Vrijheid en technologie
Ik schreef hier recentelijk over ‘onze hoogtechnologische beschaving’, en pas nog over ‘de menselijke vrijheid’. Toen ik onlangs via de media vernam dat in Vlaanderen zowel als Wallonië de snelheidsovertredingen die met flitspalen en andere elektronische meetapparatuur vastgesteld worden maar heel zelden ook beboet worden, bleken die twee onderwerpen plots heel dicht bij elkaar te liggen.
Volledige vrijheid in het verkeer zou onder meer inhouden dat iedereen zo snel rijdt als mogelijk is met dat voertuig op die plaats. De ervaring heeft ons geleerd dat dit niet wenselijk is. Te hoge en onaangepaste snelheden leiden tot ongevallen, met veel materiële schade en ook gewonden en doden. Daar moest dus iets aan gedaan worden, want zowel de wagens en motorfietsen als de wegen laten toe dat men snel, zeer snel kan rijden, tenminste als het niet te druk is in het verkeer, en zelfs dan. De maatregel waar wij voor gekozen hebben, overal ter wereld, is de invoering van snelheidsbeperkingen, die vastgelegd worden in het verkeersreglement en ter plaatse aangekondigd. In België mag je op de autosnelwegen 120 per uur rijden, bijvoorbeeld. In Duistland gelden daar geen snelheidsbeperkingen; men vertrouwt erop dat men zijn snelheid aanpast aan het verkeer, en verder doet men wat men wil. Twee verschillende benaderingen, zonder noemenswaardige verschillen in het bereikte resultaat, namelijk het minimaliseren van ongevallen.
Op andere plaatsen gelden nog strengere beperkingen, tot 30 km per uur in de bebouwde kom of in de buurt van scholen. Al die verschillende snelheden moeten telkens met verkeersborden aangekondigd worden, met regelmatige herhalingen, onder meer na elk kruispunt, zodat wie een straat inrijdt meteen ziet hoe snel men er mag rijden. Onze straten en wegen zijn meer dan verzadigd van verkeersborden allerhande.
Iedereen weet dat verordeningen niet altijd nageleefd worden: de mens eist zijn individuele vrijheid op, bewust of onbewust, of is verstrooid en onaandachtig. Dat brengt met zich mee dat de overheid haar verkeersregels moet doen naleven, door voorlichtingscampagnes en sensibiliseren, maar ook door repressie: verkeersboetes en rijverboden en inbeslagname van voertuigen. Dat kost handenvol geld om te organiseren, want in ons land zijn er veel verkeersregels, veel wegen, veel voertuigen, en wij gebruiken die ook ontzettend veel. Er zijn dus massaal veel verkeersovertredingen die vastgesteld worden, en nog veel, veel meer die niet vastgesteld worden. De politiecontroles zijn beperkt, occasioneel, en de pakkans is klein. Er zijn veel flitspalen, maar nog niet om elke hoek, en de camera’s die er zijn, worden niet constant gebruikt. Bovendien is er een gedoogzone: een beetje te snel mag, zeg maar tien procent of zo. Maar ook niet alle vastgestelde overtredingen worden beboet: blijkbaar zijn er zoveel, dat de vervolging van de overtreders onuitvoerbaar wordt. En dus heeft men beslist de gedoogzone nog groter te maken: op de snelwegen worden enkel de zeer zware overtredingen nog beboet; tot 70% (!) wordt genegeerd.
Het is een krammakkelijk systeem, natuurlijk. Om goed (en rechtvaardig) te zijn zou elke overtreding moeten bestraft worden, anders creëert men een gevoel van straffeloosheid, en dat is precies een van de redenen waarom er hier bij ons zoveel kleine, maar ook grote overtredingen gebeuren. Maar elke overtreding vaststellen, dat kan niet met de middelen waarover we beschikken. En als het al zou kunnen, dan is er nog het ministerie van justitie, dat nog altijd werkt zoals in de Middeleeuwen, of de tijd van Napoleon, en daar kan men zelfs de zwaarste vastgestelde overtredingen niet de baas; en de gevangenisstraffen en andere straffen die men oplegt, kan men niet uitvoeren, omdat de gevangenissen overvol zitten, en er geen enkelbanden genoeg zijn, en te weinig personeel om werkstraffen te controleren, enzovoort, enzovoort. Er is dus van alles verkeerd met ons systeem.
