In den beginne...

Laten we vanaf het begin beginnen.
Het heelal, dat is letterlijk alles wat er is, is volgens onze beste wetenschappelijke inzichten meer dan 13 miljard jaar geleden ontstaan. Het was een bijzonder explosieve gebeurtenis, waarbij onvoorstelbaar veel energie en massa vrijkwam. Nu, zoveel later, heeft het heelal een aantal vormen aangenomen die naar onze menselijke maatstaven nogal stabiel zijn. Anderzijds zijn er ook nog altijd spectaculaire gebeurtenissen van enorme omvang, die wij af en toe te zien krijgen lang nadat ze ver van ons weg plaatsvonden. En er zijn ook zeer fundamentele verschijnselen die we nog niet kunnen verklaren en die nochtans bepalend zijn voor de werking van het universum.
Er is in de hele geschiedenis van het heelal niets dat ons ertoe aanzet om te denken dat er iets anders aan het werk zou zijn dan alleen het heelal zelf, dat functioneert volgens onwrikbare wetmatigheden die wij mensen stilaan ontdekken. Er is dus geen verborgen kracht of persoon of ‘godheid’ die alles heeft doen ontstaan en die de loop van de geschiedenis leidt. Er is geen enkele bedoeling in het universum. Er zijn alleen de neutrale natuurwetten.
Meteen is ook duidelijk dat uit het universum niet af te leiden valt of iets goed of slecht is: alles gebeurt nu eenmaal zonder enige bedoeling, volgens onveranderlijke natuurwetten. Er is geen God die ons op een of andere manier openbaart wat zijn Wil is en wat hij van ons verwacht.
Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de mens. Aangezien op geen enkele manier uit het universum af te leiden is wat goed en slecht is, moeten we dat zelf doen, zonder ons op enig gezagsargument te steunen.
Alles wat bestaat, beschikt over mogelijkheden. Die kunnen zeer beperkt en bijzonder weinig indrukwekkend zijn. Wat wij dode materie noemen lijkt daarvan een goed voorbeeld, maar is het zeker niet: als wij zien welke spectaculaire vormen die dode materie kan aannemen, dan maakt ons dat erg nederig. Wat vermag een mens of zelfs de mensheid tegenover de natuurkrachten? Maar goed: een mens heeft (in principe) meer mogelijkheden dan een dier, een plant of een kei, dat is wat ik bedoel.
Aangezien er geen absolute morele normen af te leiden zijn uit het universum, kan elk wezen op zich alles doen waartoe het in staat is, zonder dat we daarover een absoluut oordeel kunnen vellen. Om te oordelen heb je normen nodig, en het universum biedt ons die niet. Elk wezen mag dus alles doen wat het kan, zonder enige beperking. We kunnen dit ook zo formuleren: elk wezen heeft het recht om alles te doen wat het kan. Of nog: elk wezen heeft zoveel rechten als het macht heeft.
Dat is een fundamenteel gegeven, waaraan niet te tornen valt. Op welke gronden zouden we dat immers doen? Wel, bij nader toezien zijn er daarover toch enkele belangrijke bedenkingen te maken. Als iemand helemaal alleen op een eiland zou leven, dan is er praktisch gesproken inderdaad geen enkele beperking die hij of zij zich dient op te leggen. Of beter nog: als er slechts één levend wezen was in het hele universum, dan was dat wezen vanzelfsprekend absoluut vrij. De enige waarde die er dan nog kan zijn, is het leven zelf. Maar dat is, zoals we weten, een absurde situatie; één levend wezen is onmogelijk, dat levend wezen komt ergens vandaan en dat ene wezen kan zich alleen ook niet voortplanten, dus het leven is dan ook geen waarde van enige betekenis.
Binnen het universum is er (ten minste) onze aarde, en daarop is leven, veel leven, in vele soorten. De mens is daarin een uiterst belangrijke factor. We zijn met veel en we hebben een enorme invloed op onze omgeving. Dat heeft zo zijn gevolgen. Als we allemaal leven alsof we alleen op de wereld zijn, dan wordt het een bloedbad en een ecologische ruïne.
