capiat.
Het was de opdracht die de senaat gaf aan de (tijdelijke) consuls om voor de staat te zorgen in tijden van grote onrust of bedreiging, oorlog of rampen. Daarmee droeg de senaat tijdelijk de macht over aan de leiders, die dan autonoom en zonder veel overlegstructuren konden instaan voor het welzijn van Rome. Dit senatus consultum ultimum, het ultieme senaatsbesluit, was echter steeds tijdelijk, voor de duur van de gelegenheid waarvoor het was ingesteld. Daarna golden al de democratische wetten en rechten zoals tevoren en waren de twee consuls weer tijdelijke ambtenaren, benoemd voor slechts twee jaar.
De gezagsdragers van de katholieke kerk van heel het Vlaamse katholieke publieke leven waren echter niet democratisch verkozen voor een ambtstermijn, maar quasi ad vitam, voor het leven. Zij belichaamden het instituut, ze werden het instituut zelve, en die vereenzelviging beschouwden ze als een eer en een heilige plicht; wie dat niet deed, was niet voldoende toegewijd en onwaardig om het gezag op zich te nemen. Men moest afstand doen van de eigen ambities en zich onderwerpen aan de doelstellingen van het instituut.
Wat ik niet besefte, ook niet toen ik de rangen van het instituut vervoegde, wat dat er geen instituut is. Er zijn alleen maar mensen die doen alsof het er is, aan beide kanten van de barrière. De machtsdragers verdedigen hun eigen gezag en zoeken hun eigen ambities te realiseren via het instituut. De onderdanen gebruiken het instituut voor hun eigen doelstellingen en proberen zich zoveel als mogelijk te onttrekken aan de verplichtingen die het instituut hen oplegt. Men stelt zich geen vragen over de ontelbare instituten die er zijn, men aanvaardt hun bestaan en hun gezag en dat van diegenen die met de uitvoering en de toepassing van dat gezag belast zijn.
Dat geldt in de hoogste mate voor het staatsgezag en al de vormen die dat aanneemt. Een daarvan is de staatsomroep, aanvankelijk en tot in 1960 het NIR, het Nationaal Instituut voor Radio-omroep, daarna de BRT, Belgische Radio en Televisie tot 1991. Toen kwam de splitsing in een BRTN en een RTBF. Op 1 januari 1998 heette dat de VRT, geen parastatale meer maar een NV van publiek recht. De staatsomroep was dus aanvankelijk een echte staatsinstelling, die ook gebruikt werd voor ambtelijke belangrijke mededelingen, zoals de koers van de aandelen, de waterstanden van de rivieren, boodschappen van en naar zeelieden, de zondagsmis… Het nieuws en de informatie die je er kreeg, droeg het kenmerk van de staat, het was officieel. Dat merkte je ook aan de stijl: er was geen plaats voor frivoliteit, radio was een ernstige zaak. Het was met andere woorden een instituut en de mensen die er werkten waren staatsambtenaren, bekleed met gezag, in afdalende orde van de directeur-generaal naar de koffiemadam en de poetsvrouw die de toiletten proper hield.
Wie aan een instituut werkt, ontleent daaraan zijn of haar statuut en gezag. Dat uit zich in uniformen en aangepaste kledij, in wedden en lonen en pensioenen, in titels en hiërarchieën, in structuren, gebruiken en geplogenheden, in vlaggen en wimpels, logo’s en iconen, eretekens en reverenties, in allerlei uiterlijke tekenen en stilzwijgende overeenkomsten. Men is niet meer zomaar zichzelf, men is zijn functie. Een onbenul met een uniform aan of met een titel wordt dan plots een gezagsdrager die men moet respecteren of zelfs vrezen.
Men vergeet daarbij dat wij allemaal gewoon maar mensen zijn
en dat een aap met een bril op nog geen geleerde is, noch een hond met een hoed
op een eerste minister. Wij zijn allemaal verschillend, zelfs zeer
verschillend, maar we blijven volwaardige mensen. Niemand is intrinsiek meer
dan iemand anders. Niemand heeft dan ook het recht om zich boven iemand anders
te stellen, niet als persoon, maar ook niet onder het mom van het gezag dat men
ontleent aan zijn functie. Een politieagent, om slechts één voorbeeld te
noemen, is in de eerste plaats een mens die zich kan vergissen en die misbruik
kan maken van de beperkte macht die de wet hem of haar verleent. Wij moeten de
functie respecteren volgens de wettelijke voorschriften, maar niet de mens; die
moeten we enkel respecteren als medemens.
