Vrijheid en determinisme
Levende wezens hebben zich op aarde zo ontwikkeld dat sommige eigenschappen die een evolutionair voordeel bieden, opgeslagen worden in het genetisch materiaal, zodat ze door de voortplanting kunnen overgedragen worden. Dat betreft de materiële vorm van het lichaam, maar daardoor ook datgene tot wat dat lichaam in staat is (en wat niet). Er zijn echter ook talloze eigenschappen die noodzakelijk of nuttig zijn voor het overleven van het individu die niet opgeslagen zijn in het genetisch materiaal. Die moeten dan telkens opnieuw aangeleerd worden door elk individu op zijn eigen manier. Dat is de cultuur, in de breedste zin van het woord, die men verwerft tijdens het leven.
Een van de kenmerken van het leven op aarde is dat het geëvolueerd is tot de zogenaamde hogere levensvormen, die beschikken over een relatief groter en complexer centraal zenuwstelsel, waarvan de hersenen het centrum zijn. Het is een erfelijke eigenschap, die in ons DNA zit dat de hersenen vormt in elk individu. Die hersenen maken het mogelijk, in het contact met de buitenwereld, zich de niet-genetisch overdraagbare cultuur eigen te maken en de genetisch bepaalde kenmerken te ontwikkelen. Daardoor wordt men minder afhankelijk van de buitenwereld en kan men op grond van het geheugen en de kennis van het verleden, extrapolaties maken voor de toekomst en op grond daarvan zijn eigen handelen sturen.
Het grondprincipe daarbij zal altijd het ultieme eigenbelang van het individu zijn, dat zich echter enkel in de samenhang met de buitenwereld optimaal kan realiseren. Elk individu is zo gevormd dat het gericht is op de behoorlijke instandhouding van zichzelf in redelijke tot goede omstandigheden en op het in stand houden van het genetisch materiaal waaruit men is samengesteld, door het via de voortplanting door te geven aan een volgend individu. Het leven zelf is een primaire waarde voor al wat leeft, in de eerste plaats het leven van het individu zelf, maar aangezien elk individueel leven noodzakelijk eindig is, ook het leven van anderen en van het hele universum, dat vereist is voor het bestaan van individuen.
Vooral in de hogere levensvormen is er dus een primaire levensdrang aanwezig, die zich vertaalt in verscheidene meer specifieke strevingen. Zo zal een individu met de kenmerken die het heeft, genetische zowel als cultureel verworvene, zich inspannen om zijn levensomstandigheden te optimaliseren, zodat het zo weinig mogelijk afhankelijk is van negatieve invloeden en optimaal gebruik maakt van gunstige elementen. Door gebruik te maken van het brein kan een individu (en zo ook een maatschappij) niet ontsnappen aan de natuurwetten, maar het kan die wetten gebruiken om de buitenwereld zo om te vormen, dat het individu (of de maatschappij) er beter in kan floreren. Levende wezens zijn dus niet totaal afhankelijk van hun omgeving, zij kunnen die, binnen het kader van de eigen mogelijkheden en steeds binnen de natuurwetten, naar hun hand zetten en doen dat ook op grote schaal en met grote vindingrijkheid, met een spectaculaire groei van de mensheid tot gevolg.
Door zo in te grijpen in zijn omgeving en deel te nemen aan de samenleving neemt het individu een persoonlijke verantwoordelijkheid op zich. Met zijn brein is het immers in staat om keuzes te maken, en niet alle keuzes zijn goede keuzes. Men is dus als individu verantwoordelijk voor de keuzes die men maakt, omdat men er zelf de gevolgen moet van dragen, maar ook omdat anderen binnen de samenleving zich over die keuzes zullen uitspreken, en ze desgevallend zullen sanctioneren, omdat ze ook voor hen gevolgen hebben.
Welke keuzes men maakt, is bepaald door wie en wat men is. Er zijn genetische kenmerken waar we niet onderuit kunnen, omdat ze eigen zijn aan de soort; maar die kenmerken laten talloze variaties toe, bijvoorbeeld in de menselijke seksualiteit. Er zijn culturele kenmerken, die typisch zijn voor de soort of voor een groep, maar niet bepalend voor elk individu; ook daar zijn talloze variaties mogelijk. En er is de persoonlijke geschiedenis van het individu, het resultaat van alle andere kenmerken in combinatie met de optelsom van alle beslissingen die het individu in zijn leven heeft genomen. Elke beslissing heeft een oorzaak, maar bij elke beslissing kan het individu zich bezinnen, gebruik maken van zijn brein, zoals het op dat ogenblik is, met alle beperkingen en alle mogelijkheden daarvan. Er is dus geen sprake van een direct gevolg van een of een beperkt aantal oorzaken, zoals bij levenloze materie, noch van een spontane, instinctieve reactie zoals bij de lagere diersoorten, maar van een beredeneerde reactie, op basis van de ervaringen uit het verleden en de verwachtingen voor de toekomst.