De mens is ontstaan uit vroegere diersoorten, niet als een individu, maar als groep. Het is door in groep samen te leven in een omgeving met nog veel meer levende wezens van alle rang en soort, en in strijd met de elementen, dat de mens ontwikkeld is tot wat hij nu is (en wie weet wat de toekomst nog brengt). Dat samenleven met elkaar in een omgeving verloopt het best wanneer wij bepaalde regels in acht nemen, die er zowel op korte als op lange termijn voor zorgen dat het goed gaat met die levende wezens en met dat milieu. Met andere woorden: voor levende wezens is het leven belangrijk, het is een ‘waarde’. Anders gezegd: elk levend wezen zal zich inspannen om in leven te blijven, zo lang mogelijk en zo goed mogelijk. Meer nog: wij vinden leven zo belangrijk, dat wij het leven zelf ook in stand willen houden. Wij weten dat wij sterfelijk zijn, maar ook dat wij ons kunnen voortplanten. Wij proberen dus de vlam brandend te houden, omdat we beseffen dat anders de lange evolutie waarvan wij het resultaat zijn, plots zou afgebroken te worden. Wij willen andere mensen de kans geven om te leven, zoals wij ook die kans gekregen hebben van onze ouders en een schier eindeloze rei van voorouders.
Het ontdekken van de beste manier om samen te leven op deze aarde is geen eenvoudige opgave. Als we terugkijken in onze geschiedenis, ook de meest recente en zelfs hoe het er vandaag aan toe gaat, dan stellen we vast dat we enerzijds in staat zijn tot fantastische prestaties, maar dat we anderzijds ook vreselijk tekortschieten. Dat heeft onder meer te maken met het ontbreken van absolute normen, die voor iedereen duidelijk zijn en die iedereen ook met overtuiging naleeft. Niemand heeft een oplossing voor alles, wellicht is er niet eens een oplossing voor alles. Dat zou eigenlijk zelfs heel verwonderlijk zijn. Het leven is altijd al een precaire zaak geweest. Hoe complexer de levensvormen, hoe ingewikkelder het samenleven. Hoe minder kansen de omgeving biedt, hoe onwaarschijnlijker de overlevingskansen. Leven is overleven, of een strijd om in leven te blijven. Die strijd is de motor van de evolutie en van de diversiteit van het leven, samen met de wetten van de genetica.
Laten we nog even terugkomen op die uitdagende stelling: elk wezen heeft zoveel rechten als het macht heeft. Dat is niet zozeer een aanspraak die we maken als een uitspraak, een vaststelling. Je kan het ook omkeren: men heeft enkel recht op datgene wat men vermag. Een kei kan zich niet uit zichzelf voortbewegen en heeft dus ook niet het ‘recht’ om dat te doen; het is zinloos om dat recht aan die kei toe te kennen. Het is dus even zinloos om aan mensen rechten toe te kennen die ze toch onmogelijk kunnen waarmaken. En laten we ook dat omkeren: men kan een (levend) wezen het recht niet ontzeggen om iets te doen waartoe het in staat is; dat is trouwens in veel gevallen totaal onmogelijk. Een voorbeeld: een mens is in staat om te denken. Welnu, dat is een recht dat men niet kan ontnemen, een mens kan altijd denken, zelfs als men het hem of haar verdomd moeilijk maakt. Maar het is ook zo dat wie over meer macht beschikt, meer rechten heeft. De leeuw is machtiger dan het lam. Hij kan een lam opeten, een lam kan zich daar niet eens tegen verzetten. De leeuw heeft dus het recht om het lam op te eten, hij begaat geen misdaad wanneer hij dat doet.
