Een mensenleven als voorbeeld
Afkomst
Ik ben geboren in Portugal, in de gelijknamige stad,
Porto in de volkstaal. Ik had ouders die tot de adel behoorden en die afkomstig
waren van Joden die in dat land destijds met geweld tot het christendom
gedwongen waren. Mijn vader was een waarachtig christen, een man die erg uit
was op eerbewijzen en hoge prijs stelde op eerbaarheid. In zijn huisgezin ben
ik eerbaar opgevoed. Aan huispersoneel ontbrak het niet. We hadden een Spaans
raspaard op stal voor de ruitersport, waarin mijn vader zeer bedreven was, een
voorbeeld dat ik van ver volgde. Toen ik eindelijk de opleiding had beëindigd die
adellijke kinderen gewoonlijk krijgen, legde ik me toe op de studie van het
recht.
Wat
mijn inborst en natuurlijke gemoedsstemming betreft, was ik van nature heel
vroom en in die mate geneigd tot medelijden dat ik op geen enkele manier mijn
tranen kon bedwingen, wanneer men vertelde over het onheil dat iemand anders
overkomen was. Eergevoel was mij zo aangeboren, dat niets mij meer beangstigde
dan eerloosheid. Van temperament was ik allesbehalve lafhartig, noch ontbrak
mij de verontwaardiging wanneer de gelegenheid dat rechtvaardigde. Bijgevolg
keerde ik mij terdege tegen wie hoogmoedig en onbeschaamd was en gewoon was anderen
met misprijzen en met geweld kwaad te berokkenen, begerig als ik was om de zaak
te dienen van de zwakkeren en me als bondgenoot veeleer met hen te verbinden.
Christelijke
opvoeding en twijfels
Inzake religie heb ik in mijn leven ongelooflijk veel
geleden. Zoals gebruikelijk was in dat land, werd ik opgevoed in de pontificale
christelijke godsdienst. Toen ik nog een jongeling was en zeer bevreesd voor de
eeuwige verdoeming, wou ik alle voorschriften nauwkeurig navolgen. Ik legde mij
toe op de lezing van het Evangelie en van andere geestelijke boeken en nam de penitentieboeken
van de biechtelingen door. Hoe meer ik me daarin verdiepte, hoe groter de
problemen die bij mij oprezen. Uiteindelijk zonk ik weg in onontwarbare perplexiteit,
angsten en benauwdheden. Ik werd verteerd door neerslachtigheid en droefheid.
Het bleek mij onmogelijk nog te biechten volgens de Romeinse rite, om een volwaardige
absolutie te kunnen krijgen en alles te doen wat daarvoor vereist was.
Bijgevolg was ik wanhopig over mijn zielenheil, indien dat met dergelijke
canons te bewerkstelligen was.
Omdat
het waarlijk moeilijk was een godsdienst te verlaten waarmee ik sinds mijn wieg
vertrouwd was gemaakt en die door mijn geloof al zo diep in mij geworteld was, trok
ik die in twijfel - dit gebeurde toen ik ongeveer tweeëntwintig jaar was - en
vroeg me af of het niet mogelijk was dat wat er gezegd werd over het andere
leven niet helemaal waar was en of het geloof dat men daaraan hechtte wel goed
met de redelijkheid overeenstemde. Want het was zo dat de rede zelf heel wat
aanvoerde en me voortdurend in het oor fluisterde wat daarmee helemaal in
tegenspraak was. Met mijn gemoed zo in twijfel hield ik mij stil en kwam
uiteindelijk tot het besluit dat het voor mij hoe dan ook onmogelijk was om
mijn zielenheil na te streven door die weg te blijven gaan. Ik was, zoals
gezegd, in die tijd bezig met mijn juridische studies en toen ik vijfentwintig
was, deed de gelegenheid zich voor om een kerkelijk beneficie te bekomen, met
name het eerbare ambt van schatbewaarder van een collegiale kerk.
De wet van
Mozes
Omdat ik werkelijk in de pontificale christelijke
godsdienst geen rust vond en ik verlangde een andere aan te hangen en me bewust
was van de grote twisten tussen de christenen en de joden, nam ik de boeken van
Mozes en de Profeten door. Daar vond ik een en ander dat niet weinig in
tegenspraak was met het nieuwe verbond en waarin het woord van God minder
moeilijkheden opleverde. Overigens was het ook zo dat aan het oude verbond
zowel de joden als de christenen geloof hechtten, aan het nieuwe enkel de
christenen. Toen ik eindelijk aan Mozes geloofde, meende ik dat ik ook de wet
moest naleven, aangezien het zo was dat hij aanvoerde dat hij alles van God had
vernomen en verklaarde dat hij een eenvoudige tussenpersoon was, door God zelf
tot die taak geroepen, of veeleer ertoe gedwongen (zo misleidt men kinderen).
Toen
ik eenmaal tot dat besluit was gekomen, en omdat het in dat land niet
toegelaten was om deze godsdienst op enigerlei wijze te belijden, overwoog ik
om mijn domicilie te wijzigen en mijn eigen geboorteland te verlaten. Met het
oog daarop aarzelde ik niet om dat kerkelijk beneficie over te dragen aan
iemand anders, zonder me zorgen te maken om het voordeel of de eer die daaruit
voorvloeide zoals gebruikelijk was bij het volk aldaar. Ik liet inderdaad een
mooi huis achter, gelegen in een uitstekend deel van de stad en dat mijn vader
had gebouwd. Vervolgens gingen we scheep, niet zonder groot gevaar: het was aan
hen die van Joodse afkomst waren niet toegestaan om het land te verlaten zonder
een speciale toelating van de koning; mijn moeder en ikzelf en mijn broers, aan
wie ik, door broederliefde bewogen, deze geloofszaken had medegedeeld die me
het meest algemeen aanvaard leken, terwijl ik over andere mijn twijfels had;
dit had ernstige gevolgen voor mij kunnen hebben, zo gevaarlijk is het om in
dat land over die zaken te spreken. Eindelijk kwamen wij na de zeereis aan te
Amsterdam, waar we joden vonden die vrijuit handelden. Meteen hebben we voldaan
aan het wettelijk voorschrift van de besnijdenis.