Dat vraagt om maatregelen, en men zoekt die vooral in technologische oplossingen: elektronische camera’s die automatisch de gegevens van de overtredingen doorseinen, zodat er automatisch documenten kunnen opgesteld worden voor de vervolging; camera’s die nummerplaten kunnen herkennen; elektronische verkeersborden met wisselende inhoud, die bijvoorbeeld de snelheid enkel controleren tijdens een bepaalde periode, zoals de uren rond het begin en einde van de schooltijd; trajectcontrole; elektronische stuursloten die een ademtest doen voor men kan vertrekken, enzovoort. En men legt de wegen zo aan dat het moeilijk wordt om snel te rijden, bijvoorbeeld door drempels en andere verkeersremmers. Het probleem van de vervolging van de overtreders blijft echter bestaan, ondermeer omdat ons gerechtelijk systeem automatische boetes verbiedt: men krijgt een ‘minnelijke schikking’ voorgesteld, maar iedereen heeft het recht om zich tot de rechtbank te wenden.
Men had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen, en het probleem aan de grond aanpakken. Als men wil dat er nergens sneller gereden wordt dan zeg maar 125 km per uur, dan kan men in de voertuigen een snelheidsbegrenzer inbouwen. Dat is technisch perfect mogelijk: het bestaat al in vrachtwagens en autobussen, maar ook in moderne wagens, die een vrijwillige cruise control hebben. Als men (elektronisch) enkel wagens tot het grondgebied toelaat die een dergelijk systeem hebben, kan men de snelheidsbeperking automatisch doen instellen afhankelijk van de plaats of de zone waar men rijdt, door een elektronische verkeersmast (misschien wel de talloze huidige gsm-masten, of de gps-signalisatie), in plaats van een verkeersbord; een signaal beperkt de snelheid van elk voertuig tot het afgesproken maximum. Geen gezanik, geen discussie, geen repressie, geen procedures. En geen ongevallen.
Dat is technisch haalbaar zonder al te veel moeite of kosten, integendeel, het zou veel goedkoper zijn dan het huidig systeem. Waarom doet men het dan niet?
Tja, … Enerzijds is het altijd moeilijk om veranderingen door te voeren, wat die ook zijn, en zeker drastische maatregelen die een onmiddellijke en diepgaande invloed hebben op een groot aantal mensen, zelfs als iedereen het erover eens is dat het een goede zaak is. Maar ik meen dat er een tweede reden is, na die van de menselijke en maatschappelijke inertie. Wanneer de overheid automatisch ingrijpt in ons gedrag, in dit geval de snelheid waarmee wij ons kunnen voortbewegen, dan voelen wij dat aan als iets bedreigends en zelfs onrechtmatigs. Het is een flagrante beperking van onze vrijheid. Niet een wet, of een bevel, of een wijze raad, of een aansporing, maar een onafwendbare en onverbiddelijke ingreep die het ons onmogelijk maakt om iets anders te doen dan wat verplicht is, en ons dwingt om enkel te doen wat toegelaten is. Big Brother!
Einstein heeft het (waarschijnlijk niet) gezegd: er zijn slechts twee dingen oneindig: het universum en de menselijke dwaasheid, en het eerste is niet eens zeker. Wij kunnen ons daarover verbazen en ons eraan ergeren, maar het is wel zo. Het zou allemaal veel eenvoudiger kunnen en veel beter, maar we slagen er niet in om het altijd en overal optimaal te regelen voor iedereen, zelfs als het kan, zelfs als we het willen. Er is altijd en overal onvolmaaktheid en zelfs onheil, vreselijk onheil. Met wapens is nog nooit een probleem opgelost, zelfs niet een probleem dat met wapens was ontstaan. En toch produceren en gebruiken wij massaal wapens, we hebben er genoeg om iedereen ettelijke keren te vermoorden en om de hele wereld tot losse atomen te herleiden. We kunnen de vervuiling van de aarde en al de enorme gevolgen daarvan verhinderen, maar we gaan vrolijk door met het produceren en verspreiden van schadelijke stoffen, en het zwerfvuil op aarde en in de zee zal weldra meters dik zijn. Enzovoort, enzovoort.
En dat alles in naam van de menselijke vrijheid, het gevoel dat men zelf kan beslissen wat men doet: te snel rijden, een leeg blikje door het raam van de wagen kieperen, roken, alcohol drinken, medemensen bestelen, kwetsen, verkrachten en misbruiken, doden… Veel kan verhinderd worden door zaken onmogelijk te maken, maar dat lukt niet zo goed. Er is altijd een fundamentele weerstand tegen het onbeperkt inperken van de menselijke vrijheid. Men vreest dat we dan minder mens zijn, dat onze autonomie en onze menselijke waardigheid aangetast is.