Wanneer het om mensen onderling gaat, liggen de zaken anders. Aangezien alle mensen in principe gelijk zijn en dus evenveel macht hebben, hebben ze ook allen dezelfde rechten. Dat is wat is vastgelegd in de Universele verklaring van de rechten van de mens. Maar in een samenleving maken mensen ook allerlei afspraken met elkaar. Ze staan een deel van hun macht af aan anderen om praktische redenen. Denk aan het parlement en de regering: die ‘mensen’ hebben niet meer macht of recht dan jij en ik, maar als verkozen vertegenwoordigers van het volk voeren zij uit wat wij willen; wij hebben een deel van onze individuele beslissingsmacht vrijwillig afgestaan aan een instelling, die beslissingen neemt voor iedereen. Die regelingen hebben we in wetten vastgelegd, in rechtsregels, die dus bijzondere rechten en een bijzondere macht toekennen aan sommige personen, maar onder strikte voorwaarden. Die regels zijn bindend voor iedereen, ook als we het er niet mee eens zijn: we moeten onze belastingen betalen, ook als we vragen hebben over de besteding van onze zuur verdiende centen.
Sommige rechten zijn onvervreemdbaar, ofwel omdat ze werkelijk niet kunnen afgenomen worden (zoals het recht om te denken, zich te voeden, beschutting te zoeken, zich voort te planten, te werken), ofwel omdat wij bij wet hebben vastgelegd dat het zo is, bijvoorbeeld de vrije meningsuiting, het recht op onderwijs, het recht om een godsdienst te belijden &c.
We moeten die gelijkstelling van macht en recht dus goed begrijpen. Het gaat helemaal niet om een simplistische regel die het recht van de sterkste huldigt. Het is niet dat soort macht waarover het hier gaat, maar over de macht waarover een wezen nu eenmaal beschikt omdat het dat soort wezen is. Zeker, ook de onvervreemdbare rechten zijn op ongelijke manier gerealiseerd in de miljarden verschillende mensen. Men is fysiek sterker dan iemand anders, of intellectueel, artistiek, emotioneel enzovoort, en dat speelt ongetwijfeld een rol. Maar er is altijd een rem op de macht van de sterkere: er zijn rechten die zelfs de machtigste niet kan ontnemen aan de allerzwakste, en dat zijn de meest fundamentele rechten. In een beschaafde samenleving zal men dus regels vastleggen die de macht van de sterke afwegen tegen het recht van de zwakke.
Iedereen heeft zo zijn of haar eigen opvatting over de beste manier om te overleven. Natuurlijk zijn er een aantal regels, die in de loop der millennia een min of meer vaste vorm gekregen hebben, precies omdat ze in de praktijk succesvol waren. ‘Gij zult (elkaar) niet doden’ is evident een goede basisregel als het om het behoud van het leven gaat. Maar we moeten toegeven dat we zelfs die evidente regel niet zo heel goed onderhouden. Het aantal mensen dat geen natuurlijke dood sterft is altijd verbijsterend groot geweest en is dat nog steeds, ondanks al onze beschaving.
Sommige mensen hebben gemeend dat ze de ultieme regel, of het ultieme reglement voor de samenleving ontdekt hadden, of dat het hen was ingefluisterd of spectaculair geopenbaard door een hoger wezen. Ze hebben dan geprobeerd om hun opvattingen ingang te doen vinden, op alle mogelijke manieren, vreedzaam maar helaas al te vaak ook te vuur en te zwaard. Deze manier van samenleven is kenmerkend voor onze geschiedenis tot op vandaag.
Er zijn altijd al mensen geweest die er een andere mening op na hielden, die beter overeenkomt met ons vertrekpunt: er zijn geen absolute wetten af te leiden uit het universum, we moeten alles met elkaar afspreken, we moeten zelf bepalen wat we waardevol genoeg vinden om het in stand te houden; we zijn als soort ontstaan in groep, niet als individu. We moeten ons dus hoeden voor profeten die beweren dat zij het licht gezien hebben of een boodschap van hogerhand gekregen hebben, voor machthebbers die autonoom bepalen wat andere mensen mogen doen en moeten laten.