Eerste confrontatie
met de farizeeën
Na verloop van weinige dagen heb ik ondervonden dat de
gebruiken en voorschriften van de joden allerminst overeenstemden met datgene
wat door Mozes voorgeschreven is. Daar waar de wet waarlijk zuiver dient onderhouden
te worden, zoals de wet zelf ook verordent, hebben zij die de wijzen van de
joden genoemd worden, ten onrechte heel wat uitgevonden dat geheel en al afwijkt
van de wet. Derhalve kon ik mij niet weerhouden, ik dacht zelfs dat ik iets zou
doen dat God welgevallig was door vrijmoedig de wet te verdedigen. Maar die
joodse wijzen van heden ten dage zijn erg gehecht aan hun gebruiken en hebben
een verderfelijke inborst behouden, in die mate dat ze zich hevig beijveren ten
gunste van de sekte en de instellingen van de verfoeilijke farizeeën, tot hun
eigen persoonlijk voordeel. Zo werd hen overigens terecht verweten dat zij de
voorste zetels in de tempel innemen en het eerst worden begroet in de
marktplaats.
Zij
konden dan ook op generlei wijze dulden dat ik zelfs maar in het geringste met
hen van mening zou verschillen, maar eisten dat ik in alles zonder overtredingen
hun voetsporen zou volgen. Deed ik dat niet, dan bedreigden zij mij met verwijdering
uit de gemeenschap en met verbod op contact met eenieder, zowel in
godsdienstige zaken als in menselijke. Het zou echter allerminst betamelijk
zijn indien, uit vrees voor zoiets, iemand als ik de vlucht zou nemen, ik die
omwille van mijn vrijheid aan mijn geboorteland en andere voordelen had
verzaakt; mij onderwerpen aan mensen die bovendien niet over de nodige jurisdictie
beschikten, was in een dergelijke kwestie noch vroom, noch manhaftig. Ik
besloot om alles te verdragen en in mijn opvatting te volharden. Bijgevolg ben
ik door hen geëxcommuniceerd van alle contact met anderen. Zelfs mijn eigen
broers, die ik destijds had ingewijd, liepen mij voorbij zonder mij te groeten
op straat, uit vrees voor hen.
Het controversiële
boek
Toen de zaken er zo voorstonden, besloot ik om een
boek te schrijven, waarin ik de gerechtigdheid van mijn zaak zou aantonen en vanuit
de wet zelf op heldere wijze de ijdelheid zou bewijzen van die zaken die de farizeeën
aanvoeren en onderhouden en de weerzin die hun tradities en instellingen
oproepen bij de wet van Mozes. Toen ik daarmee begonnen was, geviel het mij
(het past dat ik alles openlijk en naar waarheid vertel zoals het gebeurd is)
dat ik met overtuiging en vastbesloten toetrad tot de mening van hen, die de beloning
en de straf van de oude wet beperken tot het tijdelijke en allerminst bedacht
zijn op het andere leven en de onsterfelijkheid van de zielen. Ik steunde mij
onder meer op dit argument, dat de voornoemde wet van Mozes daarover geheel en
al zwijgt en niets anders oplegt aan wie de wet naleeft of overtreedt, dan een
beloning of straf die tijdelijk is.
Zodra
mijn vijanden doorhadden dat ik tot die opvattingen gekomen was, verheugden zij
zich uitermate, ervan overtuigd dat zij zich verzekerd hadden van een
behoorlijk grote steun vanwege de christenen, die volgens een bijzonder
geloofspunt, gesteund op de wet van het Evangelie, waarin uitdrukkelijk melding
wordt gemaakt van eeuwig heil en straf, de onsterfelijkheid van de ziel geloven
en aanvaarden. Met die intentie voor ogen en om mij het zwijgen op te leggen
over de andere kwesties en me gehaat te maken bij die christenen, en nog voor mijn
boek dat ik aan het schrijven was in druk was gegeven, lieten zij een boek verschijnen
van de hand van een zekere arts, onder de titel Over de onsterfelijkheid van de zielen.
In
dat werkje kastijdde die arts mij copieus, als zou ik de opvattingen van
Epicurus verdedigen (in die tijd had ik over Epicurus kwalijke ideeën en sprak
mij vermetel over hem uit, zonder met hem kennis gemaakt te hebben of hem gehoord
te hebben, op grond van onheuse verhalen van anderen; nadien heb ik naar
waarheid van enkele waarheidlievende personen een oordeel over hem vernomen,
evenals zijn leer zoals hij was en ik betreur dat ik ooit een dergelijk man als
dom en infaam bestempelde, terwijl ik zelfs nu niet volledig over hem kan
oordelen, omdat zijn geschriften mij onbekend zijn). Wie immers de
onsterfelijkheid van de ziel ontkent, is maar een stap verwijderd van het afzweren
van God.
Hun
kinderen, opgehitst door de rabbijnen en door hun ouders, troepten bijeen in de
straat en beschimpten me met opgewonden stem en wekten mijn woede op met
allerhande beledigingen en riepen me toe: ketter! Afvallige! Op een keer
verzamelden zij zich zelfs voor mijn deur, gooiden met stenen en lieten niets
onverlet om mij te verontrusten, zodat ik zelfs in mijn eigen huis niet meer
gerust bezig kon zijn. Toen dat tegen mij gerichte boek was verschenen,
bereidde ik mij meteen voor op mijn verdediging en schreef daartegen een ander
boek, waarin ik de onsterfelijkheid met alle kracht bestreed, hier en daar en
passant zaken vermeldend waarin de farizeeën afwijken van de wet van Mozes. Zodra
dit boekje verschenen was, kwamen de senatoren en de Joodse magistraat bijeen
en stelden over mij een beschuldiging op bij de openbare magistraat, zeggende dat
ik een boek had geschreven waarin ik de onsterfelijkheid van de zielen ontkende
en niet alleen hen krenkte maar ook de christelijke godsdienst ontwrichtte. Op
grond van die aanklacht van hen ben ik naar de gevangenis geroepen en na een
verblijf aldaar van acht of tien dagen ben ik onder borgtocht vrijgelaten: de Schout
eiste van mij een onderpand en uiteindelijk ben ik veroordeeld om hem
driehonderd florijnen te betalen, met verbeurdverklaring van de boeken.
