Dank je wel, Mr. Darwin!

Charles Darwin
ontdekte het systeem van de evolutie van het leven op aarde en publiceerde het
uiteindelijk in 1859. Sindsdien woedt de discussie onverminderd voort; niet zozeer
over de evolutie zelf, want dat er een evolutie is geweest, dat ontkent zo goed
als niemand nog. Sommigen denken dat die heel lang en langzaam is gegaan,
anderen menen dat ze veel korter was en nog anderen zijn ervan overtuigd dat
het met grote sprongen is gegaan. Maar iedereen, zelfs de Getuigen van Jehova,
en dat wil wat zeggen, aanvaarden dat het leven geëvolueerd is van een nietig
begin, langs vele om- en bijwegen, tot wat er vandaag is.
Met andere woorden: dat wondere instrument, ons oog, is niet door iets of iemand op een dag geschapen zoals het nu is. Het is begonnen als een cel of een groep van cellen die ten gevolge van een genetische verandering bij de voortplanting, lichtgevoelig bleek te zijn. Dat gaf een voordeel in de struggle for life en dus hadden levende wezens met een dergelijk primitief ‘oog’ een betere kans op overleven en dus om zich voort te planten. En zo werd iets in gang gezet dat vele generaties later bij allerlei levende wezens een sterk ontwikkeld en zeer verfijnd en krachtig oog was.
En zo kan je verder gaan voor elk van onze zintuigen, en onze bloedsomloop, en ons spijsverteringsstelsel, onze voortplantingsorganen, ons immuunsysteem, kortom ons hele lichaam. Wij kunnen die evolutie in grote lijnen verklaren vanuit dat eenvoudige principe: genetische variatie die een voordeel oplevert in de overlevingsstrijd. Er hoeft niets anders aan te pas te komen, het gebeurt vanzelf. Wij kunnen dat inzien, intellectueel en ook emotioneel. We weten dat we nog niet alles begrepen hebben, dat het leven een ongelooflijk complexe zaak is, maar met de grote lijnen zijn we vertrouwd en elke dag brengt ons nieuwe inzichten die wonderwel passen binnen het principe zelf van de evolutie. Dank je wel, Charles Darwin.
Maar de discussie woedt voort, zei ik. Welke dan?
Heel wat mensen aanvaarden de volledige evolutietheorie voor al het leven op aarde, inclusief de mens, en voor de mens aanvaarden ze het evolutieprincipe op alle punten, behalve als het gaat om het denken, het zelfbewustzijn, het verstand, het vernuft, de intelligentie of hoe je het ook noemen wil. Daar trekken ze de lijn. Het kan volgens hen niet dat ook dat ‘gewoon’ een gevolg is van de evolutie, gedreven door de overlevingsdrang en gevoed door genetische variatie. Er moet, zo houden ze vol, iets anders aan de hand zijn, iets of iemand die is tussengekomen om dat inderdaad verbazingwekkend fenomeen te verklaren. Of zij menen dat er in het evolutionair systeem, dat ze compleet aanvaarden, een zekere bedoeling waar te nemen valt, een constant plan, een design, dat heeft geleid tot het menselijk verstand. En als er een dergelijk plan is, dan is er ook iets of iemand wiens plan het is.
Het is niet eens een gekke redenering, en ook de mensen die zo denken zijn verre van gek. Maar hun argumenten houden geen steek en de overgrote meerderheid van de mensen denkt vandaag zo niet meer. Zeker in wetenschappelijke middens kan je met zoiets niet meer voor de dag komen zonder je grenzeloos belachelijk te maken. En toch zijn er af en toe geleerden, en niet van de minste, die zich daartoe laten verleiden, merkwaardig genoeg meestal op gevorderde leeftijd. Men kan dan denken dat zij op het toppunt van hun kennis en wijsheid zijn, of dat ze duidelijk over hun hoogtepunt heen zijn.