Hoe kunnen we dan weten wat goed is en wat niet? Ook dat is een complexe zaak. Als mens beschikken we over een fenomenaal verstand, dat ons gebracht heeft waar we zijn, met zijn goede en kwade kanten. Op dat verstand zijn we aangewezen. We hoeven ook niet alles zelf te bedenken: we kunnen te rade gaan bij de mensen die ons zijn voorgegaan en leren uit hun ervaring, zoals die opgeslagen is in wat wij onze beschaving noemen. We kunnen ook onze levende medemensen raadplegen: er zijn er altijd die meer (of eer) weten dan andere. We kunnen experimenteren en leren uit onze fouten.
Overleven zal echter altijd een strijd blijven. Wij zijn een levensvorm die zich hier op aarde ontwikkeld heeft in een voortdurende wisselwerking met de omgeving, waarbij het vaak de uitdagingen waren die tot nieuwe mogelijkheden leidden. Wij moeten nog steeds werken gedurende een groot deel van ons leven, ongeveer veertig tot vijftig jaar. Tel daar nog onze opleiding bij, ongeveer twintig jaar eer we onze plaats in de maatschappij kunnen innemen. Er blijft maar een relatief of absoluut korte periode over aan het einde, maar precies dan is de overlevingsstrijd van ons lichaam, inclusief ons verstand, het meest precair. Vandaar dat wij elkaar aansporen om de dag te plukken, carpe diem en te genieten van het leven terwijl we dat nog kunnen.
Een van de weinige mensen die hebben ingezien wat het universum was en wat de plaats daarin van de mens, is Spinoza. Hij leefde in Nederland, van 1632 tot 1677. Hij leidde een sober leven en schreef enkele boeken, waarvan er slechts één tijdens zijn leven uitgegeven werd onder zijn naam, een ander verscheen anoniem. Na zijn dood publiceerden zijn vrienden zijn Nagelate Schriften, met daarin ook zijn belangrijkste werk, de Ethica. Sindsdien is hij voor velen een bron van diepe inspiratie geweest, maar voor de gevestigde machten steeds een doorn in het oog (zoals de Bijbel het zo huiveringwekkend zegt in Num. 33,55). De jongste jaren is de belangstelling voor zijn werk en voor zijn manier van denken toegenomen, zowel bij wetenschappers als bij gewone mensen zoals jij en ik. Anders dan religieuze leiders, goeroes, dictators, demagogen, politici of commercieel ingestelde betweters zegt hij ons niet hoe het moet, maar hoe het is, en hoe het niet is. De rest moeten we zelf ontdekken, met ons machtig verstand, samen met elkaar, bewust van onze geschiedenis en vooruitkijkend naar de toekomst.

Maar Spinoza is zich als geen ander bewust van onze
beperkingen. Wij zijn zo menselijk… Hij reikt ons enkele handige hulpmiddelen
aan, die ons kunnen helpen wanneer we tekortschieten. De meeste mensen zijn
hebzuchtig; welnu, maak daarvan gebruik, leid het in banen, en het kan helpen
om de economie te doen draaien, ten bate van de gemeenschap. Mensen laten zich
wel eens omkopen; welnu, zorg ervoor dat de verantwoordelijken met zoveel zijn,
dat niemand ze allemaal kan omkopen. Enzovoort.
Spinoza had ook een droom: dat de mensen uiteindelijk allemaal heel bewust liefdevol zouden samenleven met elkaar, zonder enige dwang van buitenaf, uit overtuiging, en niets zouden doen dat de harmonie zou verstoren.
Het is merkwaardig dat iemand die een dergelijk ideaal voor ogen had, zo verguisd en miskend is, vooral door het christendom, tot op vandaag. Sinds ik zijn werk heb leren kennen, is Spinoza ook voor mij een bron van inspiratie. Door me in zijn werk te verdiepen, ben ik tot andere en betere inzichten gekomen over de meest fundamentele kwesties die ons bezighouden. Om bij te dragen tot de verspreiding van zijn ideeën spreek ik hier vaak over hem. Wie op een meer diepgaande manier met zijn werk wil kennismaken, kan onder meer terecht op de website van Spinoza in Vlaanderen, die ik met dat doel onderhoud.