Ondanks twijfels
over de wet van Mozes: verzoening
Nadien heeft het verloop van de tijd, waarin de
ervaring en de jaren veel hebben duidelijk gemaakt en bijgevolg de mening van
een mens hebben veranderd, me opnieuw doen twijfelen. Het betaamt, zoals ik al
zei, om vrijmoedig te spreken; wat zou het niet toegestaan zijn aan iemand die
als het ware een testament opmaakt, om aan de mensen een verantwoording achter
te laten van zijn leven, een waarachtig voorbeeld van menselijk onheil en
althans ten dode de waarheid te verhalen? Ik trok in twijfel dat de wet van
Mozes voor die van God moest gehouden worden. Er was immers veel dat het
tegendeel aantoonde, of liever, dat me dwong om dat te zeggen. Ik besloot ten
slotte dat de wet van Mozes dat niet was, doch slechts een verzinsel van de
mensen, zoals er ontelbare andere in de wereld geweest zijn. Veel was immers
strijdig met de wet van de natuur; als schepper van de natuur kon God niet met
zichzelf in tegenspraak zijn en in tegenspraak zou hij zijn, indien hij de
mensen zou opdragen dingen te doen die in strijd waren met de natuur, waarvan
men zegt dat hij de schepper is.
Toen
ik tot dat besluit was gekomen, zei ik tot mezelf: wat nut heeft het (en ik wou
dat een dergelijke gedachte nooit in mijn gemoed was binnengeslopen) dat ik
totterdood in deze situatie zou blijven, gescheiden van gemeenschap met deze
oudsten en dit volk, temeer daar ik een balling was in deze streken, niet vertrouwd
met de burgers en zelfs hun taal onkundig? Het zou genoegzamer zijn om in hun
gemeenschap te komen en hun voetsporen te volgen zoals ze wensten en, zoals men
zegt, als een aap onder de apen te handelen. Aangezet door die overweging
keerde ik terug in hun gezelschap en trok mijn uitspraken weer in, en dit na
verloop van vijftien jaren, die ik van hen gescheiden had doorgebracht. Een
neef van mij was nu als het ware de tussenpersoon voor deze verzoening.
Nieuwe
beschuldigingen
Na verloop van enige dagen werd ik aangeklaagd door
een kind, de zoon van mijn zuster, die bij mij thuis was, over het voedsel, de
bereidingswijze en andere kwesties, waaruit bleek dat ik geen jood was. Wegens
deze aanklacht braken nieuwe en bittere twisten uit. Die neef van mij immers, van
wie ik vermeldde dat hij de tussenpersoon was geweest voor de verzoening, was
van oordeel dat mijn daad hem te schande maakte; hij was inderdaad zeer
hoogmoedig en arrogant, nu eens onvoorzichtig, dan ook weer onbeschaamd. Hij is
openlijk tegen mij ten strijde getrokken en schaarde al mijn broeders achter
zich en liet niets onverlet dat ook maar enigszins kon bijdragen tot mijn
ondergang en de verguizing van mijn eer, mijn bezit en bijgevolg mijn leven.
Hij verhinderde een huwelijk dat ik op het punt stond aan te gaan; ik had toen inderdaad
mijn echtgenote verloren. Hij zorgde ervoor dat een broer van mij sommige van
mijn bezittingen die hij in handen had, achterhield en verstoorde zo de zakelijke
relaties die er tussen ons waren. Wegens de situatie waarin ik mij toen bevond,
heeft mij dat zoveel nadeel berokkend als nauwelijks gezegd kan worden. Het
moge volstaan nu te stellen dat deze man mijn meest gevaarlijke vijand was inzake
mijn eer, mijn leven, mijn have en goed.
Naast
deze oorlog binnen onze familie, zoals ik die noemde, was er een andere,
publieke oorlog, namelijk met de rabbijnen en het volk, die mij begonnen te
haten met vernieuwde woede en zij brachten onbeschaamd allerlei tegen mij in, zodat
ik mij terecht van hen afkeerde. Daarbij gebeurde er nog iets anders. Ik had
immers toevallig een gesprek met twee personen die naar deze stad waren gekomen
vanuit Londen, de ene een Italiaan, de andere daarentegen een Spanjaard; het
waren christenen, niet van Joodse origine en zij gaven aan behoeftig te zijn en
vroegen mijn raad over wat nodig was om tot de gemeenschap van de Joden toe te
treden en over te gaan tot hun godsdienst. Ik gaf hun de raad dat niet te doen,
maar veeleer zo te blijven: ze wisten immers niet wat voor een juk ze zich op de
nek zouden halen. Onderwijl waarschuwde ik hen om namens mij niets aan de joden
bekend te maken, wat ze me ook beloofden. Die kwaadwillige personen waren uit
op kwalijk gewin, dat ze hoopten zo te zullen ontvangen en als dank maakten ze
alles bekend aan de farizeeën, mijn dierbaarste vrienden.
De aanklacht
Daarop zijn de voornaamsten van de synagoge bijeengekomen,
de rabbijnen zijn in woede ontstoken en de brutale menigte riep met luide stem:
kruisig hem, kruisig hem! Ik werd voor de grote raad gedaagd en zij legden mij
voor wat zij tegen mij hadden, met gedempte en droevige stem als was het een
halszaak; ze verkondigden ten slotte dat, als ik een Jood was, ik hun oordeel moest
afwachten en eraan voldoen; deed ik dat niet, dan zou ik nogmaals
geëxcommuniceerd worden. Wat een voortreffelijke rechters, die wel rechters
zijt om mij te benadelen, maar wanneer ik uw oordeel nodig heb om mij te
vrijwaren van het geweld van een ander en erover te waken dat ik ongedeerd blijf,
dan zijt gij geen rechters maar de vuigste slaven, onderworpen aan vreemd gezag.
Wat is uw oordeel waaraan gij wilt dat ik me onderwerp?
Alsdan
werd een aanklacht voorgelezen waarin stond dat ik in rouwkledij gehuld de
synagoge moest betreden, een zwarte kaars in de hand en een aantal vastgelegde
woorden uitbraken, door hen voorgeschreven en afschuwelijk genoeg, in het
openbaar en in aanwezigheid van de opgehitste gemeenschap, woorden die de ongerechtigheden
die ik bedreven had tot in de hemel opvoerden. Vervolgens moest ik dulden dat
ik in het openbaar in de synagoge gegeseld werd met een lederen zweep, of
strengen. Vervolgens moest ik mij neerleggen op de drempel van die synagoge
zodat iedereen over mij heen stapte, en op bepaalde dagen vasten. Toen de
aanklacht was voorgelezen laaide mijn gemoed op en brandde in mij een
onblusbare woede. Maar ik beheerste me en antwoordde gewoon dat ik aan zoiets
niet kon voldoen. Toen ze mijn antwoord gehoord hadden, besloten zij mij weerom
te verwijderen uit de gemeenschap.
