het grote misverstand

|
E |
r verschijnen steeds vaker publicaties waarin wetenschappers aller aard en ook filosofen de rol benadrukken die onze hersenen spelen in ons denken. Dat leidt sommige mensen ertoe om verbolgen te reageren: herleidt men op die manier immers ons denkvermogen niet tot iets dat louter materieel is? De triomf van de materie over de geest! Materialisme!
Ik kan die verontwaardiging maar moeilijk begrijpen. Of ons denken nu gebeurt door onze hersenen of door onze geest, wat is ten slotte het verschil? De wetenschap is er helemaal niet op uit om onze geestelijke prestaties te minimaliseren, in tegendeel zelfs. Zij ontrafelen steeds beter onze denkprocessen en onze emoties, met als gevolg dat zij de talloze problemen die zich op dat vlak voordoen met groeiend succes kunnen omschrijven en behandelen. We moeten elkaar goed begrijpen: het is niet omdat men zegt dat er in de mens niet zoiets is als een geest, dat men ook maar iets afdoet van wat een mens vermag. Het is enkel zo, dat wat men vroeger toeschreef aan onze geest, nu resoluut wordt toegeschreven aan ons lichaam, met de hersenen als centraal orgaan.

Het voordeel
van deze copernicaanse revolutie (ik weet het, het is een cliché, maar dit is
wel de gelegenheid bij uitstek om het gepast te gebruiken) is dat wij op een
wetenschappelijk verantwoorde manier over ons lichaam en dus ook over onze
hersenen kunnen spreken, daar waar het spreken over de menselijke geest steeds onvermijdelijk
warrig en onnauwkeurig is: we weten zelfs niet eens waarover we het eigenlijk hebben
als we het over onze geest hebben. Het zijn vooral kwakzalvers, mediums,
adepten van het paranormale, goeroes, sekteleiders en ja, godsdiensten die vasthouden
aan het bestaan van een geest of geesten. Aan de universiteiten bestudeert men geen
geesten, maar de mens en alles wat met mensen te maken heeft.
Een van de belangrijkste aspecten van dit onderscheid is dat mensen, zoals al het leven op aarde, sterfelijk zijn, terwijl men van geesten aanneemt dat zij dat op een of andere manier niet zijn. Het geestelijke is per definitie niet lichamelijk, niet materieel en dus niet onderhevig aan verval en vernietiging. Het is ofwel eeuwig, dat wil zeggen dat het altijd al bestaan heeft en altijd zal blijven bestaan, ofwel onsterfelijk, dat wil zeggen dat het ooit is beginnen te bestaan en nooit meer kan vergaan. In die zin is God eeuwig, terwijl de ziel of de geest van de mens onsterfelijk is.
Hoe weten we dat er iets is dat eeuwig of onsterfelijk is? Omdat ‘men’ dat zegt. Er zijn altijd al mensen geweest die dat op een of andere manier hebben beweerd. Maar dat is dan ook alles. Wij hebben geen enkele concrete aanwijzing, laat staan een sluitend bewijs, dat het zo is. We moeten dat geloven, of aannemen, onszelf of anderen ervan overtuigen enzovoort, maar we kunnen het niet bewijzen.
We hebben het bestaan van geesten echter helemaal niet nodig om de wereld om ons heen te begrijpen en naar onze hand te zetten. In onze dagelijkse bezigheden houden wij geen rekening met geesten, we doen alsof ze er niet zijn. En als wij, of sommigen onder ons, ons toch laten verleiden om het bestaan van geesten aan te nemen, dan blijkt er geen duidelijk voordeel verbonden aan die veronderstelling, maar wel een hele boel nadelen, zowel op wetenschappelijk gebied als emotioneel en sociaal. Het is nu eenmaal ontiegelijk moeilijk om met elkaar te praten over iets zo vaags als geesten. Er zijn geen twee mensen die er hetzelfde over denken en dus is het een bron van onenigheid en twisten, ja van eindeloos geweld en verschrikkelijke terreur en oorlogen.
Is er dan niets geestelijks? Is alles materieel?
Het is maar hoe je het bekijkt en welke definities je gebruikt, het is een kwestie van afspreken onder elkaar. Ikzelf en vele anderen met mij maken een belangrijk en evident onderscheid tussen ‘dode’ materie en ‘levende’ wezens. Zelfs als de grens tussen die twee soms flinterdun is, twijfelen we er in de praktijk eigenlijk nooit aan of iets leeft of niet. Gans het universum bestaat uit identieke subatomaire partikels, die in de tijd een quasi oneindig aantal vormen kunnen aannemen, van zeer eenvoudige tot uiterst complexe. Sommige van die vormen zijn passief: zij ondergaan de inwerking van hun omgeving, zonder daartoe zelf enig initiatief te nemen. Maar er is hier op aarde vrij kort na haar vorming een soort materie ontstaan die in dat contact met de omgeving een actieve rol is gaan spelen. Dat is begonnen op een onooglijke manier: een subtiele gevoeligheid voor licht, warmte, vochtigheid, vijandige of gunstige elementen in de omgeving. Nog een kleine stap verder en bepaalde elementen zijn gaan samentroepen omdat ze daaruit voordeel haalden. Zo is er samenwerking ontstaan, werden de eerste cellen geboren die zich voedden en die zich deelden. Het enige dat een cel wil, zegt men wel eens, is twee cellen zijn.

