Over enkele
dagen beginnen de Olympische spelen. We zullen dan weer een schitterende
demonstratie krijgen van wat de mens met zijn lichaam kan verwezenlijken: citius, altius, fortius. Sneller, hoger,
sterker. Deelnemen is belangrijker dan winnen, zal men beweren, maar om deel te
nemen moet je wel al een en ander gewonnen hebben, je komt er niet zomaar in,
er moeten Olympische minima gehaald worden in de verschillende sporttakken. Een
gewichtheffer maakt dan geen kans bij de honderd meter vlak, een renner niet
bij het discuswerpen, een schermer niet bij de marathon enzovoort.

Het is dus
een kwestie van specialisatie. We zijn allemaal mensen en we lijken meer op
elkaar dan dat we van elkaar verschillen. Zelfs in extreme gevallen, qua lengte,
gewicht, proporties, spiermassa, huidskleur of wat dan ook, bestaat er geen
twijfel over dat we allemaal mensen zijn. Er mag al eens één geval zijn op vele
tienduizenden waarbij het niet zo heel duidelijk is of het om een man gaat of
een vrouw, maar niet of het een mens is of… ja, wat? Nee: we herkennen een mens
blindelings.
De lichamelijke
kenmerken zijn inderdaad enorm verschillend, maar niet altijd gemakkelijk te
zien. Een sprinter als Bolt is een prachtige atleet, als je niet zou weten wat
zijn specialisme is, zou je het niet kunnen afleiden uit zijn lichaamsbouw.
Zelfs sommige gewichtheffers zien er heel normaal uit, in de laagste
gewichtscategorieën zelfs iets minder dan indrukwekkend. Langeafstandslopers
zien er helemaal niet uit alsof ze de voorgeschreven afstand zullen halen. We
kunnen ons lichaam dus trainen om bepaalde dingen te doen en dat is zowel een
mentale kwestie als een puur lichamelijke.
Men spreekt wel
van een sporthart: dat klopt veel trager en kan bepaalde inspanningen beter
verwerken. Men zegt dat niet van de lever, of de nieren, de maag of de darmen
enzovoort. Ons lichaam bestaat uit verschillende onderdelen, die allemaal min
of meer goed moeten functioneren en met elkaar samenwerken om tot een bepaald
resultaat te komen. Als één ervan het laat afweten, dan zijn de gevolgen vaak
aanzienlijk. Het aantal sportblessures op het hoogste niveau is spectaculair,
in alle sporttakken.
We zien dus
dat ons lichaam een complex geheel is, met duidelijk onderscheiden onderdelen,
die elk voor een bepaalde functie instaan en die er samen voor zorgen dat wij
in leven blijven en in staat zijn tot zelfs uitzonderlijke sportieve prestaties.
Training is daarbij van groot belang. We zien ook in dat onze mentale vermogens
daarbij een belangrijke rol spelen.
Maar niet
iedereen is tot alles in staat. Hoe goed ons lichaam ook gebouwd is, hoe hard
we ook trainen, hoezeer we het ook willen, sommige dingen, of zelfs de meeste
lukken ons niet. Er zijn maar enkele atleten die de wereldtop bereiken in elke
discipline. Wij, de gewone mensen, kunnen er allen naar kijken en ervan dromen.
Sommige mensen zijn in staat tot zeer uitzonderlijke prestaties, die voor
anderen zonder meer uitgesloten zijn.
Ik heb tot
hiertoe niets nieuws of verrassends verteld. Het zijn dingen waarover we het
eens zijn. Maar laten we nu eens denken aan onze geestelijke vermogens?
Een eerste
verschil is dat we onze hersenen niet kunnen zien. Een Nobelprijswinnaar herken
je niet op straat. Ons lichaam verraadt onze mentale capaciteiten niet. Stephen
Hawking is een van de knapste geleerden die er ooit geweest zijn, maar zijn
lichaam is… waardeloos. Slechts met grote moeite slaagt hij erin om zijn
mentale processen in gang te houden en zonder hulp van anderen kan hij zo goed
als niets.

Wij gaan ervan
uit dat iedereen ongeveer dezelfde hersenen heeft en dat is grotendeels ook zo,
maar alleen zoals wij ook allemaal ongeveer hetzelfde lichaam hebben, hetzelfde
hart, lever, nieren, maag… Bovendien zijn onze hersenen geen homogeen orgaan
zoals de andere. Wat wij met een verzamelterm ‘hersenen’ noemen, is een bonte
verzameling van zeer verschillende onderdelen, die er ook verschillend uitzien
en die totaal verschillende functies waarnemen, die samen leiden tot het
algemeen resultaat. Je kan onze hersenen eigenlijk vergelijken met het geheel
van ons lichaam: een eenheid in complexiteit, waarbij de verschillende onderdelen
samenwerken om een bepaald resultaat te bereiken.