Ballingschap
Maar daarmee niet tevreden, spuwden velen onder hen
wanneer ze mij op straat tegenkwamen en ook hun kinderen deden dat, door hen
aangezet. Ik werd alleen maar niet gestenigd, omdat de toelating ontbrak. Die
strijd duurde zo zeven jaar en gedurende die tijd heb ik ongelooflijke dingen
ondergaan. Zoals ik zei waren er twee legers tegen mij in het geweer, de ene
strijdmacht die van het volk, de andere die van mijn naasten, die om zich op
mij te wreken het op mijn eer gemunt hadden. Zij rustten niet alvorens ze mij
uit mijn eerdere situatie hadden verdreven; ze zeiden immers onder elkaar: hij zal
niets doen behalve onder dwang, dus moet hij gedwongen worden. Als ik ziek was,
was ik eenzaam ziek. Als enige andere last mij geviel, hielden ze dat onder hen
voor een felbegeerde uitkomst. Wanneer ik voorstelde dat iemand uit hun midden
scheidsrechter zou zijn om tussen ons recht te spreken, kon dat geenszins. Over
dergelijke zaken spreken met de magistraat, wat ik ook begon te proberen, was
een zeer lastige onderneming. Lang was immers de weg om bij het gerecht een
proces aan te spannen, waar naast vele andere lasten talrijke nevenkwesties en
verdagingen gebruikelijk waren.
Zij
zeiden maar al te vaak: onderwerp je aan ons, wij zijn immers als vaders voor
jou, en denk of vrees niet dat wij u gemeen zullen behandelen. Zeg nu een keer
dat ge bereid zijt om alles te volbrengen wat wij u opgelegd hebben en laat dan
de afloop van de kwestie aan ons over, wij zullen immers alles doen zoals het
betaamt. Mocht ik over deze kwestie van mening veranderen, dan ware een
dergelijke onderwerping en aanvaarding, met geweld afgedwongen, voor mij ongemeen
schandelijk.
Niettemin,
om deze aangelegenheid tot een einde te brengen en me eens te verklaren met
haar afhandeling, overwon ik mijn weerstand en nam het vaste besluit om alles
te aanvaarden en te ondergaan wat ze wilden. Immers, indien er mij
afschuwelijke zaken zouden opgelegd worden en oneerbare, zouden die veeleer voor
mijn zaak pleiten, tegen henzelf in en aan het licht brengen hoe hun gevoelens
tegenover mij waren en hoe goed ze te vertrouwen waren. En uiteindelijk is
duidelijk geworden hoe afschuwelijk en verwerpelijk de zeden zijn van die
lieden, die de meest eervolle mensen afschuwelijk misbruiken als waren het de
meest gemene slaven. Ik zei hun immers: ik zal alles vervullen wat gij mij maar
hebt opgelegd.
De tuchtiging
Hoor mij nu aan, eenieder die eerlijk, bedachtzaam en
menselijk is en overweeg keer op keer, uw geestesoog strak gevestigd, welk een
oordeel die lieden over mij geveld hebben, inzonderheid lieden die aan een vreemd
gezag onderworpen zijn, en dit zonder enige overtreding van mijn kant.
Ik
trad de synagoge binnen, die vol was met mannen en vrouwen; zij waren immers
gekomen voor het spektakel. Toen het ogenblik aangebroken was, beklom ik het houten
spreekgestoelte in het midden van de synagoge, bestemd voor de bijeenroeping en
andere functies; met heldere stem las ik het geschrift voor dat zij hadden opgesteld
en waarin een bekentenis was opgenomen, onder meer dat ik het verdiende om
duizendmaal te sterven voor de feiten die ik had gepleegd, namelijk verbreking
van de sabbat, het niet onderhouden van het geloof, dat ik in die mate geweld
aandeed, dat ik zelfs anderen ervan overtuigde om niet in te treden in het Jodendom.
Om daarvoor te boeten wilde ik me onderwerpen aan hun verordening en voldoen
aan die zaken die me waren opgelegd, belovend dat ik in het vervolg niet
opnieuw zou vervallen in dergelijke ongerechtigheden en misdaden.
Na
deze voorlezing stapte ik af van het spreekgestoelte; de hogepriester kwam naar
me toe en fluisterde me in het oor dat ik me naar een bepaalde hoek van de
synagoge moest verwijderen. Ik wendde mij naar die hoek en een deurwachter zei
dat ik mij moest ontbloten. Ik ontblootte mijn lichaam tot aan de gordel, bond
een linnen hoofddoek om, trok mijn schoenen uit en hief mijn armen op, met mijn
handen een soort van zuil omvattend. De deurwachter kwam naderbij en maakte mijn
handen met een soort band vast aan de zuil. Toen dit gedaan was, kwam de voorzanger
naderbij, nam de zweep en sloeg mijn lenden met negenendertig slagen, volgens
de traditie: het voorschrift van de wet was immers dat men de veertig slagen
niet zou overschrijden; deze lieden waren zo godsvruchtig en nauwgezet dat ze
erop letten niet te zondigden door er teveel te geven. Tijdens de tuchtiging
werd een psalm gezongen.
Toen
dit vervuld was, ging ik op de grond zitten en de voorganger, of wijze (hoe lachwekkend
zijn de menselijke aangelegenheden!) kwam naderbij en ontsloeg mij van de
excommunicatie. Zo werden mij alreeds de poorten des Hemels geopend die mij, tevoren
met de allersterkste grendels afgesloten, van de drempel en de toegang uitsloten.