De verleiding is enorm, natuurlijk, voor elke gezagsdrager, op elk niveau, om zich te laten gelden. Wij maken het dagelijks mee, als dader of als slachtoffer. Het kan de bediende aan het loket zijn, of de kassierster in de supermarkt, de kaartjesknipper op de trein, de belastingsambtenaar, de directeur op school, het diensthoofd op het werk, de bisschop, de minister, de vakbondsafgevaardigde, de partijleider…
Ik keer terug naar mijn bedenkingen over de staatsomroep. Ook nu de VRT een NV is, blijft het een staatsomroep, die vrijwel volledig betaald wordt met belastingsgeld. Het personeel heeft nog een bijzonder statuut. Maar zelfs zonder die juridische onderbouw voelt de VRT aan als een staatsinstelling. Men gedraagt zich daar nog steeds als dusdanig en men kijkt met misprijzen neer op de commerciële zenders, die het zonder staatssubsidies moeten doen. Men voelt zich superieur, niet alleen kwalitatief maar vooral ook moreel. Het is vanuit dat morele superioriteitsgevoel dat men de boodschap brengt. In het journaal blijkt dat uit de morele verontwaardiging die men ten toon spreidt bij de nieuwsitems: moord en verkrachting, oorlog, fraude, verkeersslachtoffers, noem maar op. Het volstaat niet dat men het nieuws brengt, er moet altijd een opgeheven vingertje bij zijn, een moreel oordeel en vaker nog een morele veroordeling. Als men het over het ‘Griekse drama’ heeft, gebeurt dat in dramatische termen: Griekenland staat aan de rand van de afgrond en dat is hun eigen schuld, ze hebben vals gespeeld, ze hebben boven hun stand geleefd en moeten nu maar het gelag betalen. Enzovoort, uitentreuren. Je kan de obligate morele verontwaardiging aflezen van het gezicht van de presentatoren.
Een gevolg van die ingesteldheid is dat men bij voorkeur slecht nieuws brengt. Dat geeft immers volop de gelegenheid om de gemoederen te bespelen met die morele bekkentrekkerij. Als er eens iets goeds te melden valt, is de teleurstelling en de wrevel duidelijk merkbaar bij de nieuwslezer van dienst. Aan het goede nieuws, dat er toch ten minste zo vaak moet zijn als het slechte, besteedt men nauwelijks enige aandacht en dan nog en passant. Elke verkeersdode moet vermeld, het liefst nog met bloederige beelden, maar niet elk pasgeboren kind.
Een ander gevolg is dat men bij de openbare omroep een hoge concentratie vaststelt van linkse intellectuelen, of wat daarvoor doorgaat, van wereldverbeteraars allerhande en moraalridders. Van mensen kortom die zich met de staatsomroep vereenzelvigen en bekleed met dat onverdiend gezag de wereld belerend en verwijtend tegemoet treden. Alsof zij doordat ze tot de VRT behoren plots iets anders worden dan wie of wat ze waren, alsof hun noblesse óns oblige. Wat geeft hen het lef, denk ik dan, om hun opinie zomaar de huiskamers in te jagen? Wie zijn zij wel, dat zij het allemaal zo goed begrijpen en het ook nog goed kunnen uitleggen? Waarom zouden zij het beter weten, dag na dag, dan jij en, ja, waarom niet, ook ik? Zijn zij dan expert op al de gebieden die zij in één uitzending bestrijken? Komen al hun voorspellingen dan uit? Zijn al hun interpretaties wel gerechtvaardigd? Vergissen zij zich nooit schromelijk? En verontschuldigen zij zich ooit voor hun flaters, hun onnauwkeurige verslagen of hun misplaatste opmerkingen waar niemand om gevraagd heeft, voor wat ze niet vermeld hebben, bewust of uit onwetendheid? Waarom zouden zij beter zijn dan iemand anders? Toch niet gewoon omdat zij bij de VRT werken? Er zijn ongetwijfeld verstandige, eerlijke en hardwerkende mensen bij de VRT. Maar waarom zouden we moeten aannemen dat zij daar in grotere getale aanwezig zijn? Vraag aan honderd willekeurige mensen waar zij zichzelf situeren in hun eigen groep, bijvoorbeeld hun beroep of hun hobby. Meer dan 80% zegt tot de top tien te behoren, wat natuurlijk statistisch onmogelijk is. De zelfoverschatting bij staatsambtenaren is zo mogelijk nog schrijnender.
Ik weet waarover ik spreek. Ik heb tijdens mijn loopbaan vaak te kampen gehad met idioten die met gezagsargumenten hun gelijk moesten halen. Maar ik heb me zelf ook aan dergelijke praktijken schuldig gemaakt, onbewust maar, helaas, ook bewust, willens en wetens. Ik ben vaak verwaand geweest en zelfs aanstellerig, vol misprijzen voor wie mijn mening niet deelde. Dat lag voor een deel aan mijn karakter, maar voor een deel ook aan mijn functie. Power corrupts… Gezag doet mensen dat gezag misbruiken. Machtswellust is een van de diepste gronden van alle kwaad dat mensen elkaar aandoen.
Nu ik geen enkel gezag meer bekleed, geen enkele officiële functie meer bekleed en nog enkel in eigen naam spreek, voel ik een nederigheid die me goed van pas zou gekomen zijn in mijn ‘actieve’ leven. Maar ik voel me tevens bevrijd van de last van de macht en de verantwoordelijkheid die ooit op mijn schouders rustten. Ik kijk nu anders naar de wereld en ik merk dat gezag, macht en het misbruik daarvan de oorzaak zijn van alle ellende. Het is een moeilijke weg terug, maar ik ben ervan overtuigd dat het de enige uitweg is.










/bv131_Ratzinger_VatII.jpg)





.jpg)