Maar is het wel terecht dat men die meest fundamentele en nobele redenen inroept om funest en zelfs misdadig gedrag te verdedigen? Roken is schadelijk, daarover is men het eens, en de manier waarop wij met alcohol en andere drugs omgaan is ook niet fraai. De mens, elke mens doet dingen die wij beter niet zouden doen. Maar ronduit verbieden? Dat niet, ook al omdat we dan weer met overtredingen en controles en bestraffing zitten, en dan zijn we weer bij af.
De menselijke vindingrijkheid in het ontwijken van wetten is overigens blijkbaar zeer goed opgewassen tegen die van de wetgever om de wetten te doen toepassen. Stel dat we de snelheid van wagens van buitenaf elektronisch kunnen regelen; het zal geen dag duren voor iemand een apparaatje ontwikkeld heeft dat dit signaal onderschept. En zelfs als men de motor van een voertuig mechanisch beperkt, zijn er handige knapen die dat binnen de kortste keren uitgeschakeld hebben en integendeel het vermogen en de snelheid nog opvoeren. De ervaringen met rookverboden en droogleggingen en allerhande wars on drugs leren ons dat het vrijwel onmogelijk is om de mens bepaalde genotsmiddelen te ontzeggen.
De mens is een complex wezen, en zeven miljard mensen op deze aarde is een complex gegeven. Er zijn in de praktijk blijkbaar geen gemakkelijke en eenvoudige en goedkope oplossingen. Maar dat betekent niet dat als die er zijn, we ze niet mogen gebruiken, omwille van het heilig principe van de menselijke vrijheid. Een rookverbod in kantoren en werkplaatsen en publieke ruimten, zelfs als het niet absoluut gerespecteerd wordt, heeft toch een gunstig effect op de publieke gezondheid. Een elektronisch snelheidsbeperking, zelfs als ze door sommigen omzeild wordt, zou een immense invloed hebben op de verkeersongevallen. Het is inderdaad niet gemakkelijk om iets absoluut onmogelijk te maken, maar waar het kan, zou men het moeten doen, als men het erover eens is dat het moet.
Daarnaast moet men inderdaad blijven werken aan het sensibiliseren van de mensheid, steeds weer, voor elke nieuwe generatie, want niets is verworven, tenzij het in de genen opgeslagen is. Sommigen rekenen daarvoor op godsdiensten en andere, meer moderne overtuigingsmethoden; het gevaar daarbij is dat men steeds afhankelijk is van degene die de boodschap brengt. Zelfs als dat ogenschijnlijk een blijde boodschap is, biedt dat nog geen zekerheid voor een goed resultaat, zoals de geschiedenis ons leert. Sommigen menen dat men de mens enkel tot beter handelen kan brengen door elke mens tot betere inzichten te brengen, door ervoor te zorgen dat elke mens zo goed mogelijk zelf nadenkt en zich bezint over zijn gedragingen, en de eigen gedachten toetst aan de werkelijkheid en aan de ideeën van anderen, vooral dan die ideeën die in de praktijk nuttig en waardevol gebleken zijn, en met uitsluiting van ideeën die catastrofen veroorzaakt hebben.
Onze technologische maatschappij, die zoveel nieuwe mogelijkheden creëert, zal het tevens mogelijk maken dat mogelijkheden afgesloten worden. Dat is, in tegenstelling met ons aanvoelen, geen inperking van onze vrijheid: door het uitschakelen van nefaste factoren verhoogt juist onze vrijheid om het goede te doen en het kwade te vermijden. Wij moeten de technologie aanwenden om de wereld te verbeteren, maar dat moet uiterst voorzichtig gebeuren, na zorgvuldig onderzoek en overleg, want de gevolgen kunnen erg verstrekkend zijn, misschien zelfs onomkeerbaar. Dat vereist een democratische samenleving, waarin niemand zomaar over het leven en welzijn van anderen kan beslissen, maar waar mensen wel gezamenlijk kunnen kiezen om bepaalde dingen te doen, of ze niet te doen en zelfs de mogelijkheid daartoe uit te schakelen. Vrijheid is geen willekeur, maar het maken van de keuzes; hoe beter die keuzes, hoe vrijer we zullen zijn.