Daarna trok ik mijn kleren weer aan en begaf me naar de dorpel van de synagoge,
legde me neer en de huisbewaarder ondersteunde mijn hoofd. Dan stapten allen,
die naar buiten kwamen, over mij heen, dat wil zeggen ze hieven één voet op en
stapten over het onderste deel van mijn onderbenen heen. Dat deden ze allen,
jong zowel als oud. Er zijn geen apen die aan mensenogen meer ongerijmd gedoe
of meer lachwekkende gedragingen kunnen ten toon spreiden. Toen deze opdracht
volbracht was en er dan niemand meer achterbleef, stond ik op die plaats op en
de man die mij had bijgestaan, stofte mij af, opdat niemand zou zeggen dat zij
mij niet met respect hadden bejegend: daar waar ze met de zweep hadden
gekastijd, hadden ze anderzijds getreurd en mijn hoofd gestreeld. Ik begaf me
naar huis.
Verontwaardiging
O, meest onbeschaamde van alle mensen! O, meest
vervloekte vaders, van wie ik geen enkele wet hoefde te vrezen! Dat wij u hiervoor
zouden geselen, zeiden ze, we denken er niet aan! Moge elkeen die het hoort nu
oordelen wat een spektakel het was om een oudere man te zien, niet onbedeeld
door het lot, van nature boven alles waarheidlievend van aard, in een publieke
bijeenkomst in aanwezigheid van allen, mannen zowel als vrouwen en kinderen
ontbloot, geslagen met de zweep op bevel van rechters en wel van zulke rechters,
dat het veeleer verwerpelijke slaven zijn dan rechters. Moge men overwegen wat
een smart het was om aan de voeten van zijn meest boosaardige vijanden neer te
vallen, van wie men zoveel kwaad en onrecht moest aannemen en zich op de grond
gelegen met voeten te laten treden.
Wat
nog erger is, een onnatuurlijk mirakel, een gruwelijk monster, de aanblik
waarvan men verafschuwt en vlucht, zo moge terecht gezegd worden: men stelle
zich voor dat mijn natuurlijke broeders uit dezelfde schoot, geboren uit
dezelfde vader en moeder, samen opgevoed in hetzelfde gezin, te dien einde
alles in het werk gesteld hebben, geen oog hebbend voor de liefde waarmee ik
hen steeds heb liefgehad, zoals mij immers eigen was en aangeboren; noch voor
de vele weldaden die ze tijdens hun leven van mij hadden aangenomen; in ruil daarvoor
viel mij als vergoeding oneer te beurt, verdoemenis, kwaad, zoveel
afschuwelijks en onuitsprekelijks, dat ik schroom om het te verhalen.
Zij
die me zo haatten en nooit genoeg kunnen verfoeid worden, zeiden dat ze mij
rechtmatig straffen hadden opgelegd, als voorbeeld voor anderen, opdat nadien
niemand zich zou durven verzetten tegen hun leerstellingen of iets tegen de
wijzen zou schrijven. O grootste schurken van de hele mensheid en vaders van
alle leugen! Hoeveel meer terecht ware het dat ik u zou bestraffen als een
voorbeeld, opdat gij daarna niet onbeschaamd zoiets zou aandurven tegen
waarheidlievende personen, die bedrog haten, vrienden van de hele mensheid
zonder onderscheid, van wie gij de gemene vijanden zijt, aangezien gij alle
volksgroepen minacht en hen onder de beesten rekent, terwijl alleen gij tot in
de hemel onbeschaamd tekeer gaat, uzelf vleiend met uw leugens, terwijl gij niets
hebt om u werkelijk op te beroemen.
Tenzij
misschien uw roem hierin bestaat dat gij bannelingen zijt, door allen geminacht
en gehaat wegens uw belachelijke en exquise gewoonten, door middel waarvan gij
u van de rest van de mensen wilt distantiëren. Indien gij u echter wilt
beroemen op eenvoud van leven en rechtvaardigheid, wee u, die daarin zonder
twijfel de minderen van de meesten zult blijken. Daarom zeg ik: ik wou, mocht
ik over de kracht beschikken, dat ik op hen wraak kon nemen voor het
allerergste kwaad en het vreselijkste onrecht waarmee zij mij hebben overladen
en waarom ik het leven zelf grondig heb gehaat. Welk eerzaam mens zou het immers
lijdzaam ondergaan om een eerloos leven te leiden? En zoals iemand terecht
gezegd heeft: ofwel leven zoals het hoort, ofwel eervol sterven past de nobele
mens.
Een tegen
allen
Mijn zaak is immers zoveel rechtvaardiger dan de
hunne, als de waarheid de leugen te boven gaat. Zij zetten zich in voor het
bedrog, om mensen te misleiden en tot slaaf te maken. Ik echter voor de
waarheid en voor de natuurlijke vrijheid van de mensen en het betaamt veeleer
dat zij, vrij van vals bijgeloof en van de meest zinloze riten, een leven
leiden dat mensen niet onwaardig is. Ik geef toe dat het mijn zaak meer had
gediend indien ik van meet af aan zou gezwegen hebben en aanvaardend wat er in
de wereld gebeurt, mijn mond had gehouden. Dat komt immers goed uit voor wie met
mensen moeten omgaan, zodat zij niet door een onwetende menigte noch door onrechtvaardige
tirannen verdrukt worden, zoals gewoonlijk gebeurt. Eenieder immers die bezorgd
is voor zijn eigenbelang zet zich in om de waarheid te verdrukken, spant valstrikken
voor de kleinen en treedt het recht met voeten. Maar nadat ik, misleid door een
onware godsdienst onvoorzichtig het strijdperk had betreden, ware het beter met
lof ten onder te gaan, of anders te sterven zonder die smart, die bij eerzame
mensen samengaat met smadelijke vlucht of ongepast geduld.
Zij
beroepen zich gewoonlijk op hun aantal. Gij alleen moet het afleggen tegenover
ons, die met velen zijn. Vrienden, het is best nuttig dat de ene toegeeft aan
de meerderheid, opdat hij niet door hen verscheurd wordt. Maar niet alles wat
nuttig is, is meteen eervol. Eervol is het voorwaar niet om oneervol te wijken
en aan de gewelddadigen en de onrechtvaardigen de overwinning te laten. Gij moet
daarom bevestigen dat moed lovenswaardig is en aan hoogmoedigen weerstaan
zoveel als mogelijk is, opdat zij niet door kwaad te doen en door voordeel te
halen uit hun boosaardigheid van dag tot dag nog meer hoogmoedig worden. Het is
echter eerzaam en een vroom en genereus mens waardig, om nederig te zijn met de
nederigen, een schaap onder de schapen; maar het is dwaas en men moet het eerloos
en laakbaar noemen indien men de strijd met leeuwen aangaat en de houding van
een schaap aanneemt.
