Wanneer men afstand doet van elk godsdienstig denken dat naast het universum een andere, niet-materiële dimensie als werkelijk bestaand opeist, wordt men meteen van plat materialisme beschuldigd: er bestaat niets buiten de materie. Dat is echter een onterechte aanklacht. Er is immers binnen het universum ruimschoots plaats voor veel meer dan enkel materie, geen weldenkend mens zal dat ontkennen. Het is niet omdat men het bestaan ontkent van een persoonlijke, transcendente God, een onsterfelijke ziel of een niet-stoffelijke ‘geest’, dat men meteen de mens herleidt tot dode materie of tot een primitief levend wezen zoals een bacterie.
Via een lange en ingewikkelde evolutie is het leven op aarde sterk gediversifieerd en heeft het onder talloze vormen een spectaculaire aanpassing gerealiseerd aan de levensomstandigheden. Een daarvan is de ontwikkeling van een centraal zenuwstelsel in vele diersoorten, inzonderheid de hersenen van de mens. Homo sapiens is in staat tot denken en tot zelfbewustzijn, heeft een geheugen en kan vooruitdenken, kan met anderen communiceren en kennis uitwisselen, ook in de tijd, door het bewaren en doorgeven van informatie en het uitbouwen van een beschaving. Wat men daarover vroeger ook heeft gezegd en geschreven, wat men ook vandaag nog daarover beweert, één ding is zeker: het is absoluut zeker dat enkel een levende mens daartoe in staat is. Bij de dood verdwijnt onvermijdelijk ook elk denkvermogen; het is namelijk met ons lichaam, vooral onze hersenen, dat wij denken. Zonder functionerende hersenen gaat het echt niet.
Dat is een vorm van materialisme, ja, maar een die totaal verschilt van datgene waarvan men atheïsten steeds weer beschuldigt. Ik ken geen enkele atheïstische filosoof en zelfs geen enkele atheïst die ooit zou beweerd hebben dat de mens niet in staat is tot hogere functies, tot wat men vroeger een hoger geestelijk leven noemde. Het tegendeel is overduidelijk waar: atheïsten zijn net de verdedigers van de mogelijkheden om zelfstandig en vrij te denken. Het verschil tussen beide opvattingen ligt enkel hierin dat theïsten dat hoger vermogen toeschrijven aan een scheppende tussenkomst van een hoger wezen of God, en aan een typisch menselijk ‘orgaan’ dat niet stoffelijk en dus onsterfelijk is: de ziel, de geest &c. Atheïsten zien enkel het geëvolueerde lichaam, dat autonoom in staat is tot precies dezelfde hogere functies. Het zijn dus twee tegengestelde verklaringen voor eenzelfde verschijnsel, namelijk de zelfbewuste, denkende homo sapiens. De moderne wetenschap heeft op overtuigende wijze aangetoond dat de atheïstische verklaring de meest eenvoudige en meest overtuigende is, omdat ze geen beroep doet op onbewijsbare stellingen of wezens waarvan het bestaan niet redelijk kan aangetoond worden.
Eens dat historisch theologisch misverstand uit de weg geruimd is, moeten we ons echter verzetten tegen een ander waanidee, dat helaas wel eens opduikt bij sommige atheïsten. Vertrekkend vanuit het reële materialisme, namelijk de terechte gedachte dat enkel een levend materieel wezen in staat is tot hogere mentale activiteiten, en vanuit de even correcte gedachte dat alle materie de natuurwetten volgt, meent men dat ook het denken uitsluitend verloopt volgens de elementaire natuurwetten, waarbij oorzaken bepalend zijn voor het gevolg. Dat is een vorm van extreem materialisme die onvermijdelijk neerkomt op fatalisme. De mens denkt, maar dat denkproces is de noodzakelijke opeenvolging van oorzaken en gevolgen; en aangezien een oorzaak altijd en noodzakelijkerwijs hetzelfde gevolg heeft, is het resultaat van het denken gedetermineerd door zijn oorzaken.