Zoals alle
mensen een lichaam hebben dat in de details grondig verschilt van dat van alle
andere mensen, zo is dat ook voor onze hersenen. Elk onderdeel ervan kan groter
of kleiner zijn, beter of slechter werken, minder of meer mogelijkheden hebben
om zich te ontwikkelen door oefening en met wilskracht enzovoort. En zoals bij
ons lichaam zijn de prestaties waartoe wij met onze hersenen in staat zijn, verschillend
van persoon tot persoon. Misschien is ook dat een evidentie, maar dan een
waarbij we niet stilstaan en waarmee we niet altijd voldoende rekening houden.
Wij nemen zomaar aan dat iedereen over verstand beschikt, geestelijke vermogen, een
bewustzijn, een ziel of hoe men het ook wil noemen. Zeker als we het over de
ziel hebben, zijn we geneigd om nogal uniform te denken. Iedereen heeft een
ziel en wat we ons daarbij moeten voorstellen weten we niet goed, maar we gaan
uit van de veronderstelling dat iedereen dezelfde ziel heeft, of men die nu van
God gekregen heeft of niet. Ook als we over onze ‘geest’ spreken, zoals in het
duo lichaam-geest, denken we minder aan mogelijke verschillen dan aan identieke
exemplaren. De mens is een geestelijk wezen, in tegenstelling met andere, en
dat verschil is universeel, het geldt evengoed voor alle mensen. Het geeft ook zonder
meer recht op een menswaardige behandeling, gegarandeerd door de Universele
verklaring van de rechten van de mens. Alle mensen zijn vanuit dat oogpunt
volkomen gelijk, het is een kwaliteit die ze allen in dezelfde mate bezitten,
zonder onderscheid des persoons op welk secundair punt dan ook: ras, geslacht,
leeftijd, huidskleur, godsdienstige of ideologische overtuiging, seksuele geaardheid
enzovoort.
Als we er
even over nadenken, dan weten we dat wij mensen net zo verschillend zijn op
mentaal als op lichamelijk gebied. Onze hersenen zijn onderling zo verschillend
als onze lichamen, niet alleen in hun fysiologische verschijning, zoals gewicht
en relatieve grootte van de verschillende onderdelen, maar ook, zoals bij ons
lichaam, in wat wij ermee kunnen doen, zomaar en met training, oefening en
wilskracht. Sommige mensen zijn ook op mentaal gebied Olympisch kampioen, er
zijn bijvoorbeeld wiskundeolympiades, spellingwedstrijden, quizzen,
schaaktornooien enzovoort.
Als we dus
spreken over ‘de’ mens en zijn of haar geestelijke vermogens, dan moeten we
goed beseffen dat we over een ‘denkmachine’ praten die in elk individu enorme
verschillen vertoont die nog veel aanzienlijker zijn dan die van onze
lichamelijke kenmerken.
Een mens is
echter geen geest-in-een-lichaam, maar een eenheid van lichaam en geest. Onze
hersenen zijn een orgaan zoals onze andere organen, ze kunnen niet functioneren
los van de rest van het lichaam, zoals het lichaam niet zonder dat essentiële
onderdeel kan werken. Onze lichamen verschillen dus van elkaar op twee
manieren: enerzijds lichamelijk, inclusief onze hersenen, maar ook in wat wij
met ons lichaam kunnen doen, zowel op puur lichamelijk gebied als op mentaal,
waarbij die twee voortdurend samenwerken en elkaar bepalen. Twee mensen met een
vergelijkbaar lichaam zijn tot zeer verschillende prestaties in staat. Onze fysieke
verschijning geeft ons mogelijkheden en ook grenzen en die zijn voor iedereen
anders, vooral omdat wij met onze mentale vermogens onze mogelijkheden enorm
kunnen uitbreiden en onze grenzen quasi eindeloos verleggen, of juist niet.
De
individuele verschillen in onze lichamelijke opmaak zijn dus in zekere mate
bepalend voor wie we zijn en wat we aankunnen, maar dat wordt gewijzigd, in min
of meer belangrijke mate, door wat we met onze mogelijkheden aanvangen. De
verscheidenheid is dan ook zo groot, dat we gerust kunnen stellen dat er geen twee
mensen eender zijn in wat ze zijn en tot wat ze in staat zijn.
Dat heeft
een aantal uiterst belangrijke gevolgen, die vooral in extreme en specifieke
gevallen tot uiting komen, maar die we eigenlijk nooit uit het oog mogen
verliezen.
Zo zijn er
mensen die defecte hersenen hebben, we spreken van mentaal gehandicapten of
mensen met een mentale beperking. Die kan ook lichamelijk zichtbaar zijn, of
niet. Ze kan onschuldig zijn, of niet. Er is een groep van mensen die men
psychopaten noemt of sociopaten en dat is een mentale afwijking (van de statistische
algemene norm) die men uiterlijk kan vaststellen op basis van het gedrag, niet
op basis van uiterlijke lichamelijke kenmerken, maar die wel degelijk fysiologisch
waarneembaar is in de hersenen: de hersenen van psychopaten zien er anders uit
dan die van niet-psychopaten. Het is dus niet zo dat hun hersenen alleen maar
anders werken, nee: hun (defecte) werking wordt veroorzaakt door het feit dat
ze anders zijn, (ten minste!) zo anders als bij iemand die met één arm of een
been of blind of doof geboren wordt.