Want
indien men het als een van de meest eervolle zaken beschouwt om voor het
vaderland te strijden totterdood, omdat het vaderland iets van ons is, waarom
dan niet voor onze eigen eer, die uitermate de onze is en zonder dewelke wij
niet goed kunnen leven, tenzij we misschien als smerige varkens willen rollen
in de allersmerigste modder van het winstbejag. Maar mijn gruwelijke spotters
zeggen dat hun recht helemaal gesteund is op hun groot aantal: wat kan jij
alleen tegen zovelen? Ik bevestig en betreur dat ik door uw overmacht word
overweldigd; maar door die gedachten en uw uitspraken rijst in mijn inborst nog
meer woede op en schreeuwt het uit dat het gewetenloos is om tegenover
goddelozen, hoogmoedigen, hooghartigen en onverzettelijken met eerbied tewerk te
gaan. Dat was mijn woord, maar de krachten ontbraken mij.
Verstoten
Ik weet dat die tegenstanders van mij, met de
bedoeling mijn naam te besmeuren bij het ongeletterde volk, gewoon waren om te
zeggen: die daar is geen jood, geen christen, geen mohammedaan. Let maar liever
op wat je zegt, farizeeër. Want gij zijt blind en terwijl ge van boosaardigheid
overloopt, slaat ge toch toe als een blinde. Ik vraag u, zeg me wat ge mij zoudt
zeggen indien ik een christen was? Het is duidelijk dat ge zoudt zeggen dat ik
de vuigste van alle afgodendienaars ben en dat ik met Jezus van Nazareth als
leraar van de christenen, van de ware God straffen zou krijgen waarbij ik het
leven zou inschieten. Indien ik een mohammedaan was, dan wist iedereen meteen
met welke eerbetuigingen ge me zoudt overstelpen. Op die manier kan ik mij
nooit aan uw gezeur onttrekken en is er maar een uitweg, namelijk aan uw knieën
neervallen en uw smerige voeten kussen, ik bedoel uw goddeloze en vreesaanjagende
leer.
Ik
bid u, kent ge een andere godsdienst dan die ik vermeldde, waarvan ge de
laatste twee voor vals houdt en niet zozeer godsdiensten noemt maar een
afkering van de godsdienst. Ik hoor u al zeggen dat ge tot hier toe slechts één
godsdienst kent, die waarlijk een godsdienst is en door middel waarvan de
mensen aan God kunnen behagen. Indien immers alle volkeren, met uitzondering
van de Joden (want het hoort zo te zijn dat gij altijd van de anderen
gescheiden zijt en u niet verbindt met het gewone volk en de eerlozen), de
zeven voorschriften zouden naleven waarvan gij zegt dat Noah ze naleefde en
anderen die voor Abraham leefden, dan is dat voldoende voor hun heil. Bijgevolg
is er inderdaad volgens u een andere godsdienst, waarin ik kan ingewijd worden,
ook al ben ik van Joodse origine. Ik zal derhalve met smeekbeden van u afsmeken
dat gij mij vergunt om mij te mengen onder die andere menigte; verkrijg ik dat
niet van u, dan neem ik zelf de toelating.
De ware wet
O blinde farizeeër! Gij hebt de wet vergeten die de
eerste is en er was sinds het begin en er altijd zal zijn en ge vermeldt niettemin
andere wetten, die later een aanvang namen en die ge vervloekt, met
uitzondering van die van u, die anderen ook veroordelen, of ge het wilt of
niet, op grond van de ware rede, die de echte norm is voor die natuurlijke wet,
die gij vergeten hebt en die ge graag wilt begraven, zodat ge uw verfoeilijk
juk kunt leggen op de nek van de mensen, hun gezonde geest in verwarring brengt
en hen onmondig maakt.
Maar
nu we daartoe gekomen zijn, past het dat ik er even blijf bij stilstaan en dat
ik de lof van deze primordiale wet niet helemaal verzwijg. Ik zeg daarom dat
deze wet gemeenschappelijk is en aan alle mensen aangeboren, door het feit zelf
dat ze mensen zijn. Die wet verbindt hen allen door wederzijdse liefde, kent
geen verdeeldheid, die de oorzaak en de oorsprong is van alle haat en van het
allergrootste kwaad. Die wet is de leermeester voor het goede leven, maakt het
onderscheid tussen recht en onrecht, tussen het vuige en het eervolle. Al het
beste in de wet van Mozes of in enig andere, bevat de wet van de natuur
helemaal en volmaakt in zich en zodra men ook maar enigszins afwijkt van deze
natuurlijke norm, ontstaat er meteen tweedracht, ontstaat er meteen een
scheiding van de geesten en kan er geen rust komen. Wijkt men er echter op
belangrijke wijze van af, wie zal dan bij machte zijn om het kwaad op te sommen
en de afschuwelijke monsters die in deze afdwaling hun oorsprong vinden, en hun
gevolgen?
Wat
heeft de wet van Mozes of gelijk welke andere voor voortreffelijks, met
betrekking tot de gemeenschap van de mensen, zodat de mensen behoorlijk met
elkaar samenleven en goed overeenkomen? Voorzeker is het eerste: zijn
familieleden eren, vervolgens: zich niet vergrijpen aan het goed van een ander,
of dit goed behoort tot het leven, de eer, of andere zaken die bevorderlijk
zijn voor het leven. Ik vraag je: wat in deze regels is niet vervat in de wet
van de natuur en de ware norm die tot ons gemoed behoort? Van nature beminnen
wij onze kinderen, kinderen hun ouders, een broer zijn broer, een vriend zijn
vriend. Van nature wensen wij dat al ons bezit veilig is en haten wij diegenen
die onze vrede verstoren en hen die onze eigendommen van ons willen afnemen,
met geweld of door list.