Zeker, met dat denkvermogen kan zelfs het meest perfecte brein de natuurwetten niet omzeilen. Integendeel: hoe beter een brein werkt, hoe meer het de onafwendbaarheid van de natuurwetten zal inzien, en hoe minder het zich zal laten leiden door hoop en vrees, spijt over het verleden of onzekerheid over de toekomst. Deze bevrijding van de passies die de confrontatie met de wereld om ons heen met zich meebrengt, kan leiden tot een groter berusten in de eigen mogelijkheden en beperkingen, wat op zijn beurt leidt tot een nog juister inzicht in de wereld waarin men leeft.
Het komt er dus op aan om in te zien dat de wereld beantwoordt aan natuurwetten, en dat het zinloos is om te trachten daar iets aan te veranderen; maar tevens om te ontdekken dat er talloze mogelijkheden zijn binnen die natuurwetten om in te grijpen in onze omgeving en zo ons eigen lot en dat van anderen te verbeteren. Op die manier combineren wij het algemene, kosmische determinisme met de specifieke vrijheid die vooral de mens, als een hogere diersoort, eigen is.
Men kan opwerpen dat die vrijheid een illusie is: ook wanneer wij beslissingen nemen, is dat een kwestie van oorzaak en gevolg, en het is omdat we de onderliggende oorzaken niet kennen, dat we onterecht denken dat we vrij beslissen en dus vrij handelen. Om op dat punt tot een juist inzicht te komen, is het nodig dat we ons afvragen wat we hier precies bedoelen met vrijheid en determinisme. Ons brein is materieel, en valt aldus volledig onder de natuurwetten. Hoe ons brein werkt, wordt dus eveneens bepaald door de natuurwetten. In dat uiterst complexe orgaan zijn die wetten echter eveneens uiterst complex. Bovendien zijn er geen twee identieke personen, en is elk brein uniek, zowel materieel als in zijn werking. Het aantal factoren dat een beslissing van het brein beïnvloedt, is immens, en de werking van het brein is grotendeels onbewust, of autonoom. Zelfs als we hier nog steeds spreken van een determinisme, dan is dat een determinisme van een totaal andere aard dan bijvoorbeeld de vrij simplistische wetten van de zwaartekracht. En als die vrijheid een illusie is, dan is het een illusie van een gans andere aard dan bijvoorbeeld het traditionele christelijke godsidee.
Het dilemma van determinisme en menselijke vrijheid komt vooral naar voren wanneer men het heeft over misdaad en straf. Bij een simplistische omschrijving van het menselijk determinisme kan men dan stellen dat niemand verantwoordelijk is voor zijn daden, want elke daad is het onvermijdelijke gevolg van een oorzaak, en die op haar beurt van een andere enzovoort. Men kan dus niet spreken van een schuld, en dus is straffen uit den boze, tenzij eventueel als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen; wel mag de maatschappij zich beschermen tegen personen die een gevaar zijn voor zichzelf en voor anderen.
Dergelijk simplistisch determinisme wordt door vrijwel niemand aanvaard. Het gezond verstand treedt daar het ernstig wetenschappelijk onderzoek, zowel neurologisch als psychosociaal, juridisch en filosofisch, bij om te stellen dat behalve in uitzonderlijke gevallen de mensen wel degelijk verantwoordelijk zijn voor wat zij doen. Zeker, bepaalde daden blijken onvermijdelijk te zijn wanneer men de omstandigheden die ertoe geleid hebben in rekening brengt. De verantwoordelijkheid moet echter niet beperkt worden tot de uiteindelijke daad, maar moet terdege rekening houden met de voorgeschiedenis. In de loop van die voorgeschiedenis heeft de betrokken persoon immers tal van beslissingen genomen, die zoal niet bepalend, dan toch van grote invloed waren op het verdere verloop van de gebeurtenissen. Het is de zogenaamde slippery slope, of wie zich op glad ijs begeeft, moet er rekening mee houden dat men kan uitglijden.
Wanneer een overvaller bijvoorbeeld beslist daarbij gebruik te maken van een (echt) vuurwapen, is het niet onwaarschijnlijk dat daarvan ook gebruik gemaakt zal worden. In dat geval is men verantwoordelijk voor eventuele gekwetsten of doden, omdat men een vuurwapen heeft meegebracht. Het feit dat bij tal van overvallen enkel nepwapens gebruikt worden, bewijst dat men daarover heeft nagedacht: men wil wel een buit binnenhalen, maar niemand kwetsen, enkel schrik aanjagen.