Waarom zouden onze hersenen niet net zo goed hebben kunnen evolueren als de rest van ons lichaam? Als wij de hersenen van de moderne mens, of home sapiens bekijken en vergelijken met de hersenen van de mensachtigen die ons zijn voorafgegaan, en ook met de andere levende wezens op aarde, dan stellen wij vast dat onze hersenen veel complexer zijn dan die van alle andere soorten en dat het relatieve gewicht van onze hersenen, dus in vergelijking met ons totaalgewicht, veel groter is; bovendien zijn onze hersenen ook groot genoeg om een ongelooflijk groot aantal cellen te bevatten. Cellen hebben afmetingen, hoe klein ook, en in de hersenen van een insect, bijvoorbeeld een mier, is nu eenmaal niet genoeg plaats voor al de cellen van onze menselijke hersenen.
Onze hersenen zijn dus geëvolueerd in absolute en relatieve omvang en in complexiteit en ook in het aantal cellen dat erin aanwezig is en in de snelheid en complexiteit van de activiteit die zich daar afspeelt. Men kan dat wetenschappelijk vaststellen zonder al te veel moeite. Men ziet met andere woorden die ongelooflijke activiteit, ook al begrijpt men ze niet, of niet helemaal. Men stelt ook vast dat elke verstoring van die activiteit een onmiddellijk gevolg heeft voor ons bewustzijn, ons verstand, onze gedragingen, onze emoties enzovoort. Het ligt dan ook voor de hand dat de twee alles met elkaar te maken hebben. Zonder hersenen, geen bewustzijn enzovoort. Meer nog: zonder hersenen, geen leven. Je kan leven zonder ledematen en zelfs zonder sommige organen, zelfs met zwaar beschadigde hersenen, maar niet zonder, zo simpel is dat.
Het heeft echter geen zin om ons blind te staren op die hersenen alleen; een stel hersenen zonder lichaam kan evenmin overleven als een lichaam zonder (werkende) hersenen. Die hersenen moeten gevoed worden en onderhouden; een kleine onderbreking van de bloedtoevoer kan al fataal zijn. De mens is geëvolueerd als een compleet levend wezen en alles heeft bijgedragen aan alles. Het heeft geen zin om een lichaam te hebben als het onze en de hersenen van een mier, noch omgekeerd. Wij zijn als (dier)soort geëvolueerd als een geheel. De evolutie ondersteunde de ontwikkeling van heel dat lichaam, inclusief de hersenen; het ene ondersteunde het andere: betere ogen brachten beter beeldmateriaal naar de hersenen, en betere hersenen konden dat materiaal beter verwerken en interpreteren enzovoort. Maar het waren vooral de (toevallige) genetische veranderingen die de hersenen groter en complexer maakten, die de grootste invloed hadden op het ontstaan van homo sapiens, ten nadele van ander mensachtigen en mensen, zoals de neanderthalers. Wij hebben het gehaald, zij niet.
Het principe van de evolutie verklaart dus evengoed het ontstaan van onze fenomenale verstandelijke vermogens, zoals het ook het ‘verstand’ verklaart van andere levende wezens. Ja, er is een enorm verschil tussen de mens en andere levende wezens, maar dat verschil is er niet altijd geweest, want de mens, homo sapiens is er niet altijd geweest, hij is geleidelijk (of met sprongen, wat maakt het tenslotte uit?) ontstaan uit iets dat (nog) geen mens was. Onze verre voorouders waren geen mensen, maar dieren. Geen apen, zoals Darwins domme tegenstanders opperden, maar een diersoort die we als gemeenschappelijke voorouder hebben met apen, vandaar dat we zo goed op elkaar lijken. De evolutie van ons verstand is dus net zo geleidelijk verlopen als die van onze ogen, oren, neus, mond enzovoort, in feite zelfs synchroon daarmee. Onze intelligentie is ‘slechts’ een hogere trap in vergelijking met die van onze verre voorouders, zoals het ook ‘slechts’ een differentiatie is van de intelligentie van alle andere levende wezens. Er is sinds homo sapiens wel een aanzienlijk verschil tussen de mens en de rest van het leven op aarde, maar geen wezenlijk verschil. Dat verschil is er geleidelijk gekomen, niet plotseling. Het is ontstaan door de evolutie, door de aanpassing van een bepaalde diersoort aan haar natuurlijk milieu, via de genetische variatie bij de voortplanting.