Uit
deze natuurlijke wens van ons volgt het klare besluit, te weten dat wij die
overtredingen niet mogen begaan, die wij bij anderen veroordelen. Indien wij
immers anderen veroordelen omdat zij ons bezit ontvreemden, veroordelen wij
meteen onszelf indien wij ons aan dat van een ander vergrijpen. Ziedaar een eenvoudig
principe dat wij hebben dat in elke wet geldt. Wat het voedsel betreft, dat
laten wij over aan de artsen; zij kunnen ons immers genoegzaam passend onderrichten
welk voedsel heilzaam is en welk daarentegen schadelijk kan zijn. Wat echter de
andere ceremoniëlen betreft, de rituelen, de regels, de offeranden, de tienden
(een uitzonderlijke bedriegerij, waarbij iemand op schandelijke wijze geniet
van het werk van een ander), helaas, helaas! Hoe betreuren wij het dat wij in
dergelijke labyrinten terechtgekomen zijn door de boosaardigheid van mensen.
De ware
christenen, die dit hebben ingezien, verdienen stellig onze lof omdat ze al die
zaken naar de verbanning verwezen hebben en alleen die behouden hebben, welke
ze als moreel verantwoord beschouwden voor het goed leven. Wij leven niet goed
wanneer we veel onbeduidende dingen onderhouden, we leven daarentegen goed
wanneer we op redelijke wijze leven. Men zou kunnen zeggen dat de wet van Mozes
of het Evangelie iets bevat dat hoogstaander en volmaakter is, met name dat wij
onze vijanden moeten liefhebben, en wat de natuurwet niet vermeldt. Daarop
antwoord ik, zoals ik voorheen al zei: indien wij van de natuur afwijken en
iets gaan uitvinden dat meer is, ontstaat meteen tweedracht en wordt de rust
verstoord. Wat baat het dat mij onmogelijke dingen worden opgedragen, die ik
niet kan vervullen! Indien men stelt dat het van nature onmogelijk is om zijn
vijanden lief te hebben, komt daar niets anders van dan droefheid van gemoed. Het
is immers van nature niet helemaal onmogelijk om zijn vijanden goed te
behandelen (dat kan ook gebeuren zonder liefde), omdat de mens, algemeen
gesproken, een natuurlijke neiging heeft tot eerbied en meevoelen. Bijgevolg kunnen
we niet absoluut ontkennen dat een dergelijke perfectie in de natuurwet
begrepen is.
De valse wet
Laten we nu dit bekijken, met name welke kwalijke
zaken ontstaan, wanneer wij al te zeer van de natuurwet afwijken. Wij zegden
dat er tussen ouders, kinderen, broers en vrienden een natuurlijke liefdesband
is. Een dusdanige band vernietigt en vervaagt een positieve wet, of het nu die
van Mozes is, of van om het even wie anders, wanneer die voorschrijft dat een
vader, broer, echtgenoot of vriend, zijn zoon, broer, echtgenoot of vriend moet
doden of verraden voor de godsdienst, of wanneer een dergelijke wet iets
voorschrijft dat meer is en superieur en dat niet door de mensen kan nageleefd worden;
en wanneer het nageleefd zou worden, ware dat de hoogste misdaad tegen de
natuur, want de natuur verafschuwt dergelijke zaken. Maar wat zou ik dat nog
vermelden, wanneer de mensen in die mate in waanzin vervallen zijn, dat ze hun
eigen kinderen aan afgoden, die ze goddeloos vereren, als brandoffer aanbieden
en in die mate afwijken van de natuurlijke norm en hun natuurlijke vaderlijke
gevoelens zo besmeuren.
Hoeveel
aangenamer ware het wanneer de mensen zich hielden aan de natuurlijke grenzen
en nooit dergelijke vreselijke uitvindsels zouden bedenken! En wat te zeggen
over de terreur en de bezwarende angsten, waarin de boosaardigheid van de
mensen anderen doet belanden. Niemand hoefde daaronder te lijden, indien men
enkel naar de natuur zou luisteren, die zoiets helemaal niet kent. Hoeveel zijn
er niet die wanhopen over hun heil? Die martelingen ondergaan op grond van ideeën
die ze van anderen overnemen? Die moedwillig een in alle opzichten miserabel
leven leiden, hun lichaam ellendig kastijden, de eenzaamheid en de afwezigheid uit
de gemene omgang met anderen nastreven, onophoudelijk verscheurd door
innerlijke kwellingen, die zelfs het kwaad dat ze in de toekomst vrezen al
betreuren als was het er nu al.
Deze
en andere ontelbare kwalen brengt een valse godsdienst, die door mensen
kwaadwillig is verzonnen, met zich mee voor de stervelingen. Ben ikzelf niet
een van de velen, die door zulke bedriegers uitermate misleid ben en door hen
te geloven mijzelf te gronde heb gericht? Ik spreek uit ervaring. Maar zij
zeggen: als er geen andere wet bestaat dan de natuurwet en de mensen niet door
het geloof tot het besef komen dat er nog een ander leven is en de eeuwige
straffen vrezen, waarom zouden ze dan niet zonder ophouden het kwade doen? Gij
hebt dergelijke verzinsels bedacht (wellicht ligt hier meer verborgen, want men
moet vrezen dat ge aan anderen een last hebt willen opleggen voor uw eigen
profijt) en gelijkt zo op hen die om onmondige kinderen vrees aan te jagen,
spoken verzinnen of andere vreesaanjagende namen bedenken, zodat kleine
kinderen door schrik verteerd zich naar hun wil schikken en hun eigen wil laten
gijzelen door walging en neerslachtigheid. Maar die dingen vallen inderdaad
voor, zolang een kind onmondig is. Zodra het echter de ogen van zijn geest
opent, lacht het met dat bedrog en vreest spoken niet meer. Zo belachelijk zijn
die verzinsels van u, dat ze enkel kleine kinderen en dwazen vrees kunnen
aanjagen; de overigen, die u doorhebben, lachen met u.
Ik laat
het om nu te spreken over de gerechtvaardigdheid van zulk bedrog; omdat gij zelf,
die dergelijke dingen verzint, in uw eigen wetten voorziet dat men geen kwaad
mag doen opdat er goed uit voorkome. Tenzij gij het misschien niet als een
kwaad aanrekent om te liegen met ernstige consequenties voor iemand anders en aan
kleingeestigen de kans te geven om dwaasheden te begaan. Indien er in u een
zweem van ware godsdienstigheid is of van schroom, dan zoudt gij ongetwijfeld
niet weinig moeten vrezen, aangezien gij zoveel kwaad in de wereld hebt
binnengebracht, zoveel verwijdering hebt teweeggebracht tussen de mensen,
zoveel vijandigs en oneerbiedigs in het leven hebt geroepen, in die mate dat gij
niet geaarzeld hebt om zonder schroom ouders tegen hun kinderen en kinderen
tegen hun ouders op te zetten.