Meteen verdwijnt de menselijke vrijheid, want wat wij denken wordt strikt bepaald door de wetten van oorzaak en gevolg. Wij kunnen niets anders denken dan wat we denken. Als dat wel mogelijk zou zijn, zou er een beslissende tussenkomst zijn in de reeks van oorzaken en gevolgen, maar van wie of wat? Alleen van het denkend ik in zijn omgeving, want iets anders is er niet, en dus is ook die tussenkomst onderhevig aan de wetten van oorzaak en gevolg, en zo steeds verder tot in het oneindige. Absoluut determinisme dus, of beter gezegd: fatalisme. De menselijke vrijheid is in het beste geval een illusie.
Dat is echter zo volkomen in tegenspraak met ons aanvoelen en onze ervaring, dat weldenkende mensen steigeren wanneer ze met die aantijging of veronderstelling geconfronteerd worden. En inderdaad, dergelijk fatalistisch materialisme is onhoudbaar, en geeft een totaal vertekend beeld van de werkelijkheid van ons denken en van ons bestaan. Er is overigens ook nog geen enkele theorie opgedoken die de wetmatigheden van het menselijk denken afdoend verklaart op grond van een dergelijk fatalisme.
Het is immers precies doordat wij beschikken over een formidabel brein dat wij, homo sapiens, in staat zijn om te ontsnappen aan de gevolgen van de ongunstige omstandigheden in onze omgeving, en in staat zijn om gebruik te maken van de talloze mogelijkheden die wij ontdekken in het universum. Andere levende wezens kunnen dat veel minder goed; de wetten van de evolutie zorgen wel voor hun aanpassing aan de omstandigheden, maar dat is vooral een traag proces, en dat biedt geen oplossing voor problemen die zich op korte termijn stellen voor het individu. Met een denkapparaat als dat van de mens, gecombineerd met een superbe beschaving, is het zelfs niet meer absoluut noodzakelijk dat het individu zich aanpast aan zijn omgeving: het past de omgeving aan aan zichzelf. En zo verandert de mens de spelregels binnen de natuurwetten. Het blijft regenen, maar wij hoeven niet noodzakelijk nat te worden.
De mens oefent in ingrijpende invloed uit op zijn omgeving, dat is voor iedereen duidelijk. Er is voor de mens een bijzondere rol weggelegd in het natuurlijke proces van oorzaak en gevolg, een actieve tussenkomst door middel van het bijzonder lichaam waarover wij beschikken, bijzonder in die zin dat wij precies in staat zijn tot hogere vormen van mentale activiteit, zoals herinnering en proactief denken, en het gebruik van gesofisticeerde werktuigen en beschavingsproducten.
Die denkactiviteit is een fysisch proces, dat zich vooral in onze hersenen afspeelt en dat vanzelfsprekend gebonden is aan de fysische natuurwetten. Maar dat betekent niet dat het individu niet kan ontsnappen aan die natuurwetten. Ons brein is namelijk niet enkel spectaculair in die zin dat er zich ongelooflijk veel en ongelooflijk complexe activiteiten tegelijkertijd in afspelen, al is dat natuurlijk wel een essentiële vereiste; het uitzonderlijke is vooral hierin gelegen, dat wij met dat brein in staat zijn om belangrijke beslissingen te nemen over onszelf in onze omgeving. Die fysische mentale activiteiten hebben betekenis voor ons, wij zijn ons bewust van onszelf en onze omgeving en wij kunnen erop inspelen.
