Odette?
Jaren geleden was er een geniaal muzikaal quizprogramma op de BBC, dat ik enthousiast volgde: My Music, met Steve Race. Een van de vragen die de muzikale deelnemers op een keer voorgeschoteld kregen was: in welk muziekstuk komt de naam Odette voor? Verbazing alom. Waarop de quizmaster fijntjes de bekende aria uit de Messiah van Haendel intoneerde: Death, o Death, where is thy sting? Grave, where is thy victory? Hilariteit alom.
De tekst is een citaat, zoals alle teksten van Haendels Messias, uit de Bijbel, namelijk de Eerste brief aan de Korintiërs, 15, 55. ‘Paulus’ heeft het in dat laatste deel van die brief over de dood en verrijzenis van de Christus, de kern van het geloof in de verrijzenis van de mens. Het citaat van Haendel uit de Eerste Korintiërsbrief is op zijn beurt, zoals talrijke andere teksten uit het Nieuwe Testament, een citaat uit de teksten van het Joodse volk, die later door het christendom, dat zelf begonnen is als een Joodse sekte, schaamteloos overgenomen zijn als het ‘christelijke’ Oude Testament, in dit geval uit Hosea, 13, 14.
In deze bekende episteltekst, die ontelbare keren gedebiteerd wordt als de eerste lezing op christelijke begrafenissen, maakt ‘Paulus’ (en ik plaats zijn naam hier nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want er is geen enkel historisch bewijs dat de persoon aan wie dit alles wordt toegeschreven ooit bestaan heeft) zich sterk dat de dood niet het einde is, maar het begin van een nieuw leven. Vandaar het citaat: door de verrijzenis en het vooruitzicht op een nieuw, glorieus leven, verliest de dood haar angel, en wordt haar overwinning op het leven teniet gedaan.
Dat de dood niet het einde is, is op zich een verbijsterende gedachte, die op mij nooit enige indruk heeft kunnen maken. Van in mijn prilste jeugd heb ik al snel ingezien dat het leven eindig is. Je kan er immers zelfs als kind niet naast kijken: al wat leeft, sterft: bloemen en planten, een huisdier en het vee, de insecten in huis die achteloos doodgemept worden, en ja, ook mensen, zoals je grootouders, buren, kennissen.
Ook heel jonge kinderen worden geconfronteerd met de dood, en kunnen niet anders dan daaruit conclusies trekken. Het heeft, in mijn aanvoelen, niet veel zin om dat te verbloemen, zoals men vandaag de dag graag doet: een familielid dat gestorven is, wordt dan een sterretje aan de hemel, een versleten romantische cliché die we bijvoorbeeld in Mahlers Kindertotenlieder terugvinden, maar die een hedendaagse filosofe nog steeds geschikt acht. Waarom zoiets verzinnen en vooral: waarom kinderen dat opdringen? Het klinkt poëtisch, maar het is gewoon een onwaarheid die we gebruiken om de waarheid te verbergen, een waarheid die kinderen wel moeten inzien en die ze echt wel in staat zijn om te verwerken, en die hoe dan ook de voorkeur verdient boven elke goedbedoelde maar nefaste leugen, die men dan later moet rechtzetten.
Ik heb altijd al beseft dat het leven een begin kent en een einde. Dat is de essentie van het leven. Ik heb nooit de indruk gehad dat het anders was, dat het anders kon zijn, en ik heb ook nooit verlangd dat het anders kon zijn: dat is immers een contradictie, een onmogelijkheid. Wellicht heeft dat een belangrijke rol gespeeld in mijn afwijzen, van in de kleuterklas, van elke vorm van geloofsindoctrinatie: mensen gaan wel dood, verrijzen niet, en van een leven na de dood is er geen enkele aanduiding. Ik was daarmee al als peuter verzoend; het was immers wat ik om me heen zag in de natuur. Ik voelde moeiteloos aan dat de mens deel uitmaakte van die natuur, en stelde vast dat wij op geen enkele manier aan die natuur konden ontsnappen, wat men daarover ook zei. Pasen, het feest van de Verrijzenis, was voor mij het feest van de lente, van het hernemen van het leven na de winterslaap en van het nieuwe leven uit het zaad van het oude, niet van een nieuw leven na de dood.
De dood had dus niets afschuwwekkends voor mij, het was immers de normaalste zaak van de wereld. Ik bleef altijd vrij onbewogen wanneer ik met de dood werd geconfronteerd, omdat ik nu eenmaal aanvaard had dat het een normaal verschijnsel was, waaraan niet te ontsnappen viel. Zeker, het viel me soms zwaar, zeer zwaar om afscheid te nemen van een geliefde, maar dat leidde nooit tot verzet tegen het feit dat alle leven nu eenmaal moet sterven. De dood heeft voor mij nooit de gedachte, laat staan het verlangen, opgeroepen naar een leven na de dood, een tweede leven, of het eeuwige leven. Het is een idee dat mij volkomen vreemd is, en dat is zo gebleven, mijn leven lang, en ik stel vast dat mijn ideeën daarover niet veranderd zijn nu ik ouder word en de realiteit van mijn eigen overlijden steeds naderbij komt.