Dat stelt
ons voor grote uitdagingen. Kan men een psychopaat verantwoordelijk stellen
voor zijn daden, die evident bepaald worden door de hersenen die hij of zij
heeft?
Men heeft
kunnen vaststellen dat alle mensen die typisch psychopathisch gedrag vertonen
(bijvoorbeeld seriemoordenaars), ook die typische hersenstructuur vertonen.
Maar anderzijds heeft men ook vastgesteld dat een aantal mensen, inzonderheid
de verwanten van die psychopaten, (min of meer) dezelfde structuur vertonen,
zonder dat dit aanleiding geeft tot psychopathisch gedrag. We kunnen dus niet
zomaar iedereen onder de scanner leggen en op basis van de hersenstructuur
opsluiten, voor het geval dat zij ooit seriemoordenaar zouden worden. Zie je
het probleem? Alle seriemoordenaars hebben een specifieke hersenafwijking, maar
niet iedereen met die afwijking is of wordt een seriemoordenaar. Er zijn dus
bijkomende elementen die maken dat iemand met dergelijke mensen ook begint te
moorden. We weten nu dat de levensomstandigheden daarbij een grote rol spelen,
zoals armoede, lichamelijke en geestelijke verwaarlozing en het ondergaan van misbruik
en geweld. Maar ook voor die omstandigheden is het individu zelf niet (alleen)
verantwoordelijk.

Minder
spectaculair maar misschien nog belangrijker vanuit een bepaald oogpunt, is de
kwestie van het onderwijs en de opvoeding. Traditioneel proberen we onze
kinderen op te voeden tot een bepaalde algemene norm. Voortdurend leggen we
termen vast waaraan ze moeten voldoen: leesvaardigheid, maar ook rekenen,
onthouden, algemene kennis enzovoort. Heel het onderwijs is daarop gebouwd: de
kinderen zover brengen dat ze bepaalde minimale normen halen. We vergeten
daarbij al te vaak dat alle kinderen verschillend zijn, zeer verschillend,
zowel fysiek als mentaal, zoals we hebben gezien. En niet alleen dat: ook de
manier waarop ze die twee elementen integreren is verschillend, en hun
omstandigheden zijn verschillend, zeer verschillend. En toch willen we dat ze
allemaal hetzelfde kunnen. Het is een vrijwel onmogelijke opgave.
Wat mij daarbij
vaak tegen de borst stuit, is dat het onderwijs die (negatieve) verschillen
toewijst aan de luiheid, onwil, domheid, tegendraadsheid of wat dan ook van de
leerlingen en al te weinig rekening houdt met een aantal mogelijke oorzaken,
fysieke, mentale en omgevingsfactoren die een grote invloed kunnen hebben op de
mogelijkheden en de prestaties van een kind.
Meer in het
algemeen zien we dat in onze samenleving de mensen zeer verschillend leven. Men
kan wel bepaalde patronen en gewoonten aanwijzen en zelfs gedragingen
voorspellen. Zo weten we dat het druk zal zijn op de wegen naar de kust als de
zon schijnt en dat je op vrijdag- en zaterdagavond moeilijk een vrije tafel in
een restaurant zal vinden. Maar kijk eens om je heen naar je buren en je stelt
meteen vast dat er binnen de algemene mogelijkheden die er zijn, heel wat
variatie mogelijk is.
Bedenk dan
altijd dat heel wat van die verschillen, en vooral die aspecten die jou het
meest verwonderen of irriteren, niet zonder meer te wijten zijn aan de onwil,
de domheid of de boosaardigheid van de betrokkenen, maar wellicht het resultaat
zijn van hun genetische samenstelling en van hun persoonlijke geschiedenis en
dat zij voor geen van beide persoonlijk verantwoordelijk kunnen of mogen geacht
of gesteld worden.
Wij zijn
verschillend, zeer verschillend en niet alleen hoe we eruit zien. Ook onze
hersenen zijn verschillend, zeer, zeer verschillend en dat heeft gevolgen, kleine
en grote. Wij zijn zoals we zijn en niet altijd zoals we verondersteld worden
te zijn. Laten we elkaar dus wat vaker welwillend benaderen zoals we zijn. En
als we daar in een aantal gevallen al dan niet terecht moeite mee hebben, laten
we dan niet al te lichtvaardig oordelen, maar gewoon rustig die mensen
vermijden waar we het nu eenmaal moeilijk mee hebben, zonder hen te
veroordelen, in het besef dat er ook mensen zijn die het niet zo op ons
begrepen hebben. Er is genoeg volk op aarde en de aarde is groot genoeg opdat we
niet gedwongen zouden zijn om voortdurend samen te leven met onmogelijke
anderen.