Een
kwestie wil ik u voorleggen, namelijk deze: wanneer gij die dingen verzonnen
hebt wegens de boosaardigheid van de mensen, om hen met verzonnen verschrikkingen
binnen de perken te houden, omdat ze anders het kwaad ten prooi zouden vallen,
is het in u dan niet opgekomen dat gij eveneens mensen zijt die vol zijn van
boosaardigheid, die niets goeds kunnen verrichten, zonder ophouden niets dan
kwaad aanrichten, anderen schade berokkenen en niemand met mededogen
behandelen? Ik merk al dat gij tegen mij in woede ontsteekt, die u een
dergelijke vraag durft voor te leggen en dat elk van u heftig opkomt voor de
gerechtigheid van uw daden. Er is niemand die niet van zichzelf beweert dat hij
schroomvallig is, mededogend, verknocht aan waarheid en recht. Ofwel zijn daarom
deze dingen die gij zo over uzelf zegt vals, ofwel klaagt gij valselijk de
boosaardigheid van alle mensen aan, die gij met spoken en verzonnen
verschrikkingen wilt genezen en zo God krenkt, die gij als de meest wrede beul
en als een verschrikkelijke scherprechter aan de ogen van de mensen voorstelt
en zo de mensen krenkt, die gij wilt geboren zien voor een zo
betreurenswaardige ellende, alsof wat elkeen in dit leven te beurt valt nog
niet genoeg is.
De ware
religie
Maar laten we aannemen dat de boosaardigheid van de
mensen groot is, dat beaam ik en ik roep u tot getuigen, aangezien gij tot in
het extreme kwaadaardig zijt, anders zoudt gij dergelijke verzinsels niet
kunnen bedacht hebben; zoek de meest doeltreffende remedies uit die zonder
grote schade dit kwaad uit alle mensen verdrijven en zie af van de spoken, die
alleen van kracht zijn tegen onmondige kinderen en stompzinnigen. Indien echter
dit kwaad in de mensen onuitroeibaar is, zie dan af van leugens en beloof niet,
zoals onkundige artsen, een genezing die gij niet kunt bewerkstelligen. Stel u tevreden
met het ondereen vastleggen van rechtvaardige en redelijke wetten, vereer wie goed
is met beloningen, pak de kwaden met terechte straffen aan; verlos wie geweld
wordt aangedaan van hun geweldenaars, opdat ze niet roepen dat er geen
rechtvaardigheid is op aarde en dat er niemand is die de zwakkere onttrekt aan
de hand van de sterkere.
Voorwaar,
wanneer de mensen de ware rede willen navolgen en leven volgens de menselijke natuur,
zouden ze allen elkaar liefhebben, zouden ze allen met elkaar meeleven. Elkeen
zou de tegenslagen van de anderen zoveel mogelijk verlichten, ofwel zou niemand
zomaar iemand anders schade berokkenen. Wat ze anders doen, doen ze tegen de
menselijke natuur; en dergelijke dingen doen ze veel, omdat de mensen zich
allerlei wetten hebben bedacht, die afwijken van de natuur, en de ene windt de
andere op door zich te misdragen. Er zijn er veel die huichelachtig rondlopen
en doen alsof ze uiterst godsdienstig zijn en onbedachtzamen misleiden, onder
het mom van de godsdienst, om hen te verschalken en te misbruiken. Men kan ze
terecht vergelijken met een dief in de nacht, die op slinkse wijze mensen
overvalt die verdoofd zijn door de slaap en op zoiets niet bedacht zijn. Zij
hebben gewoonlijk de mond vol met: ik ben een jood, ik ben een christen, geloof
me, ik zal je niet misleiden. O slechte beesten! Wie niets van dat alles zegt
en enkel aangeeft dat hij een mens is, is veel beter dan gij. Indien gij hem
immers niet wenst te geloven als mens, kunt gij op uw hoede zijn. Wat zou men echter
op zijn hoede zijn voor u, die gehuld in valse kledij onder het mom van
geveinsde heiligheid als een dief in de nacht bij nietsvermoedende slapende
mensen door de openingen binnendringt en hen erbarmelijk wurgt.
Kerk en staat
Onder vele andere is er een zaak die me verwondert: het
is waarlijk verwonderlijk dat farizeeën die met christenen omgaan over zoveel
vrijheid beschikken, dat zij zelfs recht kunnen spreken. Ik kan waarlijk
stellen dat, indien Jezus van Nazareth, die de christenen zo vereren, in
Amsterdam het woord zou richten tot de gemeente, en het de farizeeën zou
behagen om hem opnieuw met de zweep te bewerken omdat hij hun tradities
bestreed en hen hypocrisie verweet, zij dit in alle vrijheid zouden kunnen
doen. Dit is zeker schandelijk en iets dat men niet zou mogen tolereren in een
vrije stad die er prat op gaat dat ze de vrijheid en de vrede van de mensen
beschermt, maar hen niet beschermt tegen het onrecht van de farizeeën. En
wanneer iemand geen verdediger heeft of een beschermer, dan is het geen wonder
dat hij zichzelf zoekt te beschermen en zich te wreken voor het geleden
onrecht.
Afscheid
Gij beschikt over het ware verhaal van mijn leven en
ik heb u laten zien wat voor een rol ik heb gespeeld in het allerijdelste
theater van deze wereld, in dit allerijdelste en meest onzekere leven van mij. Oordeel
nu eerlijk, mensenkinderen, en breng zonder enige emotie, vrijuit en naar
waarheid uw oordeel uit. Dat is wat men in de eerste plaats verwacht van mensen
die waarlijk mens zijn. En mocht gij iets vinden dat u aanzet tot mededogen,
erken dan het droevige lot van de mensen en betreur het, ge deelt er ook in.
Hier
mag ook niet ontbreken: de naam die ik in Portugal droeg als christen was
Gabriël Acosta, bij de joden, ware ik maar nooit tot hen toegetreden, werd ik
met een kleine verandering Uriël genoemd.
vertaald uit
het Latijn door Karel D’huyvetters, © 2012