etymon: kaffers


Er is Kunst en kunst, of grote kunst en kleinkunst. Zo zijn er Kaffers en kaffers en zelfs nog andere kaffers, blijkbaar.
De scheidingslijn tussen de Kaffers en de kaffers loopt tussen de twee partijen die ook nu nog lijnrecht tegenover elkaar staan in bloedige broedertwist, namelijk de Arabieren en de Joden.
Laten we beginnen met Kaffer, met hoofdletter dus.
Van Dale situeert het eerste gebruik van Kaffer al in 1596 en wel in het Afrikaans. Die vroege datum lijkt onwaarschijnlijk, zoals we later zullen zien.
Het is een vrij lange omweg. De oorsprong is Arabisch: quafir en dat was en is de naam in de Islam voor de ongelovigen, de afvalligen, de niet-moslims. Er is een verwant werkwoord kafara: verbergen, ontkennen. In het Ottomaanse rijk (1299-1922!) werd het de vaste (scheld)naam voor de christenen. En dan is er een rare sprong gebeurd, eigenlijk een omkering van de rollen: de overal, ook in het Westen bekende Moslim scheldnaam voor de christenhonden werd de christelijke scheldnaam voor de niet-christelijken, de ongelovigen vanuit het christelijke standpunt. Het had evenwel geen zin om die term te gebruiken voor de Moslims, want dan noemde men elkaar bij dezelfde naam en dan is men alle twee kaffer, zoals kinderen zeggen: al wat ge zegt zijt ge zelf. Christen missionarissen, zowel katholieke als Protestantse, gingen de kaffer-naam gebruiken voor de oorspronkelijke zwarte bevolking van Afrika, de negers. In 1652 stichtte de Nederlandse Oost-Indische Compagnie Kaapstad en dat was het begin van de kolonisatie van zuidelijke Afrika, die tot laat in de twintigste eeuw heeft geduurd, denk maar aan Nelson Mandela. Met die datum in gedachten, namelijk het midden van de zeventiende eeuw als het begin van de vrij gewelddadige en onderling competitieve kolonisatie van Afrika door Engeland, Frankrijk en Nederland, lijkt het onwaarschijnlijk dat onze term al in 1596 in het Nederlands uit het Afrikaans zou overgekomen zijn, er was toen namelijk nog geen Afrikaans. Meer waarschijnlijk is onze Engelse etymologische bron, die spreekt van 1790 als datum waarop de vroege Engelse missionarissen de term Kaffir begonnen te gebruiken voor de zwarte Kaapse bevolking. Aangezien de Nederlanders er eerst waren, de Britten kwamen er pas op het einde van de oorlog met Napoleon, hebben de Britten die benaming wellicht overgenomen van de Nederlanders. Die inherent racistische naam was in Zuid-Afrika de officiële benaming voor al wat zwart was, vandaar de hoofdletter. Dat belet niet dat het zowel in het Nederlands en het Afrikaans als het Engels ook een gewone scheldnaam geworden is. Een vrouwelijke Kaffer was een Kafferse.
Wie zijn dan de kaffers, met kleine k? Dat moet dan een Joodse etymologie hebben en dat is ook zo. Het Jiddisch-Hebreeuwse woord voor boer of dorpsbewoner is kaphri en met het Jiddisch is die naam al vrij vroeg, Van Dale zegt 1724, overal via het Bargoens, de verzamelnaam voor allerlei dieven- en geheimtalen, in Nederlands terechtgekomen, met de bijbetekenis die boer ook nu nog heeft, althans op de tribunes van ‘den Aantwaarp’: boere booite! Een boer is, of was, een lompe, onbehouwen persoon en elke tegenstander van den Aantwaarp, of elke niet-Antwerpenaar is dat voor de Sinjoren ook.
Een kaffer, oorspronkelijk gewoon een boer, werd dus ook een lomperik in het Nederlands. In het Bargoens is de oorspronkelijke betekenis behouden, namelijk gewoon een boer en een kafferin is gewoon een boerin.
Ten slotte is er nog een andere kaffer, uit een ander idioom, namelijk de soldatentaal: iemand die bij de cavalerie was, het paardenvolk zoals mijn grootmoeder zei, was een cav’er en zo dus een kaffer.
Words, words, words…

















