Wie(n)s oude gewaden?


Vorige zaterdag zijn we, dank zij een vriendelijke goede kennis, met gratis kaarten naar een concert gegaan in de Leuvense Sint-Geertruikerk. Onder de titel Angelus bracht het koor OrSeCante en het Bhag-ensemble Halle een programma met hoofdzakelijk werk van Bach: het Magnificat en de al even bekende eerste cantate uit het Weinachtsoratorium. Koor, orkest en solisten deden hun werk voortreffelijk onder de kundige en enthousiaste leiding van Arnout Malfliet.
Het was een vreemde ervaring voor mij, nog eens in een kerk komen, zelfs voor een concert. Het was er koud en het is ook geen mooie kerk, ze heeft zwaar geleden in de oorlog en de restauratie binnenin is veeleer haastig oplapwerk geweest. Het orgel is wel in goede staat, met een heel mooi trompetregister.
De dirigent nodigde de aanwezigen uit om enkele koralen mee te zingen, na even kort inoefenen en ja, deze atheïst heeft meegezongen… De teksten waren, zoals de dirigent ook zei, niet te pruimen, maar we hebben ons daaroverheen gezet, zoals wellicht 250 jaar geleden… Wat dacht je van: Ach mein herzliebes Jezulein! Mach dir ein rein sanft Bettelein, zu ruhn in meines Herzens Schrein, Dass Ich nimmer vergesse dein!
Ik heb het hier al vaker geschreven en ik sta niet alleen met dit standpunt, ook een onverdachte Bachkenner als Maarten ’t Hart deed daarover al zijn beklag in zijn Bach-boek (2000): de teksten van Bach zijn vaak zo slecht als zijn muziek goed is en dat wil wat zeggen. Ik heb vaak de onweerstaanbare neiging om nieuwe teksten te dichten voor die onvoorstelbaar machtige muziek, maar ja, wie zal ze ooit uitvoeren? Er was al kritiek toen men in Nederland een Nederlandse versie van de Matteüspassie uitvoerde, maar dat was misschien net omdat men dan de banaliteit van de suikerzoete piëtistische karamellenverzen nog beter hoorde…
De kerk, de religieuze muziek, twee uur lang. Het gaf me volop de gelegenheid om na te denken tussen het genieten door. Ik ben opgegroeid in een zeer katholiek midden. Ik ben vertrouwd met de liturgie, de gebeden en gezangen, het kerkelijk jaar. Maar ik heb er lang geleden al afstand van genomen en sinds vijf jaar heb ik me er ook openlijk van afgekeerd. Ik ben atheïst en behoorlijk antiklerikaal, soms zelfs onbehoorlijk... Wat doe je dan met een Bachconcert in een kale, koude kerk? Ik moet het toegeven, ik heb me niet echt geërgerd. Bachs muziek maakt alles goed, je neemt de onnozele teksten erbij zonder er lang bij stil te staan. Maar wat een gemiste kans! Dat merk je pas als er af en toe eens een betere tekst opduikt, wat zaterdag helaas niet het geval was.
Maar goed, wat doe je met dat verleden? Moet ik, als die andere fiere Sicambriër, Clovis, nederig het hoofd buigen en verbranden wat ik heb aanbeden en aanbidden wat ik heb verbrand, zoals de legende en Gregorius van Tours ons vertellen, maar dan in omgekeerde zin?
Ik bedoel: moet ik, als atheïst, alles uit mijn religieuze opvoeding overboord gooien, zonder meer? Dat lijkt me ten enenmale onmogelijk. Hoe zou ik het kunnen? Ik heb heerlijke herinneringen aan uiterst pakkende momenten die ik doorbracht in kerken en kapellen. Er zijn veel lelijke kerken, er zijn ook enkele zeer mooie en dat zijn niet altijd de grootste. Ik hou van glasramen en die vind je nu eenmaal vooral in kerken. Idem voor houtsnijwerk… Maar ook liturgie kan aangrijpend mooi zijn. Ik was altijd blij als we aan het einde van het ‘lof’ het Tantum ergo Sacramentum mochten aanheffen. En wie is niet tot tranen toe bewogen wanneer men het In paradisum deducant te angeli inzet als de lijkkist naar buiten wordt gedragen?
