regulateur
Toen ik op Vastenavond bij Dirk, mijn oudste zoon thuis was voor pannekoeken (neen, ik zet die domme –n er niet bij!), vroeg hij me om nog eens naar zijn ‘regulateur’ te kijken, een erfstuk van de familie van Katrien. Tien jaar of meer geleden, toen hij de klok gekregen had, had ik die wat gereinigd, hier en daar wat olie en ze tikte weer vrolijk. Nu, na wat verhuis en verbouwingen was ze niet meer in gang te krijgen. Gisteren heb ik ze weer een beurt gegeven: stof weg, olie verversen en ja hoor: ze tikt en slaat weer opgetogen.
Mijn eerste klok vond ik op een dag in de boekenkast op mijn zolderkamer. Ik was twaalf, dertien misschien. Ik zie ze nog voor mij, achteloos tussen boeken en oude tijdschriften. Op een of andere manier moet ze mijn nieuwsgierigheid gewekt hebben. Het was ook een regulateur, een hangklok met een slinger, in een zwarte houten kast, met gedraaide torentjes op de hoeken onder en boven en een fronton bovenop. Ik opende het glazen deurtje, maakte de slinger los, haalde het werk eruit, keek eens hoe alles ineenstak. Al rap zag ik wat er schortte: de ophanging van de slinger was stuk. Dat is een klein metalen stukje, twee stukjes koper met twee dunne stalen stukjes ertussen, die als een veer werken en de beweging van de slinger een extra duwtje geven. Stukje eruit gehaald en ermee naar een horlogewinkel in de hoofdstraat. Die bekeek me eens, niet onwelwillend, wellicht terugdenkend aan zijn eigen jeugd, en verkocht me voor enkele franken een nieuw stukje. De rest was kinderspel: beetje afstoffen, ophangen, opwinden en voor het eerst dat gevoel van: hé, het werkt! Mijn Moeder vertelde me dat het de klok van haar moeder was, een huwelijkscadeau. Mémé, zoals we haar noemden, of Meetjen, heeft jaren bij ons gewoond en is er ook gestorven toen ze 87 was. Ze was geboren in 1875, mijn meter, haar oudste dochter, was van 1900, ze ‘ging mee met het jaar’: ze was zo oud als de eeuw; Mémé moet dus getrouwd zijn rond 1895. Later, toen wij allemaal het huis uit waren en mijn ouders voor hun oude dag naar een appartementje verhuisden, heeft de regulateur opnieuw een ereplaats gekregen, en ik onderhield hem sporadisch. Toen wij zelf een huis bouwden, kreeg ik de regulateur, in ruil voor een ietwat kitscherige namaak antieke klok die wij als huwelijkscadeau hadden gekregen van heeroom nonkel Fons, de broer van mijn schoonvader, die net zoals mijn schoonvader een amateur uurwerkmaker en –verkoper was. Toen we scheidden, nam ik de regulateur mee en hij heeft nog altijd een ereplaats, naar ik hoop de laatste wat mij betreft.
Sinds die eerste ‘herstelling’, bijna vijftig jaar geleden, heb ik af en toe nog hier en daar een klok gereinigd en weer aan de praat gebracht. Als ik er zelf geen doen aan zag, bracht ik ze naar een professionele uurwerkmaker, met wisselend succes. Zo kreeg ik een reputatie: hij kent er iets van. In feite wist ik er niet veel meer van, maar toch net voldoende voor de reputatie. Ik kocht wat boeken over oude klokken, las enkele werken uit de bibliotheek over klokken, kalenders, tijdsberekening, het werd een hobby. Op reis bezocht ik uurwerkmusea, als er tentoonstellingen waren in de buurt trok ik erop af. Op een dag, zeven jaar geleden vond ik een advertentie in de koopjeskrant: een liefhebber deed zijn collectie van de hand. Aangemoedigd door Lut kocht ik enkele klokken waaronder (eindelijk!) een staande klok, een Comtoise met een brede slinger en een heel elegante regulateur. Af en toe kocht ik er nog een bij en van familie, vrienden en kennissen kreeg ik er nog wat, een bezoeker zei eens dat ik in een klokhuis woonde… Het zijn er al bij al een stuk of tien.
Het zijn fascinerende dingen, die mechanische klokken. Het is natuurlijk allemaal massaproductie, de echt waardevolle stukken zijn heel duur. Maar ze werken allemaal, en ze blijven werken, honderd jaar lang, als ze niet mishandeld worden, met alleen maar een beetje olie om de vijf jaar en af en toe het stof eens wegblazen. Ze zijn ook vrij nauwkeurig. En ze werken gratis: een gewicht optrekken of een veer opwinden, dagelijks, wekelijks of om de veertien dagen is al wat je moet doen. Dat is het wat me altijd heeft aangetrokken, die onverwoestbare mechaniek, het gemak van onderhoud en bediening, een vrij ingewikkeld toestel dat niet duur is en waar je eindeloos plezier van hebt, als je het een klein beetje onderhoudt. Elke keer als ik een verwaarloosde klok weer aan de gang krijg, heb ik nog steeds dat fijne gevoel: voilà, ze gaat weer!
Mensen zijn vaak net zo. Soms zijn ze wat verwaarloosd en vallen ze stil, onbruikbaar voor hun omgeving. Maar met wat tender loving care, een klein beetje aandacht af en toe, kan je ze weer aan de praat krijgen en loopt alles weer gesmeerd. Ik weet dat ik in mijn leven zo’n mensen soms de rug heb toegekeerd, de schouders heb opgehaald en hen dat kleine beetje aandacht niet heb gegeven. Dat spijt me nu. Maar zoals vaak op klokken te lezen staat: fugit irreparabile tempus, de tijd vliedt heen en komt nooit meer terug.
Laten we zorgzaam omgaan met onze klokken. En met elkaar.


