Wij zijn geen weerloze slachtoffers van onze omgeving, noch van autonome fysische processen die zich in ons brein afspelen, zoals het fatalistisch ‘sterk’ materialisme beweert. Zij zien de activiteit van de hersenen louter als een fysisch proces, dat volledig aangestuurd wordt door fysische impulsen, zoals datgene wat de zintuigen waarnemen, en de fysische reacties binnen het brein op die impulsen, en de fysische reacties daarop en zo verder tot in het oneindige. Alles is dus materie, en daar geldt enkel de strenge wet van oorzaak en gevolg, zodat het denken een louter automatisch verlopend proces is, waaraan niets kan veranderd worden en waarop niets of niemand kan ingrijpen, ook het ‘ik’ niet. Wat wij ‘denken’ noemen en wat we zien als een vrije activiteit van het ik, is in feite een epifenomeen, een randverschijnsel, een indruk, meer niet. Wij denken niet, wij worden gedacht.
Dat heeft vanzelfsprekend belangrijke gevolgen, bijvoorbeeld voor de ethiek. Als ons denken uitsluitend een automatisch fysisch proces is, zijn wij er ook niet meer verantwoordelijk voor, en dus ook niet voor ons handelen, dat op ons denken gebaseerd is. Wij worden zo ethische automaten, enkel en alleen gestuurd door de natuurwetten.
Zeker, ontsnappen aan de natuurwetten kunnen we niet, dat zien we ook wel in. Maar daarbinnen zijn er ontelbare mogelijkheden die we kunnen verkennen en uitproberen. En daarin zijn we echt wel goed, maar helaas niet volmaakt, en dus gaat het vaak ook behoorlijk fout.
Ik weet dat fatalistisch denkende materialisten menen dat wat ik hier zeg een illusie is, en ik geef toe dat ik het daarmee behoorlijk moeilijk heb. Ik ben ervan overtuigd dat zij ongelijk hebben, maar het is niet gemakkelijk om hun redenering te weerleggen. Ik ben het er immers grondig mee eens dat de natuurwetten onverbiddelijk zijn, en dat oorzaken vaste gevolgen hebben. Ik vermoed dat het probleem om de reële menselijke vrijheid te verzoenen met dat even reëel determinisme een oplossing zou kunnen vinden, wanneer we de schaal bekijken waarop de gebeurtenissen zich afspelen, en de complexiteit van de soorten levende wezens.
Op het allerkleinste subatomaire niveau is er, voor zover we weten, een absoluut determinisme: de mens kan aan de ingewikkelde wetten die daar heersen geen veranderingen aanbrengen. Wij kunnen hoogstens gebruik maken van die wetmatigheden, bijvoorbeeld om de nucleaire krachten vrij te maken, voor vredelievende of andere doeleinden. Wat binnen een atoom gebeurt, gebeurt noodzakelijkerwijs. En dat gaat zo verder op het atomair niveau en vervolgens het moleculair niveau waarop atomen zich chemisch met elkaar verbinden. Het lijkt evident dat er op deze niveaus geen sprake is van enige beslissende activiteit van de materie zelf die een invloed heeft op haar voortbestaan. Hier zijn oorzaak en gevolg onlosmakelijk met elkaar verbonden. Enkel de kwantummechanica lijkt daarop een uitzondering te vormen, zij het eveneens binnen zekere grenzen.
Op het biologisch niveau, waarbij er cellen gevormd worden, veranderen de zaken echter grondig. Alle cellen zijn actief. Ze houden zichzelf in stand in en door middel van hun omgeving en zijn in staat om zich te vermenigvuldigen. Dat is de kern van de zaak, meen ik. Zelfs op het meest eenvoudige biologische niveau zijn de gevolgen spectaculair, en naarmate het leven complexere vormen aanneemt, neemt ook de mogelijkheid tot zelfstandige activiteit toe, en gaat die over van aanpassing aan de omgeving tot aanpassing van de omgeving aan zichzelf.
Op astronomisch niveau neemt de activiteit weer af. Onze zon en de andere hemellichamen lijken niet in staat om zelf enige invloed uit te oefenen op hun bestaan of zich aan te passen aan hun omgeving. Ook op dat niveau spelen de natuurwetten ongenadig hun verbijsterende rol op een schaal die onze verbeelding tart.