De Piëta van Michelangelo of zijn sobere, menselijke madonna met kind in de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk, Bernini’s Extase van Teresa van Avila; Breughels volkstelling in Bethlehem: wat moeten we ermee in een geseculariseerde wereld? Wat inderdaad met al de zogenaamd religieuze muziek, met Bachs cantates en Haendels Messiah voorop?
Ik weet het niet goed. Neem nu de madonna van Michelangelo in Brugge. Neem die weg uit haar kerkelijke context, plaats haar in een museum of een andere openbare plaats (goed beveiligd, want het is de enige Michelangelo benoorden de Alpen…) en het blijft hetzelfde kunstwerk, er is immers niets specifieks religieus aan een moeder met kind. Idem dito voor Breughels schilderij: je moet al goed zoeken naar Maria en Jozef en het decor is Vlaanderen in de 16de eeuw. Maar de barokke getormenteerde Teresa van Bernini? Dat is veel moeilijker: je kan haar desnoods bekijken als een vrouw die een (virtueel?) orgasme geniet, maar dat lijkt me wel erg ongepast.
Misschien moeten we het wat ruimer bekijken. Hoe gaan we in het algemeen om met ons individueel en collectief verleden, met de geschiedenis? Je kan die niet veranderen, hoogstens grondig bestuderen en eventueel anders interpreteren. We leren leven met onze voorgeschiedenis, we integreren ze in ons heden, we leren eruit en nemen ze als inspiratiebron voor onze toekomstplannen. Zeker, er zijn aspecten die we liever zouden vergeten, vergissingen, dwaasheden, onvergeeflijke fouten. Wie zou er niet bepaalde gebeurtenissen uit zijn leven wissen als dat kon? Zouden we niet allemaal sommige episodes uit de geschiedenis willen verwijderen? Voorbeelden genoeg… Maar dat kan en mag niet: wie het verleden vergeet zal gedwongen zijn om het te herhalen; George Santayana (1863-1952): "Those who cannot remember the past are condemned to repeat it" (from "Life of Reason I").
Het is trouwens helemaal niet zo dat we ons hele verleden zouden willen vergeten, of de hele geschiedenis. Wij zijn erdoor gefascineerd, we zijn er voortdurend mee bezig. Noch is het zo dat wat het verst achter ons ligt het minst belang zou hebben: we trekken in dichte drommen naar de piramiden bij Gizeh en de tempel van Borobudur en de ruines van Machu Picchu. Voor kunstwerken uit de verre oudheid betaalt men fabuleuze bedragen. Wij zijn dus al bij al trots op ons verleden, we willen het helemaal niet vergeten! Het komt er dus op aan om het op de juiste manier te bekijken: the good, the bad and the ugly, en daaruit dan de juiste conclusies te trekken.
Dat probeert de kerk ook, zeggen Léonard en Ratzinger in koor: conservatief zijn betekent bewaren (Lat. conservare): zij willen uit de traditie datgene bewaren dat waardevol is. Dit is inderdaad een goed principe, maar alles hangt af van de concrete toepassing. Als men bijvoorbeeld de Tridentijnse ritus in ere herstelt dan gaat men zonder aanwijsbare reden bijna vijfhonderd jaar terug in de tijd, gewoon om het principe (klik hier: https://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=163). Als men vasthoudt aan al de kerkelijke tijdsgebonden dogma’s, dan is men blind voor de context waarin ze ontstaan zijn en voor de werkelijkheid van vandaag, waarop ze passen als een tang op een varken.