Daaruit
trekken we twee conclusies.
Vooreerst is er geen nood aan een tussenkomst van buitenaf om onze intelligentie te verklaren. Het evolutionair principe werkt evengoed om de ontwikkeling van ons verstand te verklaren als voor de rest van ons lichaam. Meer nog: een externe ingreep is ongelooflijk veel moeilijker uit te leggen dan de evolutie zelf. Waar zou die externe bron immers vandaan komen? En hebben we ook maar één overtuigende aanwijzing van een dergelijk wezen of macht of kracht?
Ten tweede: er is een overduidelijke lijn te trekken van het nietige begin van het leven op aarde naar de mens, zoals er een even duidelijke lijn is naar alle andere leven dat er nu is. Dat noemt men de boom des levens. Alles vertrekt van een massa eenvoudige cellen of iets nog kleiner en evolueert dan in talloze richtingen als de takken van een reusachtige boom. Wij zijn één uiteinde, zoals al het andere leven. Maar die boomstructuur zien we enkel achteraf. We zien dat bepaalde wegen die het leven heeft ingeslagen, en het leven heeft werkelijk alle ‘mogelijke’ wegen ingeslagen, succesvol waren en andere niet; en zelfs veel van de succesvolle, de levensvatbare, hebben het niet gehaald. Onze lijn, die van de homo sapiens, is herhaaldelijk tot op de rand van de complete uitroeiing gekomen, lang voor homo sapiens maar ook daarna nog. Het stond dus niet in de sterren geschreven dat wij het zouden halen, of dat precies wij het zouden halen. Het had ook een andere soort kunnen zijn, onder andere omstandigheden. Als onze overigens niet zo talrijke verre voorouders tijdens een of ander ijstijd of droogte uitgestorven waren tot de laatste man en vrouw, dan waren er nu geen mensen geweest. Misschien dinosaurussen of alleen maar mieren zo, wie zal het zeggen. Ik bedoel maar: het moest de mens niet worden. Er was met ander woorden geen plan. De mens is geen toeval, dat bewijst de lange evolutie alleen al. Het principe van de evolutie leidt de gebeurtenissen. Maar de mens is evenmin noodzakelijk of bedoeld. Er is niets dat ervoor gezorgd heeft dat uiteindelijk de mens het gehaald heeft, noch is er iets dat garandeert dat wij het zullen halen, dat wij er over enige tijd nog zullen zijn. Meer nog, het is vrijwel zeker dat onze soort er ooit niet meer zal zijn; als onze zon het opgeeft over enkel miljarden jaren, en wij hebben niet gemaakt dat we hier met zijn allen weg konden, dan is het met ons gedaan. Als we er ondertussen zelf geen voortijdig einde aan gemaakt hebben.
Als ik dus
lees dat er weer ergens een vooraanstaande Amerikaanse geleerde is, wiens naam
we hier zedig zullen verzwijgen, die meent dat homo sapiens niet kan verklaard worden uit de evolutie alleen, maar
dat het niet anders kon dan dat die er zou komen, dan is mijn reactie steeds:
hoe komt dat toch? Is dat evolutionair principe nu zo moeilijk om in te zien of
aan te nemen? En welke serieuze argumenten kan men nu nog bedenken voor een gans
andere verklaring? Meestal blijkt dan dat die mensen een of andere
godsdienstige overtuiging koesteren. Dat stoort me niet: iedereen mag van mij
geloven wat hij of zij wil. Maar dat zou geen reden mogen zijn om
wetenschappelijke onzin te verkopen. Zolang men met niets beter voor de dag kan
komen dan die uiterst simpele intuïtie van Charles Darwin, nu al meer dan 150
jaar geleden, houd ik het maar daarop. Als we met één eenvoudig principe al het
leven op aarde in al zijn diversiteit en complexiteit, inclusief ons verstand,
zo simpel en compleet kunnen verklaren, dan heb ik althans geen behoefte aan iets
anders.






/bv131_Ratzinger_VatII.jpg)





.jpg)