Een steen
denkt niet (behalve in het Duits, heb je hem?). Maar alle leven ‘denkt’, alle
leven is ‘bezield’, alle leven is ‘geestelijk’. Leven is denken, je kan het ene
niet hebben zonder het andere. Van zodra iets leeft, is er ook een activiteit
die dat leven in stand probeert te houden. Spinoza noemt dat de conatus, de levensdrang zou je kunnen
zeggen. Zoals het leven ontelbare vormen aanneemt, is die levensdrang net zo oneindig
gedifferentieerd. Hij is aanwezig in de kleinste bacterie en in het grootste
zoogdier, de blauwe vinvis. Uit die eerste gevoeligheid voor de omgeving is op
een volstrekt natuurlijke wijze een ongelooflijke variëteit van leven ontstaan,
waarbij dat leven zich steeds beter probeert aan te passen aan en gebruik te
maken van zijn omgeving. Vandaag maken we een inventaris op van die veelheid in
verscheidenheid en wij verbazen er ons elke dag steeds meer over.
Er is in die lange evolutie sinds het ontstaan van het leven heel veel gebeurd, maar het is een ononderbroken lijn, het leven is nooit helemaal uitgestorven en opnieuw begonnen, hoewel er ontelbare individuen zijn vergaan en vele soorten uitgestorven zijn. Er zijn belangrijke momenten geweest in die evolutie, maar er is nooit een breuk geweest en nooit een fundamentele wijziging. Het leven is één. Al te lang hebben wij gedacht dat de mens uniek is, het enige levend wezen dat denkt, een bewustzijn heeft, gevoelens, een verstand, een ziel, een geest. Dat is niet zo, zo blijkt. Wij hebben misschien wel een beter verstand, we denken beter en vaker, we hebben een abstracter zelfbewustzijn, maar dat is slechts een hogere graad van iets dat in andere levende wezens eveneens aanwezig is, op een andere manier, soms in mindere mate, soms in veel hogere volmaaktheid voor bepaalde aspecten, zoals de reukzin bij sommige dieren, hun zicht, hun oriënteringsvermogen, hun snelheid en kracht, hun weerstand aan omgevingsfactoren enzovoort.
Er is dus
geen reden om aan te nemen dat de mens totaal anders is dan de andere dieren.
Wij zijn bijzonder, maar niet anders. De evolutie is bij ons op het punt van de
hersenen en van de intelligentie het verst gegaan. Wij hebben relatief gezien
de grootste hersenen en ook de meest complexe en we hebben ze gebruikt om een
beschaving te ontwikkelen die ons in staat stelt om met zeer velen te overleven
op een aarde met beperkte mogelijkheden. Wij verschillen daarin niet essentieel
van andere levende wezens, zoals bacteriën, insecten, vissen enzovoort. Wij
zijn levende wezens zoals alle andere; als wij aan de andere levende wezens
geen bijzondere kenmerken toeschrijven, zoals een geest, dan kunnen wij die
evenmin opeisen voor onszelf. Indien wij ontkennen dat dieren een geest hebben,
dan hebben wij er ook geen. Onze hersenen zijn groter en beter, we kunnen er
meer mee, maar er is in de mens niet iets anders, niets geestelijks, dat de
dieren niet hebben. Zo simpel is het.
Doen we daarmee afbreuk aan de geweldige prestaties van de mensheid? Neen, hoezo? Al wat ik zeg is dat er geen eeuwige God is en geen onsterfelijke ziel of geest in de mens. De mens blijft wat hij is, wat hij altijd geweest is en al wat wij verwezenlijkt hebben blijft even belangrijk en waardevol (en vaak ook heel wat minder dan dat). De mens wordt niet minder omdat hij sterfelijk is, omdat hij op een ogenblik ophoudt te bestaan als mens en weer uiteenvalt in zijn samenstellende moleculen, zoals alle levende wezens.
De mens wordt anderzijds helemaal niet meer of beter als we hem een vage, onduidelijke geest toedichten, hij kan plots niet meer dan wanneer hij die niet zou hebben. Mensen vallen niet plots dood als ze ontdekken dat ze geen ziel of geest hebben. Ze beginnen niet te moorden, stelen en verkrachten wanneer ze tot de overtuiging komen dat er geen hiernamaals is. Ze plegen geen zelfmoord uit wanhoop wanneer ze afscheid nemen van de ongerijmde idee dat er een God zou zijn. Merkwaardig genoeg zijn het veeleer de gelovigen en de mensen die ervan overtuigd zijn dat er een niet-materiële geest is, die verscheurd worden door twijfels en fanatieke waanideeën en die zichzelf en hun medemensen meesleuren in een paroxisme van zinloos geweld.

Wij moeten
leren leven met de simpele gedachte dat wij een diersoort zijn die zich
probeert in stand te houden en voort te planten op deze aarde en die geëvolueerd
is tot wat we nu zijn, met de hoogtechnologische beschaving die we uitgebouwd
hebben, met alle voor- en nadelen van dien. Het is werkelijk niet zinvol om het
leven op een andere manier te bekijken, het helpt niet, het is zelfs schadelijk,
dat zouden we nu toch al moeten door hebben. Twee of vijfduizend jaren ervaring
met godsdiensten allerhande hebben de vooruitgang van het leven op aarde op
alle gebied alleen maar enorm belemmerd en hebben honderden miljoenen menselijke
slachtoffers geëist. Wij hebben onze omgeving, inclusief het andere leven op
aarde, op een schandelijke manier misbruikt en vernietigd.
Het wordt
tijd, hoog tijd dat we het roer omgooien. Het zou een goed begin zijn als we voor
onszelf en voor anderen zouden durven erkennen dat God, geesten, hemel en hel een
groot misverstand is, dat het enige dat telt het leven op aarde is, alle leven,
waarmee wij als evenwaardige mensen mogen samenleven, als sterfelijke
individuen.




