Het is voor moderne mensen soms heidens moeilijk om het verleden een plaats te geven in ons leven. Er zijn bijvoorbeeld nog maar weinig mensen die de rijmelarij van de Rederijkers kunnen appreciëren en dat is maar goed ook. Het Nederlands van de Statenbijbel is van een tijdloze schoonheid, maar het is ook vaak onleesbaar en dus is het goed dat er herhaaldelijk nieuwe vertalingen verschijnen.
De ultieme test voor wat belangrijk is en de moeite om bewaard te blijven, is de intrinsieke waarde die iets heeft. Neem nu de uitvoeringspraktijk van oude muziek: het kan niet origineel genoeg zijn, daarover zijn we het nu eens. Beethoven moet klinken zoals in zijn eigen tijd, niet zoals Karajan hem interpreteerde. Breughel was tijdens zijn leven al beroemd en duur, zo ook Rogier Vanderweijden, Dürer… Maar de in serie gefabriceerde veelkleurige plaasteren heiligenbeelden uit de vorige eeuw zijn pure kitsch, daar moeten we niet lang over nadenken. Tv-programma’s zoals Tussen kunst en kitsch en de Antiques Roadshow zijn een goede waardemeter, daar leer je wat intrinsieke waarde heeft in die context.
Kan je dat doortrekken naar muziek? Is het ook daar zo dat wat duur ook waardevol is? Er is zeker iets te zeggen voor de publieke belangstelling, bij concerten en in de verkoop van cd’s en dvd’s, als min of meer objectieve waardemeter. Maar ook hier zijn er altijd vergeten schatten op zolder…
Laten we stilaan naar ons besluit gaan. Het verleden kunnen we niet veranderen en we mogen het niet vergeten. We moeten bewaren wat belangrijk is en hoe meer mensen iets belangrijk vinden, hoe mee kans dat het ook echt zo is; we moeten lessen trekken uit al wat mensen voor ons hebben gedaan, of dat nu opmerkelijk goed of slecht was, of banaal. We moeten de toekomst met open vizier tegemoet treden, maar handelen met kennis van zaken.
Als titel voor deze bijdrage had ik een uitdrukking gekozen die ik hier al herhaaldelijk heb gebruikt en die je zeker ook kent: de oude gewaden afleggen. Dat klinkt heel Bijbels en dus ging ik op zoek naar de context, chapter and verse. Als je dat ook wil doen, dan kan ik je de moeite besparen, je zal het daar niet vinden. Er zijn wel twee passages waarin sprake is van het afleggen van de oude mens (Ef 4,22; Kol 3,9), maar die oude gewaden zijn op een heel andere, voor mij totaal onverwachte en veeleer merkwaardige manier in ons algemeen taalgebruik gekomen. Ze verschijnen voor het eerst in 1920, als de titel en aanvangsvers van een gedicht in de bundel De boodschap van de nu grotendeels vergeten Vlaamse dichter en activist Wies Moens (1898-1982).
De oude gewaden
zijn afgelegd.
De frisse vaandels
staan strak
in den morgen.
Aartsengelen
klaroenen
den nieuwen dag.
Wie het mes van zijn haat
sleep op zijn handpalm,
inkeren zal hij bij den vijand
en reiken zijn mond hem ten zoen!
Wie ging naar verdrukten
en droeg vertedering in 't hart,
hij wakkert hen óp tot den Opstand,
die het teken van de Gezalfden
zichtbaar maakt aan het voorhoofd
der kinderen uit de verborgenheid!
Strak staan
de vaandels in den morgen.
Aartsengelen
roeren de trom.
De jonge karavanen
zetten aan.
Ik laat het aan elk van jullie over, lieve lezers, om uit te maken of dit gedicht tot ons onvervreemdbaar erfgoed behoort, dan wel dat we ons tevreden stellen met de titel ervan als de verrassende bron van een min of meer ingeburgerde uitdrukking.




