Vrijheid situeert zich dus blijkbaar uitsluitend op het niveau van de levende wezens. Ze is aanwezig in alle soorten levende wezens, maar niet in dezelfde mate. Levensvormen die lichamelijk complex zijn, vooral wat het zenuwstelsel betreft, zijn dat ook mentaal, en dat is in feite wat we bedoelen met ‘vrijheid’, namelijk het vermogen om de natuurwetten niet zonder meer te ondergaan, maar om zich actief te bewegen in de omgeving. Homo sapiens onderscheidt zich niet essentieel door zijn vrijheid, maar door het uitzonderlijk hoge niveau van zijn vrijheid. En de mogelijkheid om dat niveau daadwerkelijk te bereiken is geenszins gerealiseerd in alle exemplaren van de soort: levende wezens verschillen onderling, hoe sterk ze ook op elkaar gelijken. Elk exemplaar is uniek, en dat bepaalt de mogelijkheden die het heeft, en in ruime mate ook de kans dat die mogelijkheden optimaal zullen aangewend worden.
Vrijheid is dus een eigenschap van levende wezens, en is in haar omvang en toepassing afhankelijk van de fysieke complexiteit van de soort, en van de unieke kenmerken van een individu.
Dat die vrijheid wel degelijkheid bestaat, blijkt ten overvloede uit het feit dat het zo goed als onmogelijk is om voorspellingen te doen over het individueel gedrag van één levend wezen of gebeurtenissen waarmee verscheidene levende wezens gemoeid zijn, inzonderheid de mens. Indien het fatalistisch materialisme enige grond van waarheid bevatte, dan zou het in ruime mogelijk moeten zijn om ook voorspellingen te doen over gebeurtenissen. Dat lukt echter enkel in aanzienlijke mate op het niveau van de niet-levende materie. Als het om levende wezens gaat, lijkt zelfs elk ‘sterk’ determinisme ongeschikt als verklaring; enkel zeer benaderende statistische conclusies voor grote groepen vertonen enige, zeer beperkte en louter theoretische betrouwbaarheid, die in de praktijk meestal onbruikbaar blijkt te zijn. Ook psychologische verklaringen, zoals die van de psychoanalyse, of het behaviorisme, worden door weer nieuwere benaderingen en door hun gebrekkige therapeutische waarde ontkracht. Wat grotendeels opgaat voor de dode materie, zowel in de dimensie van het allerkleinste als van het allergrootste, blijkt onbruikbaar als verklaring voor het middenniveau, waar ook de hogere levende wezens te vinden zijn.
Het ziet er dus naar uit dat complexe levende wezens inderdaad ontsnappen aan elke fatalistische interpretatie. Dat is vooral zo wanneer zij zich organiseren in samenwerkingsverbanden, een hoogtechnologische beschaving uitbouwen en zich bezinnen over zichzelf.
Kortom, de mens ontwikkelt zijn hoogste mogelijkheden optimaal door in een hoge beschavingsvorm met anderen samen te werken met het oog op de instandhouding van het individu en van de soort in de eigen omgeving.
Dat is niet zozeer een vaststelling als wel een opgave. Het is inderdaad enkel wanneer individuen en groepen actief gebruik maken van de eigen mogelijkheden om hun bestaan te verzekeren en te optimaliseren en daartoe bewuste initiatieven nemen, dat zij zich boven het fatalisme van de natuurwetten verheffen, dat zij een ik worden. In het andere geval, wanneer zij passief het leven ondergaan, blijven zij in ruime mate de gevangenen van hun situatie, en zullen zij inderdaad hun lot, dat wil zeggen de fatalistische loop van de natuur, ondergaan en zich de speelbal voelen van de gebeurtenissen en van de anderen. Dat leidt echter altijd tot negatieve gevoelens: een mens is niet gelukkig als hij of zij de eigen mogelijkheden niet kan gebruiken en verder ontwikkelen. Pas wanneer wij actief ingrijpen in ons eigen bestaan en in onze omgeving, en daarvan de positieve resultaten zijn, hebben wij terecht een gevoel van bevrediging en geluk.