Niemand wordt in absolute termen door het lot gedwongen om iets te doen of te laten. De omstandigheden, in de meest ruime zin genomen, hebben een grote invloed op het menselijk handelen, maar wij zijn niet het weerloos slachtoffer van die omstandigheden. Wij kunnen vermijden dat we in bepaalde situaties terecht te komen, door op grond van onze inzichten te beslissen om een bepaalde weg niet in te slaan, of op onze stappen terug te keren. Dat is ons algemeen aanvoelen, en het is de enige verantwoorde conclusie.
Ik had het over uitzonderingen. Er zijn inderdaad mensen met een lichaam dat niet naar behoren functioneert, meer bepaald wat de hersenen betreft. Er kan sprake zijn van een misvorming of beschadiging of ziekte van de hersenen, of van een psychische of mentale storing, bijvoorbeeld veroorzaakt door een traumatische ervaring, zoals bij shellshock, langdurige opsluiting en foltering, verkrachting, pesten enzovoort. In dergelijke gevallen is het mogelijk dat men bepaalde handelingen stelt, en bijvoorbeeld een moord begaat zonder dat daartoe enige aanleiding was. De oorzaak is dan het niet naar behoren mentale functioneren van de persoon, en niet een ‘normale’ reeks van oorzaken voor een dergelijke daad. Het is duidelijk dat men in dat geval zal spreken van een beperkte verantwoordelijkheid of zelfs volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Men zal zich dan beperken tot beschermende maatregelen. De menselijke vrijheid is in dergelijke gevallen nog nauwelijks aanwezig, het is zelfs zeer de vraag of men nog kan spreken van een volwaardige mens.
Maar dat zijn uitzonderingen, en het lijkt intellectueel oneerlijk om op basis van die uitzonderingen te concluderen dat wij allemaal onvrij en dus niet verantwoordelijk zijn voor wat we doen. Niemand is helemaal gezond, maar er is wel een verschil tussen wat wij gemakshalve een gezonde mens noemen en iemand met een massieve kwaadaardige hersentumor. Zo is misschien ook niemand helemaal mentaal gezond, maar blijft er gelukkig een wereld van verschil bestaan tussen iemand die zwaar mentaal gestoord is en de meeste andere mensen.
Sommige mensen blijven het moeilijk hebben met de gedachte dat alles een oorzaak heeft, maar dat dit niet betekent dat alles van tevoren vastligt. De geschiedenis van de wereld en van alles wat zich erop bevindt, is een noodzakelijke reeks van oorzaken en gevolgen. Er is niets dat geen oorzaak heeft, en gezien de omstandigheden kon de wereld enkel zijn zoals hij nu is. Let wel: gezien de omstandigheden! Op elk moment kon de geschiedenis een totaal andere kant uitgegaan zijn. Indien Columbus bijvoorbeeld nog een dag langer onderweg was geweest alvorens land te ontwaren, was hij wellicht teruggekeerd en zou hij (dan) de Nieuwe Wereld niet ontdekt hebben. En zo zijn er ontelbare voorbeelden. De wereld, ja het universum ziet eruit zoals het eruit ziet, omdat daarvoor goede redenen zijn; alles gebeurt volgens de natuurwetten, niets gebeurt zomaar, of tegen de natuurwetten in. Maar hoe paradoxaal dat ook moge klinken: niets lag op voorhand helemaal vast. Er waren immers binnen de natuurwetten zoveel mogelijkheden, dat het op geen enkel moment mogelijk was te voorspellen hoe het zou uitdraaien.
De mens is daarvan een goed voorbeeld. Dat wij er nu zijn zoals we zijn, heeft een lange reeks van oorzaken, zoals de evolutietheorie aantoont. Maar er bestond vooraf geen enkele reden waarom er ooit zoiets als homo sapiens zou ontstaan. Het was een mogelijkheid (anders waren we er niet), maar geen zekerheid. Het was misschien zelfs een waarschijnlijkheid, gezien de factoren die aanwezig waren, maar het is totaal onwaarschijnlijk dat een objectieve waarnemer bij het bestuderen van bijvoorbeeld de Neanderthaler zou kunnen voorspellen hebben dat de mens ooit naar de Maan zou reizen.
Wij moeten dus enerzijds aanvaarden dat de mens is zoals hij is omdat daar goede, ja noodzakelijke redenen voor zijn, maar anderzijds ook dat wij er net zo goed niet hadden kunnen zijn. Er is met andere woorden geen sprake van een absoluut determinisme, en dus ook geen reden tot fatalisme, noch is het zo dat op elk moment alles mogelijk is, en dus is er ook geen absolute menselijke vrijheid. Het komt erop aan inzicht te krijgen in de onveranderlijke en onafwendbare natuurwetten, en die naar best vermogen te gebruiken voor de instandhouding van het leven in het universum. Dat lijkt me een waardige opdracht voor een mens, en voor de mensheid.



