Zeker, ik heb nog allerlei plannen en dromen en verwachtingen, en het zou me veel genoegen doen mochten er daarvan nog enige in vervulling gaan. Maar dat mijn resterende tijd elke dag korter wordt dan wat al voorbij is, vervult me niet met spijt, noch met irrationele verlangens om aan die essentiële conditie van mijn bestaan iets te veranderen. Voor mij zou het leven niet beter of aangenamer of zinvoller zijn indien er een tweede leven zou op volgen, of zelfs een eeuwig leven, onder welke vorm ook. Het leven is zoals het is, en daar heb ik geen moeite mee, integendeel. Het feit dat ik deel uitmaak van de natuur, en dat al de wetmatigheden van de natuur integraal op mij van toepassing zijn, verschaft me een diepgewortelde rust en aanvaarding, en maakt mijn leven, zoals alle leven, voor mij tot iets dat volmaakt zinvol is: het is zoals het hoort te zijn, met een aangrijpende geboorte als spectaculaire start, een precair en uitdagend bestaan vol mogelijkheden tot zelfontplooiing en samenwerking tot in onze diepste lichamelijke en mentale kern, en de onvermijdelijke neergang die erop volgt, met de zoete dood als bekroning, en niet als een mislukking. De curve van het leven is voor iedereen anders, een parabool die zelden in zijn geheel doorlopen wordt, maar die ten minste deze zekerheden heeft dat die begint en eindigt in het niet-bestaan. Zonder deze zekerheden zou het leven een volledig andere betekenis krijgen.
En laat dat nu juist zijn wat het christendom voorhoudt: een leven dat niet eindigt bij de dood. De imaginaire consequenties van die inderdaad verbijsterende en absoluut onnatuurlijke veronderstelling over het leven hier op aarde zijn spectaculair, maar tevens totaal ongeloofwaardig. Dat wij in het hier en nu moeten leven volgens een bepaald patroon, ons aangereikt door God zelf via de bedienaars van zijn eredienst, om in het hiernamaals niet tijdelijk of zelfs in eeuwigheid onderworpen te worden aan de meest gruwelijke lichamelijke en mentale folteringen, is een dogma dat geen enkele gelovige mag betwijfelen: het is de kern van het christelijk geloof. De eeuwige zaligheid die de beloning is voor een leven volgens de kerkelijke voorschriften wordt dan, hoe kan het anders, veel belangrijker dan het leven hier op aarde, dat onvermijdelijk als minderwaardig wordt geacht.
Die eeuwige zaligheid is, zo stelt die ‘Paulus’ in ‘zijn’ ‘brief’ aan de Korintiërs, niet van lichamelijk maar van geestelijke aard (1 Kor 15, 35-54). Er is dus een geestelijke component, die reeds in het aardse leven aanwezig is, en die totaal verschillend is van de lichamelijke. Dat simplistisch dualisme heeft het christendom ontleend aan de veel rijkere gedachten van Plato, waarvan het slechts een uiterst bedenkelijk en zelfs belachelijk afgietsel is, of om het met Plato zelf te zeggen, een vaag en vluchtig schaduwbeeld van de realiteit.
De kern van het christelijk geloof, waarop zijn hele dogmatiek en zijn hele patsorale praktijk gebouwd is, bestaat dus uit drie louter fictieve elementen, die in geen enkele ernstige filosofische of praktische benadering van de mensheid of de natuur ook maar enigszins kunnen ter sprake komen: een persoonlijke almachtige en volmaakte God, Schepper van hemel en aarde; het bestaan van geestelijke wezens en van een geestelijke component in de mens; het persoonlijke voortbestaan van de mens na de fysieke dood.
Dat is helemaal niet hoe mensen de natuur en hun eigen leven ervaren. Het is een mateloos vergezocht beeld voor een veel eenvoudiger realiteit, namelijk een natuur die haar eigen wetmatigheden heeft en waarbinnen ooit leven ontstaan is, dat voor zijn instandhouding aangewezen is op voortplanting en dat zich in de loop van miljarden jaren ontwikkeld heeft tot wat het vandaag is; de mens is een van die vele levensvormen, wellicht de hoogste op tal van gebieden, maar ook niet meer dan dat. Er is in de mens noch daarbuiten ook maar iets bovennatuurlijks (een contradictio in terminis zoals er nooit een geweest is).
Ik houd intens van het leven zoals het is, en dus met inbegrip van al zijn essentiële ingrediënten, dus ook de dood. De gedachte aan een leven zonder de dood is absurd. En dus zeg ik met de Joodse Hosea, de even mythische Paulus en de zeer reële Haendel: de dood heeft voor mij haar angel verloren en haar overwinning op het leven; ze is de zoete dood die me wacht wanneer de persoon die ik ben niet meer in staat is om verder te leven, het ogenblik waarop het rijke bestaan dat ik gekend heb definitief ten einde komt, mijn lichaam afgebroken wordt in zijn samenstellende delen, en mijn brein eindelijk zijn nerveuze activiteit staakt, en de wereld om mij heen doorgaat, tot ook die misschien ooit ophoudt te bestaan